Hoofdstuk 1: pagina 1
Hoofdstuk 2: pagina 8
Hoofdstuk 3: pagina 12
Hoofdstuk 5: pagina 20
Hoofdstuk 7: pagina 22
Hoofdstuk 8: pagina 24
Hoofdstuk 9: pagina 37
Hoofdstuk 10: pagina 47
Hoofdstuk 11: pagina 52
, Hoofdstuk 1 Rechtshandeling en overeenkomst
1.1 De rechtshandeling
Centraal in het privaatrecht staat de rechtshandeling, dit is de handeling die erop gericht is
een bepaald rechtsgevolg in het leven te roepen.
Er zijn ook rechtshandelingen die niet worden verricht met het oog op rechtsgevolgen, maar
die deze in de praktijk wel hebben.
Bijvoorbeeld door het plegen van een onrechtmatige daad, wordt iemand verplicht schade
te vergoeden op grond van art. 6:162 lid 1.
Eenzijdige rechtshandeling, de wilsverklaring van 1 persoon is nodig om de rechtshandeling
tot stand te brengen. Bij een testament is dit ‘’ongericht’’ gezien het zich niet richt tot een
bepaald persoon. Gericht is bijvoorbeeld een ontslag, dit is een eenzijdige rechtshandeling
gericht op een bepaald persoon.
Een meerzijdige rechtshandeling is een rechtshandeling waar meer dan 1 persoon zijn
wilsverklaring voor nodig is. De meest voorkomende is de verbintenis scheppende of
obligatoire overeenkomsten.
De verbintenisscheppende bestaat zowel in enge betekenis (prestatieverplichting) als in
ruime betekenis (de vermogensrechtelijke rechtsbetrekking tussen twee of meer personen
krachtens welke de een – de schuldenaar – verplicht is tot een bepaalde prestatie waartoe
de ander – de schuldeiser – gerechtigd is.
De rechtshandeling is in het algemeen geregeld in titel 2 van boek 3. 3:32, 3:34 lid 2.
Een rechtshandeling onder een tijdsbepaling wil zeggen dat de werking van de
rechtshandeling afhankelijk is van een zekere toekomstige gebeurtenis.
Een rechtshandeling onder voorwaarde wil zeggen dat de werking afhankelijk is van een
onzekere toekomstige gebeurtenis.
Beiden kunnen een opschortende en een ontbindende werking hebben. Opschortend wil
zeggen dat de rechtshandeling pas werking krijgt op het moment dat de toekomstige
gebeurtenis plaatsvindt. Ontbindend wil zeggen dat de rechtshandeling onmiddellijk werking
krijgt, maar deze werking vervalt op het moment dat de toekomstige gebeurtenis
plaatsvindt. Art 6:22, art 3:84 lid 4.
1.2 Tot stand komen van rechtshandelingen
Aan het tot stand komen van een rechtshandeling zijn vereisten.
1 aan de persoon die de rechtshandeling verricht;
2 Aan de handeling zelf.
1.2.1 Vereisten gesteld aan de persoon die de rechtshandeling verricht.
De persoon die de rechtshandeling verricht moet aan twee vereisten voldoen.
Hij moet handelingsbekwaam zijn en hij moet handelingsbevoegd zijn (art 3:32 en art 3:43)
Handelingsbekwaamheid houdt in de geschiktheid van een persoon om voor zichzelf
rechtshandeling tot stand te brengen.
Ieder is volgens de wet handelingsbekwaam in beginsel alleen het is de taak van de overheid
om mensen die hun eigen belangen niet kunnen behartigen te beschermen. Hieronder
vallen minderjarigen en onder curatele gestelden. (Art 3:32 lid 1, art 1:234 en 1:381 lid 2).
Meerzijdige rechtshandeling verricht door een handelingsonbekwame zijn vernietigbaar,
evenals eenzijdige gerichte rechtshandelingen. Een rechtshandeling van een
1