Samenvatting probleem 7 – Stress!
1.Wat is stress?
Definitie van stress
Stress = de reactie op psychologische en fysieke stressfactoren die effect hebben op het lichaam.
Stress is een chronische/langdurige verstoring van de psychologische homeostase (uit balans).
Voorbeeld: verstoringen zoals hoge bloeddruk en adrenaline.
Stress hoeft niet altijd slecht de zijn. Het wordt aangepast aan de omgeving. Het kan een
VOORDEEL opleveren als je in gevaar bent. NADEEL is als het chronisch is.
Stressoren = stimuli/prikkels die stress veroorzaken.
3 vormen van stressoren
- Extern: zoals bedreiging of gevaar die voor gedrag- en lichamelijke reactie zorgen.
- Cognitief: waarbij het gaat om eerdere slechtere ervaringen, uitdagingen die ervoor zorgen
dat sympathische zenuwstelsel geactiveerd wordt. Interpretatie van de context.
- Fysiologisch: bloedverlies kan activatie stimuleren en corticosteroïden loslaten
2 soorten stress
➢ Eustress (korte-termijn stressoren) = positieve stress die nodig is en helpt geconcentreerd te
zijn, betere prestaties, opwinding en motivatie. Het is kortdurend!
Voorbeeld: presentatie. HPA- cortisol komt vrij en bespaart energie, spijsvertering stil. Korte
periode die zorgt voor stress.
➢ Disstress (lange-termijn stressoren) = negatieve stress die minder goed is om functioneel te
presteren, angst, voelt niet fijn, psychische problemen. Het is langdurend!
Voorbeeld: mishandeling
Langere periode gestresst omdat er wat kan gebeuren.
Effecten van stress
➔ Fight or flight respons: reactie ter voorbereiding op vechten/vluchten om schadelijke
effecten van stressvolle situatie op de gezondheid voor te zijn.
➔ Voorspelbaarheid – helpt stress verminderen, weten waar je aan toe bent
➔ Veerkracht – strategie hebt hoe je kan reageren (coping), hoe bestand je bent tegen
veranderingen
➔ Controleerbaarheid – situatie minder stressvol door controle
> Learned helpness: idee geen invloed te hebben op de situatie = gebrek aan controle, je
leert er mee omgaan.
Vier criteria voor stress:
1) Als er na verloop van tijd actie plaats vindt als reactie op situatie maar de situatie niet
verholpen wordt
2) Overmatige en langdurige activiteit in neuro hormonale systemen (sympathisch zenuwstelsel
en afscheiden corticosteroïden)
3) Kwetsbaarheid voor pathologie, zoals depressie (die verband houden met onderdrukken van
immuunsysteem).
4) Neiging om zinloos gedrag te vertonen, zoals stereotypen of beschadiging
1
, 2
Algemeen adaptatie syndroom (fase): de algemene reactie die stress veroorzaakt (bij een
stressfactoren).
1. Alarm: verhoogde activiteit in sympathische zenuwstelsel, maakt lichaam klaar voor noodzakelijke
activiteit.
→ Fight or flight (je eerste reactie/ingeving)
2. Resistentie: verzwakt synaptisch respons, wel cortisol aangemaakt → Alertheid behouden,
immuunsysteem wel goed.
3. Uitputting: na lange stress, geen energie meer voor andere reacties
Coping
Cope/coping strategy: wanneer je met de stressors kunt omgaan. Het langdurig mislukken van
strategie zorgt ook voor stress.
→ psychologische stressfactoren hebben via het centrale zenuwstelsel effect op het fysieke lichaam
en sommige van deze effecten op het lichaam kunnen worden getriggerd door fysieke stressfactoren
(de afwijken van homeostase).
Voorbeeld: bloedverlies veroorzaakt zelfde veranderingen als stress.
Actief copingmechanismen = flight, fight. Gelijke respons.
- korte of acute stress
Passief copingmechanismen = gepaard langdurige stress, gezondheidsklachten
- ontwijken van stress
- chronische / lange stress
Wanneer een strategie mislukt wordt het passieve copingsmechanismen geactiveerd.
Neurohormonale systemen
• Autonome zenuwstelsel
Er is een verband tussen stress en de veranderde activiteit in autonome zenuwstelsel.
Het sympathische gedeelte = dit wordt geactiveerd door het autonome zenuwstelsel. Hierbij
komen er verschillende stoffen vrij:
- Noradrenalie uit het sympatische zenuwstelsel, adrenaline, en noradrenaline uit de bijnier.
Noradrenaline in het bloed komt uit de neuronen van het sympathische zenuwstelsel uit de
bijnier, in de bijnier medulla (adrenal medulla).
Binnen de bloedsomloop bezetten adrenaline en noradernaline twee soorten receptoren;
alfa-adrenerge en beta-adrenerge. Voorbeeld: via deze betareceptor wordt de hartslag
verhoogd. Zorgen voor vrijlating brandstof energie.
Het parasympatische gedeelte = zorgt voor onderhoud, spijsvertering. In noodstituaties kan
een verhoogde activiteit optreden wanneer er geen actieve strategie mogelijk is.
Wordt geactiveerd wanneer er geen strategie is bij stress.
2