e
Samenvatting inleiding constitutioneel recht - P.P.T. Bovend’Eert - 6 druk
Hoofdstuk 1 algemene inleiding
1.1 staat, staatsrecht en functies van het staatsrecht
De staat is een rechtssubject, dus drager van rechten en plichten. Drie elementen als belangrijkste voorwaarden voor het
bestaan van een staat:
1. een grondgebied
2. een bevolking
3. er is sprake van uitoefening van gezag of macht
De staat is een complex van overheidsorganisaties, een zogeheten ambtenorganisatie, die gezag of macht uitoefent over
een gemeenschap van mensen op het grondgebied van de staat. Kenmerkend voor de gezagsuitoefening van de staat is dat
deze alomvattend is en er is een geweldsmonopolie. Het is van belang dat het een ambtenorganisatie is, omdat dan de
macht bij een ambt ligt en niet bij een persoon.
Het staatsrecht omvat het positieve recht inzake de inrichting van de overheidsorganisatie en haar machtsuitoefening. Het
staatsrecht regelt de instelling van overheidsambten, de inrichting van de overheidsorganisatie en de verdeling van
bevoegdheden tussen de ambten. Het bestuursrecht geeft vooral regels inzake de wijze van uitoefening van bevoegdheden.
Drie functies van het staatsrecht. Zie hier als voorbeeld art. 45 GW:
1. de constituerende of instellingsfunctie. Overheidsambten worden ingesteld. Lid 2.
2. de attribuerende of bevoegdheidsverlenende functie. Aan deze ambten worden bevoegdheden toegekend. Lid 3.
3. de regulerende of matigende functie. Hun onderlinge verhoudingen worden geregeld door grenzen en
beperkingen op te leggen. Lid 2.
Het staatsrecht heeft dus vooral als doel een geordende overheidsorganisatie tot stand te brengen en de verhoudingen met
haar burgers te regelen. Soms is er ook nog sprake van een legitimerende functie. Hierbij gaat het om de vraag hoe een
overheidsorganisatie door de burger aanvaard wordt, hoe zij instemming en rechtvaardiging krijgt. Dit is vooral door de
wijze waarop de personen binnen de overheid hun taak vervullen en dus niet door het staatsrecht. Rechtszekerheid en
continuïteit zijn in dit verband belangrijke waarden.
Constitutioneel recht is hetzelfde als staatsrecht. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen formeel en materieel
constitutioneel recht. Formeel heeft betrekking op wat in Nederland de Grondwet wordt genoemd. Hierin staan de
belangrijkste grondrechten, het zijn slechts enkele basisregels. In andere wetten zijn ook voorschriften opgenomen over de
inrichting, samenstelling en bevoegdheden van overheidsambten. Samen met de Grondwet vormen deze wetten een
regeling van het materiële constitutionele recht.
Nederland is een monarchie, art. 24 GW. De koning maakt deel uit van de regering, art. 42 GW. Voor de samenstelling van
het parlement geldt het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging en niet een meerderheidsstelsel in districten, art. 53
GW. De minister-president is geen regeringsleider maar slechts voorzitter van de ministerraad. De ministers zijn geen lid
van de Staten-Generaal, zij zijn wel verantwoording schuldig (art. 42 en 68). De rechter mag formele wetten niet toetsen
aan de grondwet.
1.2 machtenscheiding
De trias politica van Montesquieu. Er zijn drie typen overheidsfuncties:
1. de wetgevende macht in de zin van het stellen van algemene regels
2. de uitvoerende macht in de zin van het handhaven en uitvoeren van wetgeving
3. de rechterlijke macht in de zin van de berechting van geschillen en van strafbare feiten.
Deze moeten aan verschillende instellingen worden opgedragen op absolute overheidsmacht te voorkomen. Het waarborgt
de vrijheid van burgers, door overheidsmacht te verdelen en machtsconcentratie tegen te gaan. In de GW aangeduid als
wetgeving, bestuur en rechtspraak. Toegekend aan de Staten-Generaal, de regering en de rechterlijke macht. De
machtenscheiding is ook terug te zien in de grondwettelijke regeling van onverenigbare functies (incompatibiliteiten).
Tweede kenmerk van het beginsel van machtenscheiding is dat er een absolute scheiding ontbreekt. Er zijn checks and
balances. Er zijn gedeelde bevoegdheden wat betreft wetgeving en bestuur. Hierdoor kunnen staatsorganen elkaar over en
weer kunnen controleren. Ten derde zijn er nog meer controle mechanismen: de ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42
en 68 GW), de ongeschreven vertrouwensregel.
Het parlementaire stelsel eist dat ministers hun ontslag aanbieden als een kamer hun beleid afkeurt.
1.3 de democratische rechtsstaat
Vier elementen van de rechtsstaat:
1. het legaliteitsbeginsel. Elk overheidsoptreden moet berusten op een voorafgaande algemene regeling. Dus het
zorgt voor rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Democratie principe: door te verlangen dat een
, volksvertegenwoordiging bij de vaststelling van de grondwet bepaalt of en op welke grond de overheid jegens
burgers mag handelen en besluiten, wordt de democratische rechtsstaat gevestigd. In Nederland is het
legaliteitsprincipe niet verankerd in de wet. De rechtspraak heeft wel uitdrukking gegeven aan het
legaliteitsbeginsel.
2. de machtenscheiding
3. onafhankelijke rechtspraak
4. grondrechten
In een sociale rechtstaat moet de overheid zich niet alleen onthouden van ingrepen in de vrijheden van burgers. Zij heeft
ook de verplichting om een sociale, culturele en economische infrastructuur in het leven te roepen en deze in stand te
houden voor de burgers.
1.4 constitutionele geschiedenis
De eerste Grondwet dateert van 1814. Er is sinds 1814 veel verandert. Zoals de ontwikkeling van de constitutionele
monarchie en de representatieve democratie met een parlementair stelsel. Een constitutionele monarchie veronderstelt de
aanwezigheid van een koningschap, waarbij de constitutie bevoegdheden verdeelt over de Koning en andere
overheidsinstellingen. De bevoegdheden van de koning worden door de constitutie beperkt en geregeld. In een
representatieve democratie met een parlementair stelsel oefent een volksvertegenwoordiging overheidsbevoegdheden uit,
met name de wetgevende macht.
Het Verdrag van Wenen bracht vereniging van Nederland en België. Vanaf 1840 kwam er het principe van contraseign. Hier
was dus een constitutionele koning, een koning met een of meer ministers. De koning verloor hiermee zijn overheersende
positie binnen de regering. Hierdoor werd ook de minister verantwoordelijk. In 1848 werd de ministeriële
verantwoordelijkheid in de Grondwet verankerd. (art. 42)
Het jaartal 1917 geldt als het eindpunt van de ontwikkeling van de centrale overheidsinstellingen tot een representatieve
democratie met een parlementair stelsel.
Zie voor de rest blz. 6 en 7 samenvatting van de JFV.
1.5 De staatsvorm: eenheidsstaat, federale staat en statenbond.
Het begrip regeringsvorm heeft betrekking op de verhouding tussen de verschillende ambten binnen één
overheidsverband.
Het begrip staatsvorm heeft betrekking op de verhouding tussen het geheel van staat als overheidsorganisatie en de
samenstellende delen ervan. Een staat heeft meestal meerdere overheidsverbanden, namelijk nationaal, regionaal en
lokaal.
Bij de staatsvorm staat de wijze van verdeling van bevoegdheden voorop tussen het centrale overheidsverband en de
andere overheidverbanden in de staat. Er is sprake van een verticale machtenscheiding. De horizontale scheiding ziet toe
op de verdeling van bevoegdheden binnen een overheidsverband.
Eenheidsstaat. Hierbij is het unitarisme van toepassing, de nadruk ligt op de eenheid van de staat en op het belang van een
centraal gezag in de staat. Nederland is een eenheidsstaat. Tegenwoordig wordt er van een gedecentraliseerde
eenheidsstaat gesproken omdat de macht wordt verdeeld over meerdere overheidsverbanden (gemeentes en provincies).
De Grondwet stelt deze decentrale overheidsverbanden in en maakt hen bevoegd tot regelgeving en bestuur. Zij hebben
geen exclusieve bevoegdheden, de centrale overheid heeft de vrijheid om bevoegdheden van lagere overheden in te
perken of toe te eigenen.
Federale staat of bondsstaat. Legt de nadruk op de verdeling van de staat in zelfstandige deelgebieden, die samenwerken in
een groter overheidsverband. Zoals de VS en Duitsland. Deelstaten hebben elk een eigen grondwet, waarin de
overheidsorganisatie van de deelstaat is verankerd. Er is ook een overkoepelende grondwet, ook wel de federale grondwet
genoemd. Er geldt in een federale staat het uitgangspunt van een toekenning van exclusieve bevoegdheden aan de federale
overheid en de deelstaten.
Statenbond of confederatie. Dit is een samenwerkingsverband van staten, echter geen staatsrechtelijke verbinding van
deelstaten op basis van een grondwet. De staten werken op basis van een verdrag samen en dragen een of meer taken op
aan een gezamenlijk orgaan. Het is dus geen staatsvorm maar een verdragsconstructie. Het koninkrijk der Nederlanden is
geen federale staat. EU is ook geen federale staat.
Hoofdstuk 2 rechtsbronnen van constitutioneel recht
2.1 Formele en materiële constitutie
De constitutie is te zien als de algemene benaming van het samenstel van rechtsregels die de grondslagen vormen van de
inrichting van de staatsorganisatie en de verhouding tussen de staatsorganisatie en de burgers betreffen.
Formele constitutie wordt gekenmerkt door formele (uitwendige) kenmerken.
- Er moest sprake zijn van een geschreven regeling die is vastgesteld in een wet.
- Er is een bijzondere wijze van totstandkoming en herziening.
- De bijzondere benaming (Grondwet)
, - Bijzondere positie ten opzichte van gewone wetten en regelingen
Materiële constitutie is het geheel van geschreven en ongeschreven rechtsregels die op grond van hun inhoud kunnen
worden aangemerkt als normen die de grondslagen van de inrichting van de staatsorganisatie en de verhouding met de
burgers vastleggen (fundamentele of structuur normen). Het constitutionele recht heeft 3 functies:
1. constitueren
2. attribueren
3. reguleren.
Dus het gaat nu om het geheel van rechtsregels die één van deze functies vervullen.
2.2 De grondwet
De grondwet is de constitutie in formele zin. De Nederlandse Grondwet is vergeleken met andere constituties niet sterk
ideologisch getint, de Grondwet verwoordt geen hogere beginselen die aan de vaststelling ervan ten grondslag liggen. Een
tweede kenmerk van de Grondwet is dat zij een open rechtssysteem biedt. Zonder wijzigen van de Grondwet kunnen
politieke en maatschappelijke omstandigheden veranderen. Een derde kenmerk is dat de Grondwet niet voorzien in één
centrale instantie die met de uiteindelijke uitleg en handhaving van de Grondwet is belast. Een wet mag niet getoetst
worden aan de Grondwet. Regering en Staten-Generaal moeten zelf bij het maken van wetten de Grondwet in acht nemen.
Alleen wanneer de grondwet niet te veel wilde regelen, kon zij een factor van stabiliteit vormen. De grondwet heeft een
normatief karakter.
De grondwet kent een verzwaarde herzieningsprocedure. De Grondwet ken een plebiscitair element, het volk moet
geraadpleegd worden. De Tweede kamer wordt ontbonden na de eerste lezingswet.
2.3 organieke wetten en regelingen
De andere elementen van de constitutie in materiële zin worden organieke wetten genoemd. Dus niet alleen de wetten
waarvoor de grondwet opdracht geeft om deze te maken. Dus de grondwettelijke grondslag is niet bepalend. Beslissend is
of deze wetten en regelingen de functies van het constitutionele recht vervullen.
2.4 ongeschreven recht in de rechtspraak
Rechtspraak is de derde belangrijke rechtsbron van het constitutionele recht. Meerenbergarrest. De rechter greep in in de
verdeling van bevoegdheden in de verhouding tussen regering en parlement. De Koning werd de bevoegdheid ontzegd om
zelfstandig bij AmvB wettelijke regelingen vast te stellen. Er is voor de koning een grondslag in de wet nodig voor zijn
regelgevende bevoegdheid.
Fluorideringsarrest. De Hoge Raad oordeelde dat in ieder geval ingrijpende maatregelen van de overheid, zoals het feitelijk
toedienen van fluor aan drinkwater, slechts aanvaardbaar zijn, als zij berusten op een expliciete wettelijke grondslag.
In Nederland ontbreekt een uitdrukkelijke grondwettelijke grondslag voor de rechter om geschillen tussen politieke ambten
onderling te beslechten. Hij treedt daarom terughoudend op om niet boven de wetgever en regering te komen staan.
Arrest Arubaanse verkiezingsafspraak. Voor de leden van het parlement geldt een vrij mandaat, zij kunnen niet door hun
politieke partij gedwongen worden hun zetel tussentijds op te zeggen. Er was hier dus sprake van een
rechtmatigheidtoetsing.
Waterpaktarrest. De rechter mag de Staat geen bevel tot wetgeving maken, ook al is gebleken dat de Staat hiertoe verplicht
is op grond van Europees recht.
2.5 ongeschreven recht voor regering en parlement
Er zit een verschil tussen praktijken en rechtsregels. Een praktijk is niet meer dan een bestendig gebruik, waarvan men in
principe altijd mag afwijken. Een rechtsregel daarentegen verplicht tot nakoming. De regel is bindend, een praktijk niet.
Legisme: het recht is slechts te vinden in de wet. In Groot Brittannië berusten de belangrijkste elementen van het
parlementaire stelsel niet op een grondwet of wet, maar op ongeschreven regels. De zogenaamde conventions. In
Nederland zijn er twee belangrijke ongeschreven rechtsregels:
1. De vertrouwensregel. Een minister die het vertrouwen van een van beide Kamer verliest, moet zijn ontslag
aanbieden, tenzij de regering tot ontbinding van de Kamer besluit.
2. De convention van 1868. De regering mag de Tweede Kamer slechts één keer ontbinden ter zake van dezelfde
aangelegenheid.
Eisen voor ongeschreven rechtsregels:
- ze moeten berusten op een gewoonte of precedent
- en moet sprake zijn van een rechtsovertuiging bij de betrokken overheidsinstelling(en) omtrent het bestaan van
de rechtsregel.
- de regel moet van wezenlijke betekenis zijn voor het functioneren van de staatsinstellingen.
2.6 Internationaal en Europees recht
De belangrijkste verdragen voor het Nederlandse constitutionele recht zijn het EVRM en de IVBPR. Het EVRM is voor drie
redenen van belang:
- Er is een groot aantal klassieke grondrechten in opgenomen die als een ieder verbindend volgens art. 93 en 94
GW worden beschouwd. Dus hij kan beroep doen op deze grondrechten.
Samenvatting inleiding constitutioneel recht - P.P.T. Bovend’Eert - 6 druk
Hoofdstuk 1 algemene inleiding
1.1 staat, staatsrecht en functies van het staatsrecht
De staat is een rechtssubject, dus drager van rechten en plichten. Drie elementen als belangrijkste voorwaarden voor het
bestaan van een staat:
1. een grondgebied
2. een bevolking
3. er is sprake van uitoefening van gezag of macht
De staat is een complex van overheidsorganisaties, een zogeheten ambtenorganisatie, die gezag of macht uitoefent over
een gemeenschap van mensen op het grondgebied van de staat. Kenmerkend voor de gezagsuitoefening van de staat is dat
deze alomvattend is en er is een geweldsmonopolie. Het is van belang dat het een ambtenorganisatie is, omdat dan de
macht bij een ambt ligt en niet bij een persoon.
Het staatsrecht omvat het positieve recht inzake de inrichting van de overheidsorganisatie en haar machtsuitoefening. Het
staatsrecht regelt de instelling van overheidsambten, de inrichting van de overheidsorganisatie en de verdeling van
bevoegdheden tussen de ambten. Het bestuursrecht geeft vooral regels inzake de wijze van uitoefening van bevoegdheden.
Drie functies van het staatsrecht. Zie hier als voorbeeld art. 45 GW:
1. de constituerende of instellingsfunctie. Overheidsambten worden ingesteld. Lid 2.
2. de attribuerende of bevoegdheidsverlenende functie. Aan deze ambten worden bevoegdheden toegekend. Lid 3.
3. de regulerende of matigende functie. Hun onderlinge verhoudingen worden geregeld door grenzen en
beperkingen op te leggen. Lid 2.
Het staatsrecht heeft dus vooral als doel een geordende overheidsorganisatie tot stand te brengen en de verhoudingen met
haar burgers te regelen. Soms is er ook nog sprake van een legitimerende functie. Hierbij gaat het om de vraag hoe een
overheidsorganisatie door de burger aanvaard wordt, hoe zij instemming en rechtvaardiging krijgt. Dit is vooral door de
wijze waarop de personen binnen de overheid hun taak vervullen en dus niet door het staatsrecht. Rechtszekerheid en
continuïteit zijn in dit verband belangrijke waarden.
Constitutioneel recht is hetzelfde als staatsrecht. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen formeel en materieel
constitutioneel recht. Formeel heeft betrekking op wat in Nederland de Grondwet wordt genoemd. Hierin staan de
belangrijkste grondrechten, het zijn slechts enkele basisregels. In andere wetten zijn ook voorschriften opgenomen over de
inrichting, samenstelling en bevoegdheden van overheidsambten. Samen met de Grondwet vormen deze wetten een
regeling van het materiële constitutionele recht.
Nederland is een monarchie, art. 24 GW. De koning maakt deel uit van de regering, art. 42 GW. Voor de samenstelling van
het parlement geldt het kiesstelsel van evenredige vertegenwoordiging en niet een meerderheidsstelsel in districten, art. 53
GW. De minister-president is geen regeringsleider maar slechts voorzitter van de ministerraad. De ministers zijn geen lid
van de Staten-Generaal, zij zijn wel verantwoording schuldig (art. 42 en 68). De rechter mag formele wetten niet toetsen
aan de grondwet.
1.2 machtenscheiding
De trias politica van Montesquieu. Er zijn drie typen overheidsfuncties:
1. de wetgevende macht in de zin van het stellen van algemene regels
2. de uitvoerende macht in de zin van het handhaven en uitvoeren van wetgeving
3. de rechterlijke macht in de zin van de berechting van geschillen en van strafbare feiten.
Deze moeten aan verschillende instellingen worden opgedragen op absolute overheidsmacht te voorkomen. Het waarborgt
de vrijheid van burgers, door overheidsmacht te verdelen en machtsconcentratie tegen te gaan. In de GW aangeduid als
wetgeving, bestuur en rechtspraak. Toegekend aan de Staten-Generaal, de regering en de rechterlijke macht. De
machtenscheiding is ook terug te zien in de grondwettelijke regeling van onverenigbare functies (incompatibiliteiten).
Tweede kenmerk van het beginsel van machtenscheiding is dat er een absolute scheiding ontbreekt. Er zijn checks and
balances. Er zijn gedeelde bevoegdheden wat betreft wetgeving en bestuur. Hierdoor kunnen staatsorganen elkaar over en
weer kunnen controleren. Ten derde zijn er nog meer controle mechanismen: de ministeriële verantwoordelijkheid (art. 42
en 68 GW), de ongeschreven vertrouwensregel.
Het parlementaire stelsel eist dat ministers hun ontslag aanbieden als een kamer hun beleid afkeurt.
1.3 de democratische rechtsstaat
Vier elementen van de rechtsstaat:
1. het legaliteitsbeginsel. Elk overheidsoptreden moet berusten op een voorafgaande algemene regeling. Dus het
zorgt voor rechtszekerheid en rechtsgelijkheid. Democratie principe: door te verlangen dat een
, volksvertegenwoordiging bij de vaststelling van de grondwet bepaalt of en op welke grond de overheid jegens
burgers mag handelen en besluiten, wordt de democratische rechtsstaat gevestigd. In Nederland is het
legaliteitsprincipe niet verankerd in de wet. De rechtspraak heeft wel uitdrukking gegeven aan het
legaliteitsbeginsel.
2. de machtenscheiding
3. onafhankelijke rechtspraak
4. grondrechten
In een sociale rechtstaat moet de overheid zich niet alleen onthouden van ingrepen in de vrijheden van burgers. Zij heeft
ook de verplichting om een sociale, culturele en economische infrastructuur in het leven te roepen en deze in stand te
houden voor de burgers.
1.4 constitutionele geschiedenis
De eerste Grondwet dateert van 1814. Er is sinds 1814 veel verandert. Zoals de ontwikkeling van de constitutionele
monarchie en de representatieve democratie met een parlementair stelsel. Een constitutionele monarchie veronderstelt de
aanwezigheid van een koningschap, waarbij de constitutie bevoegdheden verdeelt over de Koning en andere
overheidsinstellingen. De bevoegdheden van de koning worden door de constitutie beperkt en geregeld. In een
representatieve democratie met een parlementair stelsel oefent een volksvertegenwoordiging overheidsbevoegdheden uit,
met name de wetgevende macht.
Het Verdrag van Wenen bracht vereniging van Nederland en België. Vanaf 1840 kwam er het principe van contraseign. Hier
was dus een constitutionele koning, een koning met een of meer ministers. De koning verloor hiermee zijn overheersende
positie binnen de regering. Hierdoor werd ook de minister verantwoordelijk. In 1848 werd de ministeriële
verantwoordelijkheid in de Grondwet verankerd. (art. 42)
Het jaartal 1917 geldt als het eindpunt van de ontwikkeling van de centrale overheidsinstellingen tot een representatieve
democratie met een parlementair stelsel.
Zie voor de rest blz. 6 en 7 samenvatting van de JFV.
1.5 De staatsvorm: eenheidsstaat, federale staat en statenbond.
Het begrip regeringsvorm heeft betrekking op de verhouding tussen de verschillende ambten binnen één
overheidsverband.
Het begrip staatsvorm heeft betrekking op de verhouding tussen het geheel van staat als overheidsorganisatie en de
samenstellende delen ervan. Een staat heeft meestal meerdere overheidsverbanden, namelijk nationaal, regionaal en
lokaal.
Bij de staatsvorm staat de wijze van verdeling van bevoegdheden voorop tussen het centrale overheidsverband en de
andere overheidverbanden in de staat. Er is sprake van een verticale machtenscheiding. De horizontale scheiding ziet toe
op de verdeling van bevoegdheden binnen een overheidsverband.
Eenheidsstaat. Hierbij is het unitarisme van toepassing, de nadruk ligt op de eenheid van de staat en op het belang van een
centraal gezag in de staat. Nederland is een eenheidsstaat. Tegenwoordig wordt er van een gedecentraliseerde
eenheidsstaat gesproken omdat de macht wordt verdeeld over meerdere overheidsverbanden (gemeentes en provincies).
De Grondwet stelt deze decentrale overheidsverbanden in en maakt hen bevoegd tot regelgeving en bestuur. Zij hebben
geen exclusieve bevoegdheden, de centrale overheid heeft de vrijheid om bevoegdheden van lagere overheden in te
perken of toe te eigenen.
Federale staat of bondsstaat. Legt de nadruk op de verdeling van de staat in zelfstandige deelgebieden, die samenwerken in
een groter overheidsverband. Zoals de VS en Duitsland. Deelstaten hebben elk een eigen grondwet, waarin de
overheidsorganisatie van de deelstaat is verankerd. Er is ook een overkoepelende grondwet, ook wel de federale grondwet
genoemd. Er geldt in een federale staat het uitgangspunt van een toekenning van exclusieve bevoegdheden aan de federale
overheid en de deelstaten.
Statenbond of confederatie. Dit is een samenwerkingsverband van staten, echter geen staatsrechtelijke verbinding van
deelstaten op basis van een grondwet. De staten werken op basis van een verdrag samen en dragen een of meer taken op
aan een gezamenlijk orgaan. Het is dus geen staatsvorm maar een verdragsconstructie. Het koninkrijk der Nederlanden is
geen federale staat. EU is ook geen federale staat.
Hoofdstuk 2 rechtsbronnen van constitutioneel recht
2.1 Formele en materiële constitutie
De constitutie is te zien als de algemene benaming van het samenstel van rechtsregels die de grondslagen vormen van de
inrichting van de staatsorganisatie en de verhouding tussen de staatsorganisatie en de burgers betreffen.
Formele constitutie wordt gekenmerkt door formele (uitwendige) kenmerken.
- Er moest sprake zijn van een geschreven regeling die is vastgesteld in een wet.
- Er is een bijzondere wijze van totstandkoming en herziening.
- De bijzondere benaming (Grondwet)
, - Bijzondere positie ten opzichte van gewone wetten en regelingen
Materiële constitutie is het geheel van geschreven en ongeschreven rechtsregels die op grond van hun inhoud kunnen
worden aangemerkt als normen die de grondslagen van de inrichting van de staatsorganisatie en de verhouding met de
burgers vastleggen (fundamentele of structuur normen). Het constitutionele recht heeft 3 functies:
1. constitueren
2. attribueren
3. reguleren.
Dus het gaat nu om het geheel van rechtsregels die één van deze functies vervullen.
2.2 De grondwet
De grondwet is de constitutie in formele zin. De Nederlandse Grondwet is vergeleken met andere constituties niet sterk
ideologisch getint, de Grondwet verwoordt geen hogere beginselen die aan de vaststelling ervan ten grondslag liggen. Een
tweede kenmerk van de Grondwet is dat zij een open rechtssysteem biedt. Zonder wijzigen van de Grondwet kunnen
politieke en maatschappelijke omstandigheden veranderen. Een derde kenmerk is dat de Grondwet niet voorzien in één
centrale instantie die met de uiteindelijke uitleg en handhaving van de Grondwet is belast. Een wet mag niet getoetst
worden aan de Grondwet. Regering en Staten-Generaal moeten zelf bij het maken van wetten de Grondwet in acht nemen.
Alleen wanneer de grondwet niet te veel wilde regelen, kon zij een factor van stabiliteit vormen. De grondwet heeft een
normatief karakter.
De grondwet kent een verzwaarde herzieningsprocedure. De Grondwet ken een plebiscitair element, het volk moet
geraadpleegd worden. De Tweede kamer wordt ontbonden na de eerste lezingswet.
2.3 organieke wetten en regelingen
De andere elementen van de constitutie in materiële zin worden organieke wetten genoemd. Dus niet alleen de wetten
waarvoor de grondwet opdracht geeft om deze te maken. Dus de grondwettelijke grondslag is niet bepalend. Beslissend is
of deze wetten en regelingen de functies van het constitutionele recht vervullen.
2.4 ongeschreven recht in de rechtspraak
Rechtspraak is de derde belangrijke rechtsbron van het constitutionele recht. Meerenbergarrest. De rechter greep in in de
verdeling van bevoegdheden in de verhouding tussen regering en parlement. De Koning werd de bevoegdheid ontzegd om
zelfstandig bij AmvB wettelijke regelingen vast te stellen. Er is voor de koning een grondslag in de wet nodig voor zijn
regelgevende bevoegdheid.
Fluorideringsarrest. De Hoge Raad oordeelde dat in ieder geval ingrijpende maatregelen van de overheid, zoals het feitelijk
toedienen van fluor aan drinkwater, slechts aanvaardbaar zijn, als zij berusten op een expliciete wettelijke grondslag.
In Nederland ontbreekt een uitdrukkelijke grondwettelijke grondslag voor de rechter om geschillen tussen politieke ambten
onderling te beslechten. Hij treedt daarom terughoudend op om niet boven de wetgever en regering te komen staan.
Arrest Arubaanse verkiezingsafspraak. Voor de leden van het parlement geldt een vrij mandaat, zij kunnen niet door hun
politieke partij gedwongen worden hun zetel tussentijds op te zeggen. Er was hier dus sprake van een
rechtmatigheidtoetsing.
Waterpaktarrest. De rechter mag de Staat geen bevel tot wetgeving maken, ook al is gebleken dat de Staat hiertoe verplicht
is op grond van Europees recht.
2.5 ongeschreven recht voor regering en parlement
Er zit een verschil tussen praktijken en rechtsregels. Een praktijk is niet meer dan een bestendig gebruik, waarvan men in
principe altijd mag afwijken. Een rechtsregel daarentegen verplicht tot nakoming. De regel is bindend, een praktijk niet.
Legisme: het recht is slechts te vinden in de wet. In Groot Brittannië berusten de belangrijkste elementen van het
parlementaire stelsel niet op een grondwet of wet, maar op ongeschreven regels. De zogenaamde conventions. In
Nederland zijn er twee belangrijke ongeschreven rechtsregels:
1. De vertrouwensregel. Een minister die het vertrouwen van een van beide Kamer verliest, moet zijn ontslag
aanbieden, tenzij de regering tot ontbinding van de Kamer besluit.
2. De convention van 1868. De regering mag de Tweede Kamer slechts één keer ontbinden ter zake van dezelfde
aangelegenheid.
Eisen voor ongeschreven rechtsregels:
- ze moeten berusten op een gewoonte of precedent
- en moet sprake zijn van een rechtsovertuiging bij de betrokken overheidsinstelling(en) omtrent het bestaan van
de rechtsregel.
- de regel moet van wezenlijke betekenis zijn voor het functioneren van de staatsinstellingen.
2.6 Internationaal en Europees recht
De belangrijkste verdragen voor het Nederlandse constitutionele recht zijn het EVRM en de IVBPR. Het EVRM is voor drie
redenen van belang:
- Er is een groot aantal klassieke grondrechten in opgenomen die als een ieder verbindend volgens art. 93 en 94
GW worden beschouwd. Dus hij kan beroep doen op deze grondrechten.