- Veranderde politieke omstandigheden. - Toepassing fossiele brandstoffen. - Moderne economische groei → een
- Vernieuwingen in de communicatie. - Technologische verbeteringen. voortdurende stijging van het
- Vernieuwingen in het transportwezen. inkomen per hoofd van de bevolking.
Gilden Age (1865-1901):
Verschil Noord/Zuid-Amerika: - Snelle expansie spoorwegen. Alfred Chandler:
- Andere mentaliteit. - Moderne productieve landbouw. - Bedrijven konden alleen succesvol
- Invloed katholieke kerk. - Opkomst grote ondernemingen. blijven als managerial firms:
- Grootschalige landbouw zuiden → - Ontstaan diverse arbeidersklasse. - Proffesionele managers.
minder aantrekkelijk voor boeren. - Investering aandelenbeurs.
Principes van de GATT:
Moderne Industrie Nederland faalde: - Wederkerigheid. John Keynes:
- Institutionele erfenis Republiek. - Non-discriminatie. - Anticyclisch reageren op
- Beleid Willem I. wisselingen in de conjunctuur.
- Liberalisering handelsverkeer. Afspraken politici 1944:
- Bretton Woods-stelsel. Lubbers driesporenbeleid:
Invalshoeken Wall Street crisis: - IMF - Overheidsbezuinigingen.
- Structurele onevenwichtigheden in - Wereldbank - Arbeidsmarktbeleid.
de economie: schuldbetalingen. - GATT - Stimulering private sector.
- Gebeurtenissen in de reële economie:
afname Amerikaanse vraag. Effecten Marshall-hulp: Chris Bayly:
- Beleidsreacties: GB en VS weg van - Europese samenwerking. - Wens onafhankelijkheid komt voort
de Gouden Standaard. - Expansie Amerikaanse export uit globalisering en politieke ideeën.
- Monetaire aspecten: terugtrekking geld naar Europa.
na krach → geldtekort. Charles Tilly:
China geen tweede Japan: - Staten vroegmoderne tijd: indirect
Ontwikkelingen verzorgingsstaat 20ste eeuw: - Dual economy China → verschillen rule.
- Individualisering. welvaart per regio. - Staten in de loop van de 18de eeuw:
- Toenemend verwachtingspatroon medische - Export door buitenlandse direct rule.
zorg. dochterondernemingen → winst vloeit weg.
- Kosten bejaardenzorg en medische uitgaven - Chinese handelsoverschot alleen door Eugen Weber en Eric Hobsbawm:
stegen door hogere levensverwachting. hoge vraag uit het buitenland. - Top-down visie: doel centrale staat
- Grote tekorten overheidsuitgaven werd niet bevolking → nationale massa.
meer geaccepteerd → strengere bewaking Verschillende nationalisme:
sociale uitgaven. - Etnisch nationalisme: draait om het volk. Barrington Moore:
- Liberaal/civiel nationalisme: contract. - Grote, kapitalistische middenklasse
Samenleving: nodig voor democratie.
- Hardware: alle tastbare activiteiten. Typen Europese landen 20ste eeuw:
- Software: alle ontastbare activiteiten. - Relatief homogene landen, geen D. Acemoglu en J. Robinson:
grote religieuze/sociale verschillen. - Rational choice-theorie: gedrag
Kenmerken democratie: - Staten die sociaal/religieus veel mensen komt door kosten en baten.
- Algemeen kiesrecht. meer verdeeld waren.
- Volksvertegenwoordiging. - Dictatoriale regimes. Jürgen Habermans:
- Pluriformiteit politieke partijen. - Publieke sfeer.
- Garantie grondwet. Robert Putnam sociaal kapitaal:
- Bonding sociaal kapitaal: eigen groep. Gøsta Esping-Andersen landen:
Civil society en publieke sfeer: - Bridging sociaal kapitaal: andere groep. - Liberale verzorgingsstaten: arbeid
- Civil society: organisaties mensen is koopwaar (VS en Australië).
gedeelde interesses. Afname boerenbedrijven: - Sociaaldemocratische verzorgings-
- Publieke sfeer: openbare ruimte - Werk in de industrie. staten: uitgebreid stelsel uitkeringen
voor publieke discussies. - Toenemende efficiëntie en mechanisatie. (Zweden).
- Goedkopere invoer graan. - Conservatief-corporatistische
Eerste Demografische Transitie: verzorgingsstaten: middenweg (DU).
- Fase 1: Hoge sterfte, hoge geboorte. Tweede Demografische Transitie redenen:
- Fase 2: Sterfte daalt, hoge geboorte. - Emancipatie vrouw. Thuisblijven vrouwen:
- Fase 3: Lage sterfte, geboorte daalt. - Seksuele revolutie. - Lonen waren laag voor vrouwen.
- Fase 4: Lage sterfte, lage geboorte. - Verwerpen traditioneel gezag. - Opvoeding was nodig
- Afname invloed kerk.
Oude standen en nieuwe standen:
Adel, boerenstand, oude middenklas verloren macht. Ondernemers, arbeiders, nieuwe middenklasse kregen macht.