Handhaving op lokaal niveau
Handhaving op lokaal niveau geschiedt door taken en bevoegdheden in autonomie en
medebewind uit te voeren. Daarnaast bestaat de klassieke openbare ordehandhaving
(eventueel ook in noodsituaties). Tegenwoordig komen er steeds meer vormen van openbare
orde handhaving bij zoals cameratoezicht en het sluiten van woningen in geval er overlast
wordt waargenomen. Ook zie je dat er tegenwoordig steeds meer bestuursrecht wordt ingezet
om de openbare orde te handhaven.
Wetgeving
Het bestuursrecht wordt via verschillende wetten preventief ingezet, de belangrijkste wetten
zijn de wet Bibob, de wet tijdelijk huisverbod en de wet maatregelen bestrijding voetbal
vandalisme. Een andere mogelijkheid om de openbare orde preventief door middel van
bestuursrecht te handhaven is het afkondigen van een APV.
Wet Bibob
De wet Bibob is gericht op het voorkomen dat de overheid activiteiten die crimineel zijn van
aard faciliteert, bijvoorbeeld door middel van het verlenen van subsidies of het afgeven van
vergunningen. De reden voor invoering van de wet Bibob was de vermenging van de onder-
en bovenwereld. Een bekende affaire die hieruit voortvloeide is de IRT-affaire.
IRT-affaire
De achtergrond van de enquête was de aanleiding tot en het gekrakeel rond het opheffen in
1993 van het Interregionaal Recherche Team (IRT) Noord-Holland/Utrecht wat de
geschiedenis is ingegaan als de IRT-affaire.
Het IRT Noord-Holland/Utrecht was een interregionaal samenwerkingsverband van een
aantal politiekorpsen waaronder Amsterdam en Utrecht. Het team maakte gebruik van een
omstreden opsporingsmethode, namelijk het doorlaten van drugs onder regie van politie en
justitie. Het doel daarvan was te kunnen doordringen tot in de top van de criminele organisatie
die onderzocht werd, de "erven Bruinsma". Eind oktober 1993 ontdekte de nieuw aangestelde
teamleider, commissaris van de Amsterdamse politie Johan van Kastel, dat het IRT een
opsporingsmethode hanteerde waarvoor hij geen verantwoordelijkheid wenste te dragen. Hij
rapporteerde dit aan de korpsleiding in Amsterdam en na veel overleg (en ruzie) tussen de bij
het IRT betrokken politiekorpsen, het Openbaar Ministerie en andere betrokkenen, leidde dit
tot de opheffing van het IRT hetgeen op 7 december 1993 bekend werd gemaakt. Voor het
onderzoek naar de consternatie die dit tot gevolg had, werd de Commissie-Wierenga
ingesteld. Er was ondertussen een flinke ruzie ontstaan tussen de politiekorpsen Amsterdam
en Utrecht waarbij onder andere corruptiebeschuldigingen over tafel gingen. De Commissie-
Wierenga kwam met een rapportage waarin de Amsterdamse politie de schuld werd
toegeschoven. Ondertussen was al zoveel over misstanden in de opsporing naar buiten
gekomen dat in de Tweede Kamer werd gevraagd om een diepgaande parlementaire enquête.
,Reikwijdte wet Bibob
De wet Bibob kan vergunningen verlenen (coffeeshops, horeca, transport, prostitutie),
subsidies verstrekken, aanbestedingen doen (bouw, milieu, ICT) en vastgoedtransacties
verrichten.
Weigeringsgronden Bibob verzoek
Als er ernstig gevaar bestaat dat een beschikking mede gebruikt gaat worden voor een
crimineel doel (3 lid 1 Bibob). Een andere weigeringsgrond doet zich voor wanneer blijkt dat
voor het verkrijgen van de vergunning strafbare feiten zijn gepleegd (3 lid 6 Bibob). Wat er
onder ernstig gevaar wordt verstaan staat in artikel 3 lid 2, 3 en 5, feiten en omstandigheden
moeten erop duiden dat de betrokkene in relatie staat tot de strafbare feiten. Als er alleen
sprake is van een vermoeden dan is het van belang wat de ernst van dat vermoeden dan is. als
laatste wordt gekeken naar de omvang van het voordeel dat iemand heeft verkregen (bezien in
het licht van de aard en de ernst van de feiten).
Onder een strafbaar feit wordt tevens een overtreding verstaan waarvoor een bestuurlijke
boete kan worden opgelegd.
Wat betekent in relatie tot de strafbare feiten?
Dit staat in artikel 3 lid 4 Bibob. Het vermoeden moet bepaald worden op basis van
handelingen van de aanvrager of handelingen die een derde verricht die tevens in relatie staat
met de aanvrager (leidinggevende, vermogensverschaffer, zakelijk samenwerkingsverband
etc.).
Zakelijk samenwerkingsverband
De betrokkene staat in relatie tot (de strafbare feiten die al dan niet vermoedelijk gepleegd
zijn door) degenen tot wie hij in een ‘zakelijk samenwerkingsverband’ staan. Dit begrip komt
alleen voor in het kader van de Wet Bibob en is geïntroduceerd om op te kunnen treden tegen
stroman- en katvangerconstructies. Het begrip omvat echter meer dan alleen deze
constructies. Uit de jurisprudentie komt naar voren dat er voor het aannemen van een zakelijk
samenwerkingsverband sprake moet zijn van:
een zakelijke relatie;
die gericht is op samenwerking; en
een zeker duurzaam en structureel karakter heeft.
In de praktijk bestaat (de motivering van) een zakelijk samenwerkingsverband doorgaans uit
meerdere ‘elementen’. Zo kan het bestaan van een zakelijk samenwerkingsverband
aangenomen worden als er onder andere sprake is van een huurrelatie, het gezamenlijk
exploiteren van gokautomaten, financiële banden of gezamenlijke deelneming in
ondernemingen. Ook kan het bestaan van een familie- of huwelijksband in de beoordeling
meegewogen worden.
, Redelijkerwijs doet vermoeden
Er moet sprake zijn van een vermoeden. Dat kan gebaseerd zijn op informatie in open of
gesloten bronnen. Een strafrechtelijke veroordeling is niet vereist, maar er moeten wel
concrete aanwijzingen zijn dat iemand is betrokken bij het plegen van strafbare feiten. De
strafbare feiten moeten dus aannemelijk zijn.
ABRvS 20 juli 2011; LJN BJ 1892
Indien aannemelijk is dat een strafbaar feit heeft plaatsgevonden, betekent dit dat het zozeer
waarschijnlijk is dat dit feit heeft plaatsgevonden, dat dit daarom als vaststaand behoort te
worden aangenomen. Dit is bijvoorbeeld het geval indien een geparkeerde auto wordt
aangetroffen met daarin een partij harddrugs, ook al is er vooralsnog geen spoor van een
dader. Een vermoeden dat een feit heeft plaatsgevonden, houdt daarentegen slechts een
veronderstelling in, waarvan de houdbaarheid nader bewijs vergt. Dat een feit redelijkerwijs
kan worden vermoed te hebben plaatsgevonden, houdt in dat voor dit vermoeden een begin
van bewijs aanwezig is en dat het vermoeden aldus een objectieve grondslag heeft.
Bureau Bibob
Bureau Bibob is wettelijk adviseur in de zin van artikel 3:9 AwB. Dit bureau onderzoekt en
adviseert over het bestaan van het ‘gevaar’ aan het bestuursorgaan (art. 9 Bibob). Hiertoe
heeft het bureau toegang tot verschillende informatiebronnen, zoals openbare registers (12-14,
27 Bibob). Ook heeft het bureau een tip-functie aan het OM (art. 11 Bibob).
Taakverdeling bestuursorgaan versus bureau bibob
Het bestuursorgaan zelf is verantwoordelijk, maar kan een onderzoeksopdracht geven aan
bureau bibob. De onderzoeksplicht ligt bij het bestuursorgaan. Het bureau verzamelt en weegt
vervolgens de informatie af en dan brengen zij een advies uit aan het bestuursorgaan (art. 9
bibob). Het bestuursorgaan heeft geen inzicht in de oorspronkelijke bronnen. Het
bestuursorgaan mag zich in beginsel op het advies baseren, maar heeft wel een vergewisplicht
(3:9 AwB).
Vergewisplicht
•ABRvS 18 juli 2007 (LJN BA9799):
–is het advies en onderzoek op zorgvuldige wijze tot stand gekomen?
–kunnen de feiten in het advies de conclusies dragen?
•ABRvS 27 februari 2008 (LJN BC5265):
–bestuursorgaan heeft geen inzage in onderliggende bronnen dus mag op weergave en
kwalificatie LBB afgaan
–tenzij feiten te weinig, verschillende richtingen, onderling tegenstrijdig of niet stroken met
hetgeen overigens bekend is
Hoe wordt de vergewisplicht uitgevoerd?
Door het advies te bestuderen en een afschrift te geven aan betrokkene, gevolgd door een
eventuele reactie op de zienswijze. Eventueel kan een verzoek worden gedaan om nader
advies te vragen aan bureau bibob.