MBEO
Hoorcollege 1
- Bedrijfseconomisch onderzoek: An organized, systematic, data-based, critical, objective, scientific
inquiry or investigation into a specific problem, undertaken with the purpose of finding answers or
solutions to it.
- Classificaties onderzoek:
*Inductief o.b.v. specifieke observaties tot een algemene conclusie komen
vs. Deductief testen of een algemene theorie een specifiek probleem kan verklaren of oplossen.
*Fundamenteel onderzoek verscheidene organisatorische settings, theorievorming, openbaar
vs. Toegepast onderzoek organisatie specifiek, bedrijf, praktijkprobleem, managers.
*Exploratief gericht op ontwikkelen begrip en theorie, weinig voorkennis, kwalitatief, inzicht en
begrip, flexibel (vooronderzoek)
vs. Descriptief tellen en dwarsverbanden, zeer praktisch, kwantitatief, beschrijving
vs. Causaal oorzaak en gevolg, theorie en voorkennis, hypotheses, kwantitatief
(hoofdonderzoek)
*Experimenteel onderzoek het variëren van een verschijnsel om te zien of het effect heeft op
een ander verschijnsel
vs. Non-experimenteel onderzoek meer beschrijvend, inventariserend, verklarend.
*Kwantitatief ‘harde’ data, getallen, aantallen
vs. Kwantitatief ervaringen, opvattingen, ideeën, motieven.
*Primair onderzoek eigen onderzoek, gericht op hoofdonderzoeksvraag
vs. Secundair onderzoek gebaseerd op onderzoek en publicaties van anderen.
- Hypothetico Deductieve methode: testen van hypothesen is deductief. Beschrijf probleemgebied,
formuleer probleemstelling, ontwikkel hypothesen, kies meetinstrument, verzamel data, analyseer
data en interpreteer data.
- Dia 27, Kenmerken wetenschappelijk onderzoek: purposiveness, rigor, testability, replicability,
precision and confidence, objectivity, generalizability & parsimony.
Hoorcollege 2
- Onderzoeksprobleem: gedreven door management, action-oriented.
- Management probleem: related to the concerns, issues, conflicts, or beliefs about daily work. Gap
between actual and desired state.
- Symptoom: indicator of a departure from “normality”, indicates the existence of a problem.
Zichtbaar verschijnsel. (declining sales, lower market share etc.)
- Vooronderzoek bestaande kennis (probleem verder afbakenen, probleemstelling aanscherpen,
juiste onderzoeksvragen stellen etc.)
- Soorten literatuur:
*Primaire literatuur oorspronkelijk onderzoek en denkwerk, de klassiekers (Porter, Ansoff etc.)
*Secundaire literatuur analyse en synthese van andere literatuur
*Tertiaire literatuur synthese van de synthese (woordenboeken, encyclopedieën etc.)
- Informatie/vooronderzoek helpt je het onderzoeksprobleem en de onderzoeksvragen te
herformuleren; deze meer precieze vragen helpen je gerichter te zoeken naar relevante informatie.
Die informatie helpt je het onderwerp verder aan te scherpen.
- Achtergrond: waar komt het probleem vandaan? Interne ontwikkelingen of externe ontwikkelingen.
,- Probleemstelling: info-georiënteerd, eenduidig, in de vorm van een vraag, relatie tussen 2 of meer
variabelen, empirisch testbaar, focus, geen persoonlijke oordelen.
- Onderzoeksvragen geven weer welke informatie je nodig hebt om het probleem op te kunnen
lossen, geven richting aan je onderzoek. Theoretisch en praktisch (Dia 36)
- Relevantie: wat kan ik concreet met de info die ik verzamel? (Academisch/praktisch)
- Methode: desk research, field research, experiment, enquêtes, observatie etc.
A: Titel
B: Achtergrond/aanleiding
C: Probleemstelling Onderzoek
D: Onderzoeksvragen
E: Afbakening
F: Relevantie onderzoek
G: Methode
H: Planning
I: Referenties (bronnen)
Hoorcollege 3
- Conceptual Background: voorbeeld dia’s. (eerder onderzoek, onduidelijkheden, beperkingen etc.)
- Bespreking van bestaande literatuur stelt je in staat een keuze te maken tussen deductief en
inductief onderzoek.
- Genoeg literatuur deductief onderzoek, theoretisch raamwerk.
- Represents your beliefs on how certain phenomena (or variables or concepts) are related to each
other and an explanation of why you believe that these variables are related to each other.
- Theoretisch raamwerk identificeren en benoemen relevante variabelen, hoe hangen fenomenen
met elkaar samen (conceptueel model/hypothesen), waarom hangen fenomenen met elkaar samen.
- Variabele: alles wat verschillende waarden aan kan nemen
*Cross-sectioneel onderzoek verschillen op dezelfde tijd voor verschillende personen/objecten
*Longitudinaal onderzoek verschillen op verschillende tijden voor dezelfde persoon/object
- Variatie in de afhankelijke variabele wordt verklaard door variatie in de onafhankelijke variabele
(oorzaak-gevolg relatie).
- Vier condities oorzaak-gevolg relatie:
*er moet samenhang zijn (correlatie)
*tijdsvolgorde van gebeurtenissen (x voor y) voor en nameting, controle- en experimentele
groep
*voor andere oorzaken wordt gecontroleerd (geen z die zowel x als y verklaard, of relatie verstoord)
kijken naar regressie coëfficiënten (neem andere variabelen mee in je model als covariaten)
*logische verklaring voor relaties (theorie achter effect x op y) inhoudelijke argumenten,
valkuilen: tautologie, gebruik van autoriteiten, selectie van voorbeelden.
- Het niet opnemen van relevante variabelen leidt tot een lagere fit (r squared model) & omitted
variable bias. Het wel opnemen van niet relevante variabelen leidt tot een minder parsimonious
model en reductie precisie waarmee effecten relevante variabelen geschat worden (standard errors
estimations ↑).
- Moderating variable: een variabele die de originele relatie tussen afhankelijke en onafhankelijke
variabelen versterkt of verzwakt. Correlatie X en Y verandert van hoogte als moderator van waarde
verandert. (main effect: geen verschil, data in grafiek verspreid). Stelt ons in staat het effect van:
*Persoonskarakteristieken op de relatie tussen de IV en de DV te modelleren (bijvoorbeeld geslacht)
*Situationele karakteristieken op de relatie tussen de IV en de DV te modelleren (bijvoorbeeld
motivatie)
, - Mediating variable: helpt ons te verklaren waarom onafhankelijke variabele invloed heeft op
afhankelijke variabele. (Surfaces between the time the independent variables operate to influence
the dependent variable and their impact on the dependent variable)
- Hypothesen beschrijven relaties tussen onafhankelijke, modererende, medierende en afhankelijke
variabelen. Voorspel relatie en verschillen.
Alternatieve hypothese research hypothese (wat je denkt dat zal gebeuren), one-sided
(directional) (interpretatie significantie), two-sided (non-directional).
Hoorcollege 4: Gastcollege, Accountancy
- Archival onderzoek houdt in dat een verzameling van gegevens, die publiek of via een databank
beschikbaar is, geanalyseerd wordt om een hypothese te testen. Mate van variatie in een bepaalde
variabele wordt bepaald door de realiteit. Twee stappen:
*het samenstellen van een eigen ‘individuele’ dataset (dit vereist meestal ook coderen/bewerken
van data)
*het analyseren van de gegevens
- Data verzamelen: ook uit jaarrekeningen, audit rapporten etc.
- Extreme waarden verwijderen Truncating (extremen uit database gooien) & Winsorizing
(extreme waarden veranderen aan wat eronder ligt, in verhouding)
- Objectieve observatie experimenter mag geen invloed uitoefenen, Rosenthal effect (beinvloed
wat je verwacht, objectieve observatie), Clever Hans (geen invloed uitoefenen op situatie zoals die is)
- Voordelen van experimenten: aanduiden van causaliteit (X&Y), controle en de mogelijkheid om
variabelen te manipuleren.
Nadelen van experimenten: beperkt aantal variabelen, test niet effecten van niet-gemanipuleerde
variabelen, artificieel (geen weerspiegeling van de werkelijkheid)
- Dia 24
-Externe validiteit: Mate waarin resultaten veralgemeenbaar zijn naar andere taken, methodes, en
groepen. Opgaan in andere omstandigheden, voor andere groep etc.
Interne validiteit: Mate waarin we accuraat kunnen afleiden dat onafhankelijke (IV) en afhankelijke
(DV) variabele een causaal verband hebben. Drie eisen moeten hiervoor voldaan zijn:
*Covariatie: IV en DV zijn gerelateerd met elkaar
*Tijdsvolgorde: IV komt voor DV
*Alternatieve hypotheses zijn uitgesloten
- Randomisering: willekeurig subjecten toekennen aan een testgroep of aan controle groep. Meest
betrouwbare manier om homogene groepen te creëren.
Hoorcollege 5
- Vragenlijst: variabelen maar ook constructen (conceptual term used to describe phenomenon of
theoretical interest). Abstracte, subjectieve constructen moet je operationaliseren (meetbaar
maken).
- Stappen ontwikkelen meetinstrument:
1.Definitie construct (er zijn bv. Verschillende defenities, hoe je het construct moet meten. Meet je
niet wat je wilt meten: validiteitsprobleem)
2.Ontwikkel relevante vragen: Operationaliseren? (subjectieve en abstracte concepten naar
concrete en eenduidige vragen, into dimensions and items)
3.Selecteer geschikte antwoordcategorieёn (ja/nee, helemaal eens, etc) (Likert-scale, Dichotomous
Hoorcollege 1
- Bedrijfseconomisch onderzoek: An organized, systematic, data-based, critical, objective, scientific
inquiry or investigation into a specific problem, undertaken with the purpose of finding answers or
solutions to it.
- Classificaties onderzoek:
*Inductief o.b.v. specifieke observaties tot een algemene conclusie komen
vs. Deductief testen of een algemene theorie een specifiek probleem kan verklaren of oplossen.
*Fundamenteel onderzoek verscheidene organisatorische settings, theorievorming, openbaar
vs. Toegepast onderzoek organisatie specifiek, bedrijf, praktijkprobleem, managers.
*Exploratief gericht op ontwikkelen begrip en theorie, weinig voorkennis, kwalitatief, inzicht en
begrip, flexibel (vooronderzoek)
vs. Descriptief tellen en dwarsverbanden, zeer praktisch, kwantitatief, beschrijving
vs. Causaal oorzaak en gevolg, theorie en voorkennis, hypotheses, kwantitatief
(hoofdonderzoek)
*Experimenteel onderzoek het variëren van een verschijnsel om te zien of het effect heeft op
een ander verschijnsel
vs. Non-experimenteel onderzoek meer beschrijvend, inventariserend, verklarend.
*Kwantitatief ‘harde’ data, getallen, aantallen
vs. Kwantitatief ervaringen, opvattingen, ideeën, motieven.
*Primair onderzoek eigen onderzoek, gericht op hoofdonderzoeksvraag
vs. Secundair onderzoek gebaseerd op onderzoek en publicaties van anderen.
- Hypothetico Deductieve methode: testen van hypothesen is deductief. Beschrijf probleemgebied,
formuleer probleemstelling, ontwikkel hypothesen, kies meetinstrument, verzamel data, analyseer
data en interpreteer data.
- Dia 27, Kenmerken wetenschappelijk onderzoek: purposiveness, rigor, testability, replicability,
precision and confidence, objectivity, generalizability & parsimony.
Hoorcollege 2
- Onderzoeksprobleem: gedreven door management, action-oriented.
- Management probleem: related to the concerns, issues, conflicts, or beliefs about daily work. Gap
between actual and desired state.
- Symptoom: indicator of a departure from “normality”, indicates the existence of a problem.
Zichtbaar verschijnsel. (declining sales, lower market share etc.)
- Vooronderzoek bestaande kennis (probleem verder afbakenen, probleemstelling aanscherpen,
juiste onderzoeksvragen stellen etc.)
- Soorten literatuur:
*Primaire literatuur oorspronkelijk onderzoek en denkwerk, de klassiekers (Porter, Ansoff etc.)
*Secundaire literatuur analyse en synthese van andere literatuur
*Tertiaire literatuur synthese van de synthese (woordenboeken, encyclopedieën etc.)
- Informatie/vooronderzoek helpt je het onderzoeksprobleem en de onderzoeksvragen te
herformuleren; deze meer precieze vragen helpen je gerichter te zoeken naar relevante informatie.
Die informatie helpt je het onderwerp verder aan te scherpen.
- Achtergrond: waar komt het probleem vandaan? Interne ontwikkelingen of externe ontwikkelingen.
,- Probleemstelling: info-georiënteerd, eenduidig, in de vorm van een vraag, relatie tussen 2 of meer
variabelen, empirisch testbaar, focus, geen persoonlijke oordelen.
- Onderzoeksvragen geven weer welke informatie je nodig hebt om het probleem op te kunnen
lossen, geven richting aan je onderzoek. Theoretisch en praktisch (Dia 36)
- Relevantie: wat kan ik concreet met de info die ik verzamel? (Academisch/praktisch)
- Methode: desk research, field research, experiment, enquêtes, observatie etc.
A: Titel
B: Achtergrond/aanleiding
C: Probleemstelling Onderzoek
D: Onderzoeksvragen
E: Afbakening
F: Relevantie onderzoek
G: Methode
H: Planning
I: Referenties (bronnen)
Hoorcollege 3
- Conceptual Background: voorbeeld dia’s. (eerder onderzoek, onduidelijkheden, beperkingen etc.)
- Bespreking van bestaande literatuur stelt je in staat een keuze te maken tussen deductief en
inductief onderzoek.
- Genoeg literatuur deductief onderzoek, theoretisch raamwerk.
- Represents your beliefs on how certain phenomena (or variables or concepts) are related to each
other and an explanation of why you believe that these variables are related to each other.
- Theoretisch raamwerk identificeren en benoemen relevante variabelen, hoe hangen fenomenen
met elkaar samen (conceptueel model/hypothesen), waarom hangen fenomenen met elkaar samen.
- Variabele: alles wat verschillende waarden aan kan nemen
*Cross-sectioneel onderzoek verschillen op dezelfde tijd voor verschillende personen/objecten
*Longitudinaal onderzoek verschillen op verschillende tijden voor dezelfde persoon/object
- Variatie in de afhankelijke variabele wordt verklaard door variatie in de onafhankelijke variabele
(oorzaak-gevolg relatie).
- Vier condities oorzaak-gevolg relatie:
*er moet samenhang zijn (correlatie)
*tijdsvolgorde van gebeurtenissen (x voor y) voor en nameting, controle- en experimentele
groep
*voor andere oorzaken wordt gecontroleerd (geen z die zowel x als y verklaard, of relatie verstoord)
kijken naar regressie coëfficiënten (neem andere variabelen mee in je model als covariaten)
*logische verklaring voor relaties (theorie achter effect x op y) inhoudelijke argumenten,
valkuilen: tautologie, gebruik van autoriteiten, selectie van voorbeelden.
- Het niet opnemen van relevante variabelen leidt tot een lagere fit (r squared model) & omitted
variable bias. Het wel opnemen van niet relevante variabelen leidt tot een minder parsimonious
model en reductie precisie waarmee effecten relevante variabelen geschat worden (standard errors
estimations ↑).
- Moderating variable: een variabele die de originele relatie tussen afhankelijke en onafhankelijke
variabelen versterkt of verzwakt. Correlatie X en Y verandert van hoogte als moderator van waarde
verandert. (main effect: geen verschil, data in grafiek verspreid). Stelt ons in staat het effect van:
*Persoonskarakteristieken op de relatie tussen de IV en de DV te modelleren (bijvoorbeeld geslacht)
*Situationele karakteristieken op de relatie tussen de IV en de DV te modelleren (bijvoorbeeld
motivatie)
, - Mediating variable: helpt ons te verklaren waarom onafhankelijke variabele invloed heeft op
afhankelijke variabele. (Surfaces between the time the independent variables operate to influence
the dependent variable and their impact on the dependent variable)
- Hypothesen beschrijven relaties tussen onafhankelijke, modererende, medierende en afhankelijke
variabelen. Voorspel relatie en verschillen.
Alternatieve hypothese research hypothese (wat je denkt dat zal gebeuren), one-sided
(directional) (interpretatie significantie), two-sided (non-directional).
Hoorcollege 4: Gastcollege, Accountancy
- Archival onderzoek houdt in dat een verzameling van gegevens, die publiek of via een databank
beschikbaar is, geanalyseerd wordt om een hypothese te testen. Mate van variatie in een bepaalde
variabele wordt bepaald door de realiteit. Twee stappen:
*het samenstellen van een eigen ‘individuele’ dataset (dit vereist meestal ook coderen/bewerken
van data)
*het analyseren van de gegevens
- Data verzamelen: ook uit jaarrekeningen, audit rapporten etc.
- Extreme waarden verwijderen Truncating (extremen uit database gooien) & Winsorizing
(extreme waarden veranderen aan wat eronder ligt, in verhouding)
- Objectieve observatie experimenter mag geen invloed uitoefenen, Rosenthal effect (beinvloed
wat je verwacht, objectieve observatie), Clever Hans (geen invloed uitoefenen op situatie zoals die is)
- Voordelen van experimenten: aanduiden van causaliteit (X&Y), controle en de mogelijkheid om
variabelen te manipuleren.
Nadelen van experimenten: beperkt aantal variabelen, test niet effecten van niet-gemanipuleerde
variabelen, artificieel (geen weerspiegeling van de werkelijkheid)
- Dia 24
-Externe validiteit: Mate waarin resultaten veralgemeenbaar zijn naar andere taken, methodes, en
groepen. Opgaan in andere omstandigheden, voor andere groep etc.
Interne validiteit: Mate waarin we accuraat kunnen afleiden dat onafhankelijke (IV) en afhankelijke
(DV) variabele een causaal verband hebben. Drie eisen moeten hiervoor voldaan zijn:
*Covariatie: IV en DV zijn gerelateerd met elkaar
*Tijdsvolgorde: IV komt voor DV
*Alternatieve hypotheses zijn uitgesloten
- Randomisering: willekeurig subjecten toekennen aan een testgroep of aan controle groep. Meest
betrouwbare manier om homogene groepen te creëren.
Hoorcollege 5
- Vragenlijst: variabelen maar ook constructen (conceptual term used to describe phenomenon of
theoretical interest). Abstracte, subjectieve constructen moet je operationaliseren (meetbaar
maken).
- Stappen ontwikkelen meetinstrument:
1.Definitie construct (er zijn bv. Verschillende defenities, hoe je het construct moet meten. Meet je
niet wat je wilt meten: validiteitsprobleem)
2.Ontwikkel relevante vragen: Operationaliseren? (subjectieve en abstracte concepten naar
concrete en eenduidige vragen, into dimensions and items)
3.Selecteer geschikte antwoordcategorieёn (ja/nee, helemaal eens, etc) (Likert-scale, Dichotomous