Samenvatting
Hoofdstuk 2 De Aarde
De aarde in het zonnestelsel.
7 continenten: Europa, Azië, Australië, Noord Amerika, Zuid-Amerika, Afrika, Antartica.
2 enorme oceanen: Stille/grote oceaan, Atlantische oceaan.
Vanuit de ruimte ziet de aarde eruit als een blauwe planeet.
Zonnestelsel draaien 9 planeten om de zon.
In 1 jaar = 365 dagen draait de aarde om de zon.
Om de 4 jaar schrikkeljaar, omdat de aarde elk jaar 6uur extra nodig heeft om, om de zon
heen te draaien.
24 uur= etmaal
Zon komt op in het oosten en gaat onder in het westen.
24 tijdzones
De getijden: vloed en eb
Aarde heeft 1 maan
De maan draait in 27 dagen om de aarde
Vloed = hoogste waterstand
Eb = laagste waterstand
Vloed en eb gebieden blijven op dezelfde plaats liggen ten opzichte van de maan
Nederland draait door de omwenteling van de aarde door de gebieden van vloed en eb heen.
In 24 uur 2x vloed en 2x eb.
Vloed of Eb duurt altijd 6 uur. Tussen Vloed en Eb zit ook 6 uur.
Aardbevingen en vulkanen
Aardkorst = buitenkant van de aarde
Mantel = ligt onder de aardkorst, bestaat uit magma
Magma = zit in vulkanen
Kegelvulkaan met lava die uit de krater stroomt - vorm van een kegel
Schildvulkaan met magma die erg vloeibaar is. -- vorm van een schild
Rivieren
Rivieren nemen sediment mee
Sediment = keien, grind, zand, klei.
Sedimentdeeltjes worden stroomafwaarts steeds kleiner, doordat ze botsen tegen elkaar
In Nederland is er veel zand en klei in de benedenloop van rivier.
Bij hoogteverschillen ontstaat er erosie
Erosie = uitslijpen van sediment
, Samenvatting
Hoofdstuk 3 Landschappen op aarde
Indeling en ligging van de belangrijkste landschappen
Landschap met Poolklimaat = poolgebied
Landschap met Toendraklimaat = poolgebied
Landschap met Landklimaat en alleen naaldbos = gematigd gebied
Landschap met Landklimaat en loof-gemengd bos = gematigd gebied
Landschap met Zeeklimaat(loof-gemengd bos) = gematigd gebied
Landschap met Middellandse zeeklimaat = subtropisch gebied
Landschap met Woestijnklimaat = woestijngebied, tropisch gebied
Landschap met Savanne en Steppeklimaat = tropisch gebied
Landschap met Tropisch regenwoudklimaat = tropisch gebied
Landschap met Hooggebergte klimaat = berggebied
Verklaring van de verschillen in landschappen
In de tropische gebieden
Zon midden op de dag hoog aan de hemel
Temperatuur stijgt, verdampt veel water, ontstaan flinke buienwolken met veel regen.
Van de subtropische gebieden naar de poolgebieden.
Verder naar de poolgebieden wordt het kouder
Zonnestralen staan schuiner op de aarde
Hoe schuiner de zonnestralen, hoe meer aardoppervlakte verwarmd moet worden
Daardoor in poolgebieden koud.
In hooggebergten
Berggebieden hoger dan 1500 meter.
Belangrijke hooggebergten in Europa: Alpen, Pyreneeën, Scandinavisch Hoogland,
Kaukasus(Rusland)
Belangrijke hooggebergten : Andes (Zuid-Amerika), Rocky Mountains (VS), Himalaya
(noorden van India).
Hoe hoger je gaat, hoe minder planten er groeien.
Kenmerken van de verschillende landschappen
landschap met een tropisch regenwoudklimaat
Belangrijkste tropische bossen ---- Amazonegebied (Zuid-Amerika, Centraal Afrika,
Indonesië)
Hier komen geen seizoenen voor.
Plantengroei : Uitgestrekte bossen, bomen, struiken en planten.
Grote diversiteit plantengroei = veel verschillende diersoorten
Hele jaar door regen, hoge temperaturen.
, Landschappen met een savanne- en steppeklimaat
Savannegebieden grenzen aan tropische bossen.
Tropisch grasland met veel bomen en struiken.
Hele jaar door hoge temperaturen, veel minder neerslag dan in tropisch bos.
Steppegebieden grenzen aan de savannegebieden en de woestijn
Plantengroei: geen bomen, hier en daar struiken, tropisch grasland
Hoge temperaturen, weinig neerslag(nog minder dan bij savanne)
Landschap met een woestijnklimaat
Grootste woestijnen: Sahara (Noord-Afrika), Grote victoriawoestijn (midden Australië).
Belangrijke woestijnen in : zuidwesten VS, noorden van Mexico, noordwesten van Zuid-
Afrika en Mongolië, noorden van China.
Plantengroei: kan niet door de droogte
Oase = plekken waar water onder de grond zit.
Er valt (bijna) geen neerslag
Landschap met een Middellandse Zeeklimaat
Landen rondom de Middellandse zee liggen in de subtropische gebieden.
In de zomer warm en droog.
In de winter zacht, met perioden van hevige regenval.
Landschappen met een zee- en landklimaat.
Nederland = zeeklimaat
Koele zomers en ontbreken van (strenge) winters.
Plantengroei: loof- en naaldbomen,
landschap met toendraklimaat.
Plantengroei: geen bomen, laag groeiende struiken en planten (grassoorten en mossen).
Winters duren erg lang
Zomers zijn koud. Temperatuur net boven vriespunt
Permafrost = dieper gelegen ondergrond die altijd bevroren blijft.
landschap met een poolklimaat
Plantengroei: niks. Hier is het te koud voor.
Het vriest het hele jaar door.
In de zomer temperatuur even boven het vriespunt
landschap met een hooggebergteklimaat
verschillende klimaten op 1 berghelling.
1.Lager gelegen dalen: groei van loofbomen
2.Berghelling waar het koud is = groei naaldbomen
3.Boomgrens: waar het te koud is voor groei van naaldbomen
4. Boven boomgrens: weiden
5. Kale rotsen
6. Top: eeuwige sneeuw = sneeuwgrens\
Hoofdstuk 2 De Aarde
De aarde in het zonnestelsel.
7 continenten: Europa, Azië, Australië, Noord Amerika, Zuid-Amerika, Afrika, Antartica.
2 enorme oceanen: Stille/grote oceaan, Atlantische oceaan.
Vanuit de ruimte ziet de aarde eruit als een blauwe planeet.
Zonnestelsel draaien 9 planeten om de zon.
In 1 jaar = 365 dagen draait de aarde om de zon.
Om de 4 jaar schrikkeljaar, omdat de aarde elk jaar 6uur extra nodig heeft om, om de zon
heen te draaien.
24 uur= etmaal
Zon komt op in het oosten en gaat onder in het westen.
24 tijdzones
De getijden: vloed en eb
Aarde heeft 1 maan
De maan draait in 27 dagen om de aarde
Vloed = hoogste waterstand
Eb = laagste waterstand
Vloed en eb gebieden blijven op dezelfde plaats liggen ten opzichte van de maan
Nederland draait door de omwenteling van de aarde door de gebieden van vloed en eb heen.
In 24 uur 2x vloed en 2x eb.
Vloed of Eb duurt altijd 6 uur. Tussen Vloed en Eb zit ook 6 uur.
Aardbevingen en vulkanen
Aardkorst = buitenkant van de aarde
Mantel = ligt onder de aardkorst, bestaat uit magma
Magma = zit in vulkanen
Kegelvulkaan met lava die uit de krater stroomt - vorm van een kegel
Schildvulkaan met magma die erg vloeibaar is. -- vorm van een schild
Rivieren
Rivieren nemen sediment mee
Sediment = keien, grind, zand, klei.
Sedimentdeeltjes worden stroomafwaarts steeds kleiner, doordat ze botsen tegen elkaar
In Nederland is er veel zand en klei in de benedenloop van rivier.
Bij hoogteverschillen ontstaat er erosie
Erosie = uitslijpen van sediment
, Samenvatting
Hoofdstuk 3 Landschappen op aarde
Indeling en ligging van de belangrijkste landschappen
Landschap met Poolklimaat = poolgebied
Landschap met Toendraklimaat = poolgebied
Landschap met Landklimaat en alleen naaldbos = gematigd gebied
Landschap met Landklimaat en loof-gemengd bos = gematigd gebied
Landschap met Zeeklimaat(loof-gemengd bos) = gematigd gebied
Landschap met Middellandse zeeklimaat = subtropisch gebied
Landschap met Woestijnklimaat = woestijngebied, tropisch gebied
Landschap met Savanne en Steppeklimaat = tropisch gebied
Landschap met Tropisch regenwoudklimaat = tropisch gebied
Landschap met Hooggebergte klimaat = berggebied
Verklaring van de verschillen in landschappen
In de tropische gebieden
Zon midden op de dag hoog aan de hemel
Temperatuur stijgt, verdampt veel water, ontstaan flinke buienwolken met veel regen.
Van de subtropische gebieden naar de poolgebieden.
Verder naar de poolgebieden wordt het kouder
Zonnestralen staan schuiner op de aarde
Hoe schuiner de zonnestralen, hoe meer aardoppervlakte verwarmd moet worden
Daardoor in poolgebieden koud.
In hooggebergten
Berggebieden hoger dan 1500 meter.
Belangrijke hooggebergten in Europa: Alpen, Pyreneeën, Scandinavisch Hoogland,
Kaukasus(Rusland)
Belangrijke hooggebergten : Andes (Zuid-Amerika), Rocky Mountains (VS), Himalaya
(noorden van India).
Hoe hoger je gaat, hoe minder planten er groeien.
Kenmerken van de verschillende landschappen
landschap met een tropisch regenwoudklimaat
Belangrijkste tropische bossen ---- Amazonegebied (Zuid-Amerika, Centraal Afrika,
Indonesië)
Hier komen geen seizoenen voor.
Plantengroei : Uitgestrekte bossen, bomen, struiken en planten.
Grote diversiteit plantengroei = veel verschillende diersoorten
Hele jaar door regen, hoge temperaturen.
, Landschappen met een savanne- en steppeklimaat
Savannegebieden grenzen aan tropische bossen.
Tropisch grasland met veel bomen en struiken.
Hele jaar door hoge temperaturen, veel minder neerslag dan in tropisch bos.
Steppegebieden grenzen aan de savannegebieden en de woestijn
Plantengroei: geen bomen, hier en daar struiken, tropisch grasland
Hoge temperaturen, weinig neerslag(nog minder dan bij savanne)
Landschap met een woestijnklimaat
Grootste woestijnen: Sahara (Noord-Afrika), Grote victoriawoestijn (midden Australië).
Belangrijke woestijnen in : zuidwesten VS, noorden van Mexico, noordwesten van Zuid-
Afrika en Mongolië, noorden van China.
Plantengroei: kan niet door de droogte
Oase = plekken waar water onder de grond zit.
Er valt (bijna) geen neerslag
Landschap met een Middellandse Zeeklimaat
Landen rondom de Middellandse zee liggen in de subtropische gebieden.
In de zomer warm en droog.
In de winter zacht, met perioden van hevige regenval.
Landschappen met een zee- en landklimaat.
Nederland = zeeklimaat
Koele zomers en ontbreken van (strenge) winters.
Plantengroei: loof- en naaldbomen,
landschap met toendraklimaat.
Plantengroei: geen bomen, laag groeiende struiken en planten (grassoorten en mossen).
Winters duren erg lang
Zomers zijn koud. Temperatuur net boven vriespunt
Permafrost = dieper gelegen ondergrond die altijd bevroren blijft.
landschap met een poolklimaat
Plantengroei: niks. Hier is het te koud voor.
Het vriest het hele jaar door.
In de zomer temperatuur even boven het vriespunt
landschap met een hooggebergteklimaat
verschillende klimaten op 1 berghelling.
1.Lager gelegen dalen: groei van loofbomen
2.Berghelling waar het koud is = groei naaldbomen
3.Boomgrens: waar het te koud is voor groei van naaldbomen
4. Boven boomgrens: weiden
5. Kale rotsen
6. Top: eeuwige sneeuw = sneeuwgrens\