Publiek- en privaatrechtelijke bevoegdheden
van het openbaar bestuur
De gemeenteraadsverkiezingen gebeurt gefixeerd, namelijk één keer in de vier jaar in de eerste week
van maart. De enige uitzondering waarbij er tussentijds gekozen kan worden is in geval van een
gemeentelijke herindeling. Op dit moment zijn er 403 gemeenten in Nederland.
Als je een eigen politieke partij wilt opzetten, dan moet je je registreren met een unieke naam.
Er zijn zaken die de centrale overheid regelt, maar ook zaken die decentrale overheden regelen:
Bij decentralisatie verspreid je bevoegdheden over verschillende overheidsverbanden. Hier
is geen sprake van hiërarchie maar wel met ambtelijk toezicht.
Bij deconcentratie heb je de spreiding van bevoegdheden. Ambtenaren hebben zelfstandig
de bevoegdheden om zaken te regelen maar zij zijn wel onderdeel van een lichaam. Hier is
dus wel sprake van hiërarchie en ambtelijk toezicht (denk aan de Belastingdienst).
Bevoegdheden worden aan decentrale overheden toegekend door middel van:
Autonomie: overgelaten zelfstandige bevoegdheid van provincie of gemeentebesturen tot
regeling en bestuur van eigen aangelegenheden. Dit zijn autonome bevoegdheden van
gemeentebesturen, bijvoorbeeld een Algemene Plaatselijke Verordening (art. 124 lid 1 Gw).
De lagere bestuurslaag regelt dus zogezegd de eigen huishouding. Daarbij moeten zij wel
bepaalde regels in acht nemen.
Medebewind: de hogere regelgever verlangt dat je meewerkt zijn beleidsdoelstellingen te
realiseren. Zij kunnen dus verlangen dat gemeenten bepaalde regels stellen (art. 124 lid 2
Gw).
Art. 124 lid 1 Gw: ‘voor provincies en gemeenten wordt de bevoegdheid tot regeling en bestuur
inzake hun huishouding aan hun besturen overgelaten’. De bevoegdheden waren er altijd al, maar
die worden ‘overgelaten’ aan decentrale overheden. Als je voor de keuze staat om een taak centraal
of decentraal uit te voeren, dan moet je overwegen dat decentraal voor gaat. Als je de keuze heb om
het decentraal te laten uitvoeren, dan moet je dat ook laten doen. Dit zorgt ervoor dat de decentrale
overheden maatwerk kunnen verrichten dicht bij de burger (denk aan voorbeeld van rijbewijs halen
in Marseille).
Er bestaan grenzen met betrekking tot autonome verordenende bevoegdheden:
Je mag niet in strijd handelen met een hogere regeling.
Je mag niet in strijd handelen met de privésfeer van de burger. De huishouding houdt op
buiten de privésfeer van de burger. De openbare ruimte houdt op bij jou voordeur of het
moet een uitstraling hebben alsof het een openbare ruimte is (lawaai, stank etc.).
Als het gaat om hetzelfde onderwerp en hetzelfde motief en de hogere regeling komt later tot stand,
dan vervallen alle lagere regelingen (art. 119 Pw en art. 11 Gemw). Daarentegen is aanvulling
mogelijk, mits de hogere regeling niet wordt doorkruist en de hogere regeling niet uitputtend is
bedoeld (art. 118 Pw en art. 121 Gemw) (denk aan voorbeeld met het aanlijnen van een hond)
In het arrest van Circus Renz ging het erom dat de gemeente Groningen de regeling wilde aanvullen
met betrekking tot het welzijn en de leefomstandigheden van de dieren. De nationale regeling was
uitputtend bedoeld dus de rechtbank oordeelde dat de gemeente niet bevoegd was om de regeling
aan te vullen.
, Over decentraal overheidsbestuur wordt op twee manieren toezicht gehouden:
Preventief toezicht: er is goedkeuring of machtiging vereist (vooraf toezicht).
Repressief toezicht: er is spontane schorsing en vernietiging. Dit gebeurt in geval van in strijd
met het recht of het algemeen belang (achteraf toezicht).
Icesave-arrest: 120.000 Nederlanders hadden daar een spaarrekening, maar de bank ging failliet.
Spaarders tot €100.000 werden schadeloos gesteld en de overheid verrekende dat met Ijsland. Maar
gemeenten die daar een spaarrekeningen hadden, werden daar niet mee geholpen want zij hadden
daar veel meer geld staan. De regering treft twee vernietigingsbesluiten:
Executoriale titel op het faillissement
Burgers en gemeenten die zelfstandig hun geld willen terugkrijgen worden geschorst.
De Raad van State oordeelde dat de bevoegdheid tot spontane vernietiging is een laatste redmiddel
en de regering heeft er geen blijk van gegeven dat dit van algemeen belang was. Het
vernietigingsbesluit kon daarmee niet in stand blijven.
Er bestaan twee vormen van taakverwaarlozing:
Grote taakverwaarlozing: als je niets doet aan het bestuur in je gemeente, dan kan er
worden ingegrepen. Dan kan het bestuur van die gemeente worden overgenomen.
Kleine taakverwaarlozing: een hoger bestuursorgaan gaat doen wat jij hebt nagelaten.
Attributie: creëren van een nieuwe bevoegdheid
Delegatie: doorgeven van een bestaande bevoegdheid
Mandaat: het door iemand anders laten uitvoeren in zijn naam
Als er gedelegeerd wordt, dan is diegene de bevoegdheid kwijt. Je doorkruist de bedoeling/het beleid
van de wetgever en hij wil er daarom wel iets over te zeggen hebben aan wie dat gedelegeerd wordt
(wettelijke grondslag).
Bij mandaat blijf jij zelf verantwoordelijk en jij kan dus alsnog de bevoegdheid uitoefenen. Je mag aan
ondergeschikten mandateren, niet delegeren! Mandaat is een private bevoegdheid, wat inhoudt dat
je een bevoegdheid doorgeeft en de verantwoordelijkheid bij jezelf blijft.
Let op het onderscheid tussen regelgevende bevoegdheid en beschikkingsbevoegdheid.
Regelgevende bevoegdheid geldt tot iedereen (onbepaald) en beschikkingsbevoegdheid, ook wel
bestuursbevoegdheid genoemd, geldt tot een bepaald persoon (bepaald). Wat betreft delegatie gaat
het altijd om een regelgevende bevoegdheid.
Bij een A-orgaan is het de vraag bij wie het orgaan hoort en bij een B-orgaan is het de vraag wat het
orgaan doet. Een B-orgaan is alleen B-orgaan als hij die bepaalde bevoegdheid uitvoert. Je kunt nooit
A- en B-orgaan tegelijk zijn.
‘…die krachtens publiekrecht is ingesteld’. Het gaat er dus om hoe zij zijn opgericht. De
publiekrechtelijke rechtspersonen staan opgesomd in art. 2.1 lid 1 BW, zoals provincies en
gemeenten. Dit staat in het Burgerlijk Wetboek, omdat zij dit erkennen. De staat had bijvoorbeeld al
rechtspersoonlijkheid vóór dat artikel werd opgericht. Om te bepalen of iets een A-orgaan of een B-
orgaan is, moet je kijken naar de instellingswet: hoe is de organisatie opgericht? Dit staat meestal in
een wettelijke grondslag.