Samenvatting van:
Cognitieve Therapie;
De Basisvaardigheden
Cursusjaar 2012-2013
,Hoofdstuk 1: Cognitieve Therapie; een Inleiding
1.1. Opkomst cognitieve therapie
Jaren ’60: ontoereikende effecten psychoanalyse & tekortschieten gedragstherapeutische leermodel t.a.v.
complexe problematiek > opkomst van de cognitieve therapie [psychotherapie met als uitgangspunt de
veronderstelling dat psychopathologie ontstaat uit in stand gehouden wordt door de wijze waarop mensen
informatie selecteren, interpreteren en verder verwerken] > 2 belangrijkste therapievormen:
1) rationeel-emotieve therapie (RET) van Ellis [psychotherapie met als uitgangspunt de veronderstelling dat
psychopathologie het resultaat is van een beperkt aantal irrationele opvattingen welke voortkomen uit
opvoeding en maatschappelijke invloeden; de therapeut vervult een directieve rol en verwerpt actief de
irrationele opvattingen om zo de cliënt een meer rationele denkwijze aan te leren] > 4 irrationele opvattingen:
a) musturbation: „ik-moet-gedachten‟.
b) awfulizing: „verschrikkelijkingen‟.
c) I can’t stand it-it is: „ik-kan-er-niet-tegens‟.
d) self-damning: veroordeling van de zelf of anderen.
2) cognitieve therapie van Beck [psychotherapie met als uitgangspunt de veronderstelling dat psychopathologie
het resultaat is disfunctionele gedachten welke voortkomen uit systematische vertekeningen in de wijze waarop
informatie geselecteerd en verwerkt wordt tot betekenissen; de therapeut vervult een faciliterende rol en
verwerpt nooit actief de disfunctionele gedachten maar stelt ze door uitleg en vragen ter discussie om zo de
cliënt een meer functionele denkwijze aan te leren] > deze therapie is binnen het wetenschappelijk onderzoek &
de klinische praktijk het meest toegepast.
1.2. Plaatsbepaling
Cognitieve gedragstherapie [therapievormen waarin zowel gedragstherapeutische als cognitieve technieken
verwerkt zijn; elke situatie wordt cognitief verwerkt en vanuit deze verwerking wordt het gedrag of de emotie
bepaald] > zowel cognitieve therapie als gedragstherapie volgen de empirische cyclus, waarbij de behandeling
fasen van probleemstelling, observatie, theorievorming, predictie, toetsing en evaluatie doorloopt.
1.3. Cognitieve therapie en cognitieve psychologie
1) kenmerken cognitieve therapie:
a) cognities staan centraal.
b) probleemgericht.
c) kortdurend.
d) gestructureerd.
e) doelgericht.
f) actiegericht > zelfwerkzaamheid.
g) samenwerking.
h) wetenschappelijk.
i) educatief > zelfcontrole.
2) cognitieve psychologie [de kennis die mensen hebben, de manier waarop mensen kennis verwerven en de
wijze waarop kennis in het geheugen gerepresenteerd is] > de mens is daarbij een informatieverwerkend [de
verwerving (waarneming), de opslag (verwerking) en de reproductie (geheugen) van kennis, welke invloed
hebben op emoties, motieven, gedrag en fysiologische processen] systeem.
1.4. Schema’s, kernopvattingen en intermediaire opvattingen & 1.5.
Automatische gedachten
Cognitief model: cognitieve schema’s [relatief duurzame interne
structuren van opgeslagen informatie die het product zijn van
ervaringen en kennis die in de loop van de leergeschiedenis in het
geheugen worden opgeslagen en die kernovertuigingen bevatten ten
aanzien van onszelf, anderen en de wereld, welke de
-2-
, informatieverwerking sturen op het niveau van waarneming (selectieve
waarneming van schemacongruente informatie), verwerking
(schemacongruente interpretatie van informatie; schemacongruente
transformatie naar nieuwe betekenissen) en geheugen
(schemacongruente herinneringen; betekenis van herinneringen) en
richting geven aan het gedrag] > opvattingen [aspecten van een
schema die in woorden zijn te beschrijven] > kernopvattingen [het
eerste niveau waarop cognities kunnen worden beschreven; globale, rigide, onvoorwaardelijke en
overgegeneraliseerde fundamentele opvattingen over de zelf (bijv., „ik ben...‟), anderen (bijv., „anderen zijn...‟)
en de wereld die door de persoon vrijwil kritiekloos als absolute waarheden worden beschouwd] >
intermediaire/tussenliggende opvattingen [het tweede niveau waarop cognities kunnen worden beschreven;
wat minder fundamentele opvattingen over de zelf, anderen en de wereld die voorkomen in 3 vormen:
conditionele opvattingen [„als...dan‟-opvattingen], instrumentele opvattingen [regels en strategieën om
negatieve ervaringen te vermijden en positieve ervaringen te verkrijgen] en attittudes [uitspraken met een
evaluatief karakter, bijv., „het is verschrikkelijk om...‟]] > automatische gedachten [het derde niveau waarop
cognities kunnen worden beschreven; kenmerken van automatische gedachten zijn: iedereen heeft ze; ze kunnen
positief, neutraal of negatief zijn; ze zijn sterk beïnvloed door leerervaringen; ze zijn automatisch (snel, direct,
onbewust); ze zijn beknopt en specifiek; ze zijn niet het gevolg van zorgvuldige overdenking; ze kunnen meer of
minder waar zijn; ze worden „vanzelfsprekend‟ voor waar aangenomen] > de cognitieve therapie richt zich op
het beïnvloeden van actuele gedachtepatronen en gedrag door het opdoen van corrigerende ervaringen (bijv., het
uitdagen van de automatische gedachten) in het hier en nu.
-3-
Cognitieve Therapie;
De Basisvaardigheden
Cursusjaar 2012-2013
,Hoofdstuk 1: Cognitieve Therapie; een Inleiding
1.1. Opkomst cognitieve therapie
Jaren ’60: ontoereikende effecten psychoanalyse & tekortschieten gedragstherapeutische leermodel t.a.v.
complexe problematiek > opkomst van de cognitieve therapie [psychotherapie met als uitgangspunt de
veronderstelling dat psychopathologie ontstaat uit in stand gehouden wordt door de wijze waarop mensen
informatie selecteren, interpreteren en verder verwerken] > 2 belangrijkste therapievormen:
1) rationeel-emotieve therapie (RET) van Ellis [psychotherapie met als uitgangspunt de veronderstelling dat
psychopathologie het resultaat is van een beperkt aantal irrationele opvattingen welke voortkomen uit
opvoeding en maatschappelijke invloeden; de therapeut vervult een directieve rol en verwerpt actief de
irrationele opvattingen om zo de cliënt een meer rationele denkwijze aan te leren] > 4 irrationele opvattingen:
a) musturbation: „ik-moet-gedachten‟.
b) awfulizing: „verschrikkelijkingen‟.
c) I can’t stand it-it is: „ik-kan-er-niet-tegens‟.
d) self-damning: veroordeling van de zelf of anderen.
2) cognitieve therapie van Beck [psychotherapie met als uitgangspunt de veronderstelling dat psychopathologie
het resultaat is disfunctionele gedachten welke voortkomen uit systematische vertekeningen in de wijze waarop
informatie geselecteerd en verwerkt wordt tot betekenissen; de therapeut vervult een faciliterende rol en
verwerpt nooit actief de disfunctionele gedachten maar stelt ze door uitleg en vragen ter discussie om zo de
cliënt een meer functionele denkwijze aan te leren] > deze therapie is binnen het wetenschappelijk onderzoek &
de klinische praktijk het meest toegepast.
1.2. Plaatsbepaling
Cognitieve gedragstherapie [therapievormen waarin zowel gedragstherapeutische als cognitieve technieken
verwerkt zijn; elke situatie wordt cognitief verwerkt en vanuit deze verwerking wordt het gedrag of de emotie
bepaald] > zowel cognitieve therapie als gedragstherapie volgen de empirische cyclus, waarbij de behandeling
fasen van probleemstelling, observatie, theorievorming, predictie, toetsing en evaluatie doorloopt.
1.3. Cognitieve therapie en cognitieve psychologie
1) kenmerken cognitieve therapie:
a) cognities staan centraal.
b) probleemgericht.
c) kortdurend.
d) gestructureerd.
e) doelgericht.
f) actiegericht > zelfwerkzaamheid.
g) samenwerking.
h) wetenschappelijk.
i) educatief > zelfcontrole.
2) cognitieve psychologie [de kennis die mensen hebben, de manier waarop mensen kennis verwerven en de
wijze waarop kennis in het geheugen gerepresenteerd is] > de mens is daarbij een informatieverwerkend [de
verwerving (waarneming), de opslag (verwerking) en de reproductie (geheugen) van kennis, welke invloed
hebben op emoties, motieven, gedrag en fysiologische processen] systeem.
1.4. Schema’s, kernopvattingen en intermediaire opvattingen & 1.5.
Automatische gedachten
Cognitief model: cognitieve schema’s [relatief duurzame interne
structuren van opgeslagen informatie die het product zijn van
ervaringen en kennis die in de loop van de leergeschiedenis in het
geheugen worden opgeslagen en die kernovertuigingen bevatten ten
aanzien van onszelf, anderen en de wereld, welke de
-2-
, informatieverwerking sturen op het niveau van waarneming (selectieve
waarneming van schemacongruente informatie), verwerking
(schemacongruente interpretatie van informatie; schemacongruente
transformatie naar nieuwe betekenissen) en geheugen
(schemacongruente herinneringen; betekenis van herinneringen) en
richting geven aan het gedrag] > opvattingen [aspecten van een
schema die in woorden zijn te beschrijven] > kernopvattingen [het
eerste niveau waarop cognities kunnen worden beschreven; globale, rigide, onvoorwaardelijke en
overgegeneraliseerde fundamentele opvattingen over de zelf (bijv., „ik ben...‟), anderen (bijv., „anderen zijn...‟)
en de wereld die door de persoon vrijwil kritiekloos als absolute waarheden worden beschouwd] >
intermediaire/tussenliggende opvattingen [het tweede niveau waarop cognities kunnen worden beschreven;
wat minder fundamentele opvattingen over de zelf, anderen en de wereld die voorkomen in 3 vormen:
conditionele opvattingen [„als...dan‟-opvattingen], instrumentele opvattingen [regels en strategieën om
negatieve ervaringen te vermijden en positieve ervaringen te verkrijgen] en attittudes [uitspraken met een
evaluatief karakter, bijv., „het is verschrikkelijk om...‟]] > automatische gedachten [het derde niveau waarop
cognities kunnen worden beschreven; kenmerken van automatische gedachten zijn: iedereen heeft ze; ze kunnen
positief, neutraal of negatief zijn; ze zijn sterk beïnvloed door leerervaringen; ze zijn automatisch (snel, direct,
onbewust); ze zijn beknopt en specifiek; ze zijn niet het gevolg van zorgvuldige overdenking; ze kunnen meer of
minder waar zijn; ze worden „vanzelfsprekend‟ voor waar aangenomen] > de cognitieve therapie richt zich op
het beïnvloeden van actuele gedachtepatronen en gedrag door het opdoen van corrigerende ervaringen (bijv., het
uitdagen van de automatische gedachten) in het hier en nu.
-3-