Staatsrecht hoofdstuk 1 De Nederlandse staat en zijn bewoners
Staat – er is een gemeenschap van mensen op een bepaald grondgebied, waarover een
organisatie het hoogste gezag uitoefent.
De drie elementen van een staat: grondgebied, gemeenschap en gezag. Erkenning van een
staat door andere staten wordt wel als vierde kenmerk beschouwd.
Grondgebied – kent grenzen die soms na talloze oorlogen tot stand zijn gekomen en in een
verdrag (overeenkomst tussen een of meer staten) met buurlanden zijn vastgelegd. Vb. De
grens tussen Nederland en Duitsland is in 1815 vastgelegd en met grensstenen gemarkeerd.
Het luchtruim boven het land hoort ook bij het grondgebied van de staat.
Gemeenschap – wordt gevormd door mensen die daartoe behoren vanwege hun
afstamming of die op eigen verzoek de nationaliteit van de staat hebben verkregen. Door de
onderlinge verbondenheid wordt de gemeenschap een volk, ofwel een natie.
Gezag – het hoogste gezag van de staat is gericht op het scheppen en handhaven van orde
en recht. Alleen het hoogste gezag van de staat mag geweld gebruiken (geweldsmonopolie).
Staat heeft twee betekenissen – aan de ene kant wordt hiermee het land aangeduid; het
grondgebied met de bevolking van de Staat. Tegelijkertijd wordt met staat ook het gezag in
de staat bedoeld, ofwel de overheid.
De staat kan in beide betekenissen worden beschouwd als een zelfstandige en ondeelbare
eenheid. Anders gezegd: de staat is soeverein. (art. 2:1 BW)
De staat zorgt voor bescherming van de burgers door de landsgrenzen te verdedigen->
algemeen belang.
De term staat stamt uit de renaissance – een periode (16e eeuw) waarin allerlei vernieuwde
ideeën over de verhouding tussen staat en burger naar voren kwamen. Staatsaangelegen-
heden werden aangeduid met de publieke zaak. Latijnse naam – res publica.
Publiekrecht – bestuursrecht, staatsrecht en strafrecht.
De basis voor het koninkrijk der Nederlanden is gelegd in de zeventiende eeuw (gouden
eeuw) toen Nederland gebieden elders in de wereld veroverde.die rijk waren aan
grondstoffen en deze koloniseerde door ze onder Nederlands staatsgezag te brengen. De
Nederlandse koloniën wareb Nederlands-indie, Suriname en de zes eilanden van de
Nederlandse Antillen: Aruba, Bonaire, Curacao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten.
Indonesië en Suriname hebben zich in 1945 en 1975 losgemaakt en zijn onafhankelijke
staten geworden.
Aruba is in 1986 ook een zelfstandige staat geworden, maar heeft verklaard bij het Koninkrijk
te willen blijven horen. Vanaf dat moment is Nederland een staatsrechtelijk
,samenwerkingsverband tussen drie landen: Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba
met zijn status aparte.
Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES-eilanden) hebben de status gekregen van openbaar
lichaam, in de zin van art. 134 GW, en zijn een soort overzeese gemeenten geworden.
Het Statuut is een staatsregeling waarin afspraken zijn vastgelegd over de onderlinge
verhoudingen in het Koninkrijk en de samenwerking. De preambule (aanhef) van het Statuut
vermeldt dat de voormalige koloniën ‘uit vrije wil’ hebben verklaard in het Koninkrijk der
Nederlanden een nieuwe rechtsorde te aanvaarden. Art. 3 lid 1 van het Statuut.
Rijkswetten – wetten die van toepassing zijn in het hele koninkrijk.
De overzeese delen van het Koninkrijk der Nederlanden hebben samen ongeveer evenveel
inwoners als de stad Utrecht. De Nederlandse overheid heeft dan ook feitelijk de grootste
stem in het koninkrijk .
De afzonderlijke staten mogen hun eigen aangelegenheden zelf behartigen (art. 41 statuut).
Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben daarom een eigen bestuur, wetgever en rechterlijke
macht.
Burgers die tot een bepaalde staat behoren, hebben de nationaliteit van die staat. Dit geeft
hun belangrijke voordelen ten opzichte van vreemdelingen. Rechtspositie – het geheel van
rechten en plichten.
Burgers die tot het Koninkrijk der Nederland behoren, hebben de Nederlandse nationaliteit;
zij bezitten het Nederlanderschap. Dit heeft voor hen een aantal juridische consequenties.
De rechtsgevolgen van het Nederlanderschap zijn:
- Nederlanders hebben vrije toegang tot Nederland en mogen hier vrij verblijven.
- Het Wetboek van Strafrecht is ook grotendeels van toepassing op Nederlanders die
buiten het territorium van het Koninkrijk bepaalde misdrijven hebben gepleegd. Art.
5 Sr. Deze wet heeft exterritoriale werking.
- De Nederlander die in het buitenland gevangen genomen wordt, geniet diplomatieke
bescherming; vertegenwoordigers van Nederland zullen zich ervoor inzetten dat hij
door de buitenlandse staat goed wordt behandeld. Of dat hij in NL de straf mag
uitzitten.
- Nederlanders worden niet aan andere staten uitgeleverd, als niet zeker is dat zij na
hun veroordeling de straf in NL mogen uitzitten. Art. 4 uitleveringswet.
- Nederlanders vallen in het buitenland ook onder het Nederlandse erfrecht en
personen- en familierecht (art. 6 wet AB). Vb. Nederlands huwelijk is ook geldig in
Frankrijk.
- Actief en passief kiesrecht.
- Sommige openbare functies kunnen alleen door Nederlanders worden vervuld. Vb.
Burgermeester, rechter etc.
- Nederlanders kunnen aanspraak maken op voorzieningen of uitkeringen.
, Een vreemdeling kan op de eerste 7 rechten geen aanspraak maken en op de achtste alleen
als hij regelmatig in NL verblijft. De staat bepaalt zelf hoe iemand de nationaliteit van die
staat verkrijgt of verliest. Voor NL is dit geregeld in de RWN.
Het Nederlanderschap wordt allereerst doorgegeven door de ouders. Dit kan kunnen
vrouwen pas sinds 1985, maar dit is met een wetswijziging in 2010 met terugwerkende
kracht veranderd.
Kinderen van een Nederlandse ouder en kinderen van de derde generatie (kinderen van wie
de niet-Nederlandse ouders ook in Nederland zijn geboren uit hier woonachtige
vreemdelingen) krijgen van rechtswege de Nederlandse nationaliteit (art. 3 RWN). Hetzelfde
geldt voor voor minderjarigen die geadopteerd worden door een Nederlander (art. 5 RWN).
Niet-Nederlandse jongeren tussen 18 en 25 jaar die sinds hun geboorte in Nederland hebben
gewoond (tweede generatie) kunnen Nederlander worden door een zogeheten
optieverklaring af te leggen op het gemeentehuis in hun woonplaats (art. 6 RWN).
Vreemdelingen die vijf jaar legaal in het Koninkrijk hebben gewoond (of hier al drie jaar
getrouwd zijn met een Nederlandse partner) en 18+ zijn, kunnen bij de minister van
Veiligheid en Justitie een naturalisatieverzoek indienen en daarmee het Nederlanderschap
verkrijgen (art. 7 RWN). Voorwaarde is wel dat zij geen gevaar vormen voor de openbare
orde en veiligheid, ingeburgerd zijn in de Nederlandse samenleving en de Nederlandse taal
beheersen. Hiervoor moet een naturalisatietoets worden afgelegd.
Er wordt van degene die Nederlander wil worden verlangd dat hij afstand doet van zijn eigen
nationaliteit. Sommige staten verbieden hun staatsburgers echter afstand te doen van hun
nationaliteit, vb. Marokko. Hierdoor hebben ze twee paspoorten en kunnen ze in beide
landen aanspraak maken op bepaalde rechten.
Art. 1 Wet op de identificatieplicht geeft aan met welke documenten iemand zijn identiteit,
dus ook zijn nationaliteit, kan aantonen.
Voor vreemdelingen geldt het koppelingsbeginsel; de rechten van een vreemdeling zijn
gekoppeld aan zijn rechtmatige verblijf. Hij kan bijvoorbeeld geen aanspraak maken op een
uitkering. Art. 3 Vw.
Met een visum verleent NL toestemming aan iemand om korte tijd in NL te verblijven. Deze
zogenoemde vrije termijn is max. 3 maand (art. 3.3 Vreemdelingenbesluit). Voor een langer
verblijf, moet de vreemdeling op de Nederlandse ambassade een zogeheten machtiging tot
voorlopig verblijf aanvragen. In NL kan daarna een verblijfsvergunning regulier worden
aangevraagd (art. 14 Vw). Deze vergunning wordt altijd afgegeven onder beperking; onder
het doel van het verblijf. Voor staatsburgers van EU-landen geldt geen visumplicht, hun vrije
termijn is 6 maanden en de drempels voor een langer termijn zijn lager dan voor andere
vreemdelingen.
Unieburger- burger van een lidstaat van de EU.
Staat – er is een gemeenschap van mensen op een bepaald grondgebied, waarover een
organisatie het hoogste gezag uitoefent.
De drie elementen van een staat: grondgebied, gemeenschap en gezag. Erkenning van een
staat door andere staten wordt wel als vierde kenmerk beschouwd.
Grondgebied – kent grenzen die soms na talloze oorlogen tot stand zijn gekomen en in een
verdrag (overeenkomst tussen een of meer staten) met buurlanden zijn vastgelegd. Vb. De
grens tussen Nederland en Duitsland is in 1815 vastgelegd en met grensstenen gemarkeerd.
Het luchtruim boven het land hoort ook bij het grondgebied van de staat.
Gemeenschap – wordt gevormd door mensen die daartoe behoren vanwege hun
afstamming of die op eigen verzoek de nationaliteit van de staat hebben verkregen. Door de
onderlinge verbondenheid wordt de gemeenschap een volk, ofwel een natie.
Gezag – het hoogste gezag van de staat is gericht op het scheppen en handhaven van orde
en recht. Alleen het hoogste gezag van de staat mag geweld gebruiken (geweldsmonopolie).
Staat heeft twee betekenissen – aan de ene kant wordt hiermee het land aangeduid; het
grondgebied met de bevolking van de Staat. Tegelijkertijd wordt met staat ook het gezag in
de staat bedoeld, ofwel de overheid.
De staat kan in beide betekenissen worden beschouwd als een zelfstandige en ondeelbare
eenheid. Anders gezegd: de staat is soeverein. (art. 2:1 BW)
De staat zorgt voor bescherming van de burgers door de landsgrenzen te verdedigen->
algemeen belang.
De term staat stamt uit de renaissance – een periode (16e eeuw) waarin allerlei vernieuwde
ideeën over de verhouding tussen staat en burger naar voren kwamen. Staatsaangelegen-
heden werden aangeduid met de publieke zaak. Latijnse naam – res publica.
Publiekrecht – bestuursrecht, staatsrecht en strafrecht.
De basis voor het koninkrijk der Nederlanden is gelegd in de zeventiende eeuw (gouden
eeuw) toen Nederland gebieden elders in de wereld veroverde.die rijk waren aan
grondstoffen en deze koloniseerde door ze onder Nederlands staatsgezag te brengen. De
Nederlandse koloniën wareb Nederlands-indie, Suriname en de zes eilanden van de
Nederlandse Antillen: Aruba, Bonaire, Curacao, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten.
Indonesië en Suriname hebben zich in 1945 en 1975 losgemaakt en zijn onafhankelijke
staten geworden.
Aruba is in 1986 ook een zelfstandige staat geworden, maar heeft verklaard bij het Koninkrijk
te willen blijven horen. Vanaf dat moment is Nederland een staatsrechtelijk
,samenwerkingsverband tussen drie landen: Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba
met zijn status aparte.
Bonaire, Sint Eustatius en Saba (BES-eilanden) hebben de status gekregen van openbaar
lichaam, in de zin van art. 134 GW, en zijn een soort overzeese gemeenten geworden.
Het Statuut is een staatsregeling waarin afspraken zijn vastgelegd over de onderlinge
verhoudingen in het Koninkrijk en de samenwerking. De preambule (aanhef) van het Statuut
vermeldt dat de voormalige koloniën ‘uit vrije wil’ hebben verklaard in het Koninkrijk der
Nederlanden een nieuwe rechtsorde te aanvaarden. Art. 3 lid 1 van het Statuut.
Rijkswetten – wetten die van toepassing zijn in het hele koninkrijk.
De overzeese delen van het Koninkrijk der Nederlanden hebben samen ongeveer evenveel
inwoners als de stad Utrecht. De Nederlandse overheid heeft dan ook feitelijk de grootste
stem in het koninkrijk .
De afzonderlijke staten mogen hun eigen aangelegenheden zelf behartigen (art. 41 statuut).
Aruba, Curaçao en Sint Maarten hebben daarom een eigen bestuur, wetgever en rechterlijke
macht.
Burgers die tot een bepaalde staat behoren, hebben de nationaliteit van die staat. Dit geeft
hun belangrijke voordelen ten opzichte van vreemdelingen. Rechtspositie – het geheel van
rechten en plichten.
Burgers die tot het Koninkrijk der Nederland behoren, hebben de Nederlandse nationaliteit;
zij bezitten het Nederlanderschap. Dit heeft voor hen een aantal juridische consequenties.
De rechtsgevolgen van het Nederlanderschap zijn:
- Nederlanders hebben vrije toegang tot Nederland en mogen hier vrij verblijven.
- Het Wetboek van Strafrecht is ook grotendeels van toepassing op Nederlanders die
buiten het territorium van het Koninkrijk bepaalde misdrijven hebben gepleegd. Art.
5 Sr. Deze wet heeft exterritoriale werking.
- De Nederlander die in het buitenland gevangen genomen wordt, geniet diplomatieke
bescherming; vertegenwoordigers van Nederland zullen zich ervoor inzetten dat hij
door de buitenlandse staat goed wordt behandeld. Of dat hij in NL de straf mag
uitzitten.
- Nederlanders worden niet aan andere staten uitgeleverd, als niet zeker is dat zij na
hun veroordeling de straf in NL mogen uitzitten. Art. 4 uitleveringswet.
- Nederlanders vallen in het buitenland ook onder het Nederlandse erfrecht en
personen- en familierecht (art. 6 wet AB). Vb. Nederlands huwelijk is ook geldig in
Frankrijk.
- Actief en passief kiesrecht.
- Sommige openbare functies kunnen alleen door Nederlanders worden vervuld. Vb.
Burgermeester, rechter etc.
- Nederlanders kunnen aanspraak maken op voorzieningen of uitkeringen.
, Een vreemdeling kan op de eerste 7 rechten geen aanspraak maken en op de achtste alleen
als hij regelmatig in NL verblijft. De staat bepaalt zelf hoe iemand de nationaliteit van die
staat verkrijgt of verliest. Voor NL is dit geregeld in de RWN.
Het Nederlanderschap wordt allereerst doorgegeven door de ouders. Dit kan kunnen
vrouwen pas sinds 1985, maar dit is met een wetswijziging in 2010 met terugwerkende
kracht veranderd.
Kinderen van een Nederlandse ouder en kinderen van de derde generatie (kinderen van wie
de niet-Nederlandse ouders ook in Nederland zijn geboren uit hier woonachtige
vreemdelingen) krijgen van rechtswege de Nederlandse nationaliteit (art. 3 RWN). Hetzelfde
geldt voor voor minderjarigen die geadopteerd worden door een Nederlander (art. 5 RWN).
Niet-Nederlandse jongeren tussen 18 en 25 jaar die sinds hun geboorte in Nederland hebben
gewoond (tweede generatie) kunnen Nederlander worden door een zogeheten
optieverklaring af te leggen op het gemeentehuis in hun woonplaats (art. 6 RWN).
Vreemdelingen die vijf jaar legaal in het Koninkrijk hebben gewoond (of hier al drie jaar
getrouwd zijn met een Nederlandse partner) en 18+ zijn, kunnen bij de minister van
Veiligheid en Justitie een naturalisatieverzoek indienen en daarmee het Nederlanderschap
verkrijgen (art. 7 RWN). Voorwaarde is wel dat zij geen gevaar vormen voor de openbare
orde en veiligheid, ingeburgerd zijn in de Nederlandse samenleving en de Nederlandse taal
beheersen. Hiervoor moet een naturalisatietoets worden afgelegd.
Er wordt van degene die Nederlander wil worden verlangd dat hij afstand doet van zijn eigen
nationaliteit. Sommige staten verbieden hun staatsburgers echter afstand te doen van hun
nationaliteit, vb. Marokko. Hierdoor hebben ze twee paspoorten en kunnen ze in beide
landen aanspraak maken op bepaalde rechten.
Art. 1 Wet op de identificatieplicht geeft aan met welke documenten iemand zijn identiteit,
dus ook zijn nationaliteit, kan aantonen.
Voor vreemdelingen geldt het koppelingsbeginsel; de rechten van een vreemdeling zijn
gekoppeld aan zijn rechtmatige verblijf. Hij kan bijvoorbeeld geen aanspraak maken op een
uitkering. Art. 3 Vw.
Met een visum verleent NL toestemming aan iemand om korte tijd in NL te verblijven. Deze
zogenoemde vrije termijn is max. 3 maand (art. 3.3 Vreemdelingenbesluit). Voor een langer
verblijf, moet de vreemdeling op de Nederlandse ambassade een zogeheten machtiging tot
voorlopig verblijf aanvragen. In NL kan daarna een verblijfsvergunning regulier worden
aangevraagd (art. 14 Vw). Deze vergunning wordt altijd afgegeven onder beperking; onder
het doel van het verblijf. Voor staatsburgers van EU-landen geldt geen visumplicht, hun vrije
termijn is 6 maanden en de drempels voor een langer termijn zijn lager dan voor andere
vreemdelingen.
Unieburger- burger van een lidstaat van de EU.