Paragraaf 1: Hersenen zijn regelkamers
Hersenhelften = Hersenen bestaan uit twee helften.
-Linkerhelft doet veel denkwerk, is bezig met woorden en taal en rekenen en voert
logische taken uit.
-Rechter voor ruimtelijk inzicht en voor de zintuigen en kleur.
Hersengebieden = Onze hersenen zijn in te delen in verschillende kleine gebieden. Zo
zijn er hersengebieden die verantwoordelijk zijn voor het denken.
Patroonherkenning = Als eenmaal iets goed werkt op een bepaalde manier, dan
blijven jouw hersenen dat zo doen.
Associaties = Kenmerken van je hersenen kun je heel goed gebruiken om dingen te
onthouden. Iets dus ergens mee vergelijken.
Onbeschreven blad = Je weet nog niks.
Omgevingsinvloed = Je word door je omgeving beïnvloed hoe je op iets reageert.
Genen = Hierin liggen bepaalde erfelijke eigenschappen van je moeder in. Deze
genen zitten in iedere cel van je lichaam.
Zintuigen = Kijken, luisteren, voelen, proeven.
De verandering in de hersenen rond het 12e jaar is goed te zien. Bij kinderen vanaf 12
en 13 en ook bij volwassenen, worden de regelkamers in de hersenen juist bij
negatieve feedback sterk geactiveerd en veel minder bij positieve feedback.
Belonen werkt bij kleine kinderen dus veel beter dan straffen en bij oudere
kinderen werkt straffen beter dan belonen.
, Paragraaf 2: Kijken naar hoe kinderen leren
Cognitieve ontwikkeling = Het leren van dingen, het onthouden en het toepassen
ervan.
Cognitie = Is een ander woord voor kennis.
De cognitieve ontwikkeling is erg moeilijk te zien maar als je let op het praten, gedrag
en de bewegingen van een kind kun je er wel iets van ontdekken. Al vanaf kleins af
aan leer je hoe je alles doet en hoe je je gedraagt tegenover elkaar.
Belangrijke aspecten van de cognitieve ontwikkeling:
Het geheugen Onthouden en weer herinneren van
informatie.
De cognitie Hoe je waarneemt, herinnert, denkt,
redeneert en begrijpt.
De aandacht Controle hebben over waar je op let en
concentratie. ( Een voorwaarde voor
cognitie).
Belonen en straffen = Spelen een rol in onze maatschappij.
Waarden = Zijn ideeën over wat goed en minder goed gedrag is.
Normen = Zijn regels voor gedrag die vanuit deze waarden komen.
Normen en waarden zijn belangrijk in het dagelijkse leven.
Imiteren = Nadoen van, door het imiteren van gedrag van anderen leert het kind.
Behaviorisme = Komt van het Engelse woord: Behavior = gedrag. Kinderen leren
ervan als je ze beloont voor goed gedrag. Negeer ongewenst gedrag. Straf alleen
gedrag wanneer het gevaarlijk is of/en moet stoppen. Behavioristen gaan ervan uit
dat een kind start als een onbeschreven blad.
Conditionering = Gedragingen worden in de loop van het leven aangeleerd. Pavlov
heeft de naam bedacht. Alles word aangeleerd of geprogrammeerd.
Ivan Pavlov = Was een behaviorist en deed onderzoek met honden ( liet een zoemer
horen en gaf honden eten, zo leerde hij ze gedrag aan, conditioneren).
Fred Skinner = Is een behaviorist. Volgens hem kun je mensen en dieren bijna alles
leren. Als je het gewenste gedrag maar beloont. Gedrag dat je beloont wil je vaker
doen omdat je er iets leuks voor terugkrijgt. Skinner vindt dat het gedrag dat mensen
vertonen, hetzelfde is als hun persoonlijkheid. Het gedrag dat je het meest laat zien,
bepaalt je persoonlijkheid.
De volgende richtlijnen worden nog steeds toegepast en zijn allemaal afkomstig uit
deze stroming:
1. Beloon gewenst gedrag. Het gedrag komt dan vaker terug.
2. Negeer ongewenst gedrag. Het gedrag zal dan minder vaak terugkomen.
3. Straf gedrag alleen als het gevaarlijk is of moet stoppen. Straffen helpt alleen om
gedrag te stoppen, je leert er niet van.