Inhoudsopgave
§1 DNA in je cellen 2
Begrippen 4
§2 DNA kopiëren 6
Begrippen 7
§3 Het maken van polypeptideketens 9
Begrippen 12
§4 Het belang van de nucleotidevolgorde 14
Begrippen 15
§5 Genregulatie 17
Begrippen 20
Het document lijkt misschien erg lang, maar er zijn veel afbeeldingen en begrippen.
Het zijn niet 20 pagina’s vol met theorie!
Als je een bepaald begrip zoekt, kan je natuurlijk gewoon op je laptop Ctrl + f
(Windows, Linux en Chrome OS) of ⌘ + f (Mac) gebruiken.
,§1 DNA in je cellen
DNA
DNA bevat de info voor het maken van eiwitten en is verdeeld over 46 chromosomen (bij
mensen). Een DNA-molecuul bestaat uit 2 strengen die een dubbele helix vormen.
DNA-nucleotiden bestaan uit een fosfaatgroep, een suikermolecuul (desoxyribose) en een
stikstofbase. Deoxyribose heeft 5 C-atomen die genummerd zijn. Het 1e vormt een binding
met de stikstofbase en het 5e met de fosfaatgroep. Elke nucleotide is via zijn fosfaatgroep
gekoppeld aan het 3’ C-atoom van het deoxyribose van het nucleotide ernaast.
Er zijn 4 verschillende stikstofbasen: A, C, G en T. De stikstofbasen binden via H-bruggen
met die van de tegenoverliggende streng. Door de vaste combinatie van basenparen zijn de
, strengen complementair: de volgorde in de ene streng bepaalt die in de andere. Het
5’-einde (vrije fosfaatgroep) van de ene streng ligt naast het 3’-einde (vrije OH-groep) van
de andere streng.
Opgerold DNA
Speciale eiwitten, histonen, verstevigen en beschermen de DNA-moleculen. 8 histonen
vormen samen een bolletje waar een deel van het DNA-molecuul omheen is gerold. Histon
H1 houdt het samen. Het geheel van de histonen en het DNA is een nucleosoom.
Verschillende nucleosomen koppelen met elkaar waardoor een chromatinedraad ontstaat.
Dit spiraliseert tot chromatine wanneer het DNA compact is.