Sociale diversiteit
De samenvatting betreft de volgende artikelen:
Lesweek 1. Inleiding
Hoofdstuk 6 uit: Wilterdink, N. & Heerikhuizen, B. van (2012). Samenlevingen. Een verkenning van het terrein van de
sociologie. Groningen: Wolters-Noordhoff
Lesweek 2. Media
Martina Althoff. (2005). Het beeld van jeugd als criminaliteits- en veiligheidsprobleem, een discours theoretische
verklaring. Pedagogiek, 25 jaargang 4, 262-278.
http://www.pedagogiek-online.nl/index.php/pedagogiek/article/view/285/284
- Schuijt, B., van Doorn, A., Rijpkema, T., & T. Schuurman. (2009). MassaMedia. Wormerveer: Uitgeverij Essener
(hoofdstuk 9; macht van de media p. 116-124 (zie artikelen)
Lesweek 3. Identiteit
Godsdienst en de modernisering van de samenleving (pp. 93-111 (niet: 110 en 108)) uit: Dekker, G. &
Stoffels, H.C. (2009) Godsdienst en samenleving: Een introductie op de godsdienstsociologie. Utrecht: Kok (zie
artikelen)
- Inleiding en conclusie (pp. 9-16 en 213-222) uit: Duyvendak, J.W. & Hurenkamp, M. (2004) Kiezen voor de
kudde: Lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid. Amsterdam: Van Gennep (zie artikelen)
- Verhaeghe, P. (2013) Zijn we gelukkig? De neoliberale samenleving en onze identiteit. Huisarts Nu, 42 (2), 89-
93. http://www.psychoanalysis.ugent.be/pages/nl/artikels/artikels%20Paul%20Verhaeghe/Zijn%20we%20gelukkig.pdf
Lesweek 4. Welvaart
- Driessens, K. & Geldof, G. (2009). Individu en/of structuur? Of wat wil het sociaal werk aanpakken? Opgevraagd
van http://www.canonsociaalwerk.eu/nl
http://www.canonsociaalwerk.eu/essays/Driessens%20Geldof%20-%20Individu%20en%20of%20structuur.pdf
- Engbersen. G.B.M. (2003). De armoede van sociaal kapitaal. ESB dossier 4398: 12-13.
http://www.godfriedengbersen.com/wp-content/uploads/ESB-De-armoede-van-sociaal-kapitaal.pdf
- Miley, H. en Hoek, M. (2011). Alleenstaande moeders en armoede. Ouderschapskennis 15(1): 55-62.
http://www.bureauhoek.nl/wp-content/uploads/Alleenstaande-moeders-en-armoede.pdf
- Sleebe, V. (2001). Een culture of poverty: de zoektocht naar de onderkant van de Nederlandse
samenleving. Groniek Historische Tijdschrift 34(152):315-
328. http://groniek.eldoc.ub.rug.nl/FILES/root/2001/II_01/culofpovde_4/article.pdf
Thomas, C. (2014). Wie niets bezit heeft het gevoel buiten de samenleving te staan; Groeiende
ongelijkheid:Thomas Piketty’s andere kijk op de economie. De Groene Amsterdammer 138(22) (zie artikelen)
Lesweek 5. Onderwijs
Samen naar school (pp 115-139) uit:Van Houten, D. (2004). De gevarieerde samenleving. Over gelijkwaardigheid en
diversiteit. Utrecht: Uitgeverij De Tijdstroom. (zie artikelen)
Karsten, S. (2008). Verstand, zweet en tranen. Een essay over meritocratie, onderwijs en
ongelijkheid. Boekensignalement, 35
Lesweek 6. Discriminatie
Ghorashi, H. (2006). Paradoxen van culturele erkenning. Management van diversiteit in Nieuw Nederland.
Amsterdam, Vrije Universiteit. http://hallehghorashi.com/nl/wp-content/uploads/2011/10/oratie-Halleh-Ghorashi-13-okt-
06.pdf , Blz. 1 t/m 21
Andriessen, I., Nievers, E., Faulk, L. & Dagevos, J. (2010). Liever Mark dan Mohammed? (blz.25-35) Den Haag:
SCP. http://www.scp.nl/Publicaties/Alle_publicaties/Publicaties_2010/Liever_Mark_dan_Mohammed
,Lesweek 7. De maatschappelijke participatie
Bosselaar, H. (2013). De dialoog aan de keukentafel. Op zoek naar nieuw evenwicht tussen publieke en eigen
verantwoordelijkheid. In: Bouwplaats lokale verzorgingsstaat. Den Haag: Boom Lemma (pp. 101-105).
Hartman, C., Tops, P. (2005). Frontlijnsturing. Uitvoering op de publieke werkvloer van de stad. Den Haag: Kennis
Centrum Grote Steden (9-23).
http://nicis.platform31.nl/dsresource?objectid=64821
Kors, J. & Boksebeld, B. (2014). Heterogene ouderenzorg in Scandinavië. In: Geron, 16, (1), pp. 42-44.
Schuyt, C.J.M. (2013). Noden en wensen. De verzorgingsstaat gezien als een historisch fenomeen. Rede uitgesproken
bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar in het kader van de prof. dr. J.A.A. van Doorn leerstoel aan
de Faculteit der Sociale Wetenschappen Erasmus Universiteit Rotterdam op 24 juni 2013 (pp. 27-32).
Wester, F., Biene, M., Braun, M., Scheijmans, I., (2013). Sturing in de WMO praktijk. Op weg naar nieuwe
sturingsmodellen in de WMO. Utrecht: Movisie (pp. 9-28).
, Lesweek 1. Inleiding
Hoofdstuk 6. Boek Samenlevingen.
Sociale ongelijkheid richt zich op ambities van mensen.
6.1 Sociale ongelijkheid en sociale stratificatie
Sociale ongelijkheid omvat alle sociale verschillen. Sociale ongelijkheid komt voort uit de
afhankelijkheidsverhoudingen, de bindingen tussen mensen, de machtsverschillen en daaruit voorvloeiende
verschillen in sociale privileges.
Stratificatie: de verdeling van de maatschappij in omvangrijke, uit gezinnen, families of huishoudens bestaande
groeperingen waartussen ongelijkheids verhoudingen bestaan en waarvan het lidmaatschap althans ten dele sociaal
erfelijk is. Voorwaarden voor het ontstaan van stratificatie zijn arbeidsdeling en surplusproductie (machtig genoeg
om goederen zelf te verwerven).
Klasse: Leden hebben economische, op marktverhoudingen gebaseerde positie. Klassen onderscheiden zich naar
bezit en arbeidspositie.
Stand: Leden kenmerken zich tot overeenkomstige status en levensstijl.
6.2 Stratificatie in complexe agrarische samenlevingen
De positie van leden uit hogere standen kwam door een combinatie van economisch, politiek en cognitieve
machtsmiddelen. Ze bezaten meer grond en productiemiddelen.
6.3 Industrialisering en klassenvorming
Door industrialisering veranderde de samenstelling van de beroepsbevolking. Er kwamen meer klassenverschillen. Er
kwamen 2 samenlevingen naar voren:
Industriële ondernemers
Industriearbeiders
Daartussen kwam een klassentegenstelling. Ze gingen zich in vakbonden registreren, dit versterkte het
klassenbewustzijn.
Volgens Karl Max zou de klassentegenstelling tussen bourgeoisie en proleriaat (arbeiders) zich steeds meer
doorzetten. Middenklassen zouden gaan verdwijnen.
Er kwamen grotere ondernemingen. Toch zorgde deze niet voor grotere tegenstellingen. Reden:
- Door de grote van ondernemingen vond er een uitbreiding van de middenklasse plaats
- De groei van productie die plaatsvond, kwam ook de arbeiders ten goede. Lonen stegen en vrije tijd nam
toe.
- Materiële verbeteringen in de positie van arbeiders gingen gepaard met een verandering van levenswijze
(vrije tijd, gezinsleven)
- Al deze veranderingen droegen ertoe dat partijen en vakbonden zich gematigder gingen opstellen.
- Met de groei van organisaties werd persoonlijk bezit minder belangrijk. Opleiding werd steeds belangrijker.
- Persoonlijk bezit is minder belangrijk geworden als basis van materiële zekerheid