In hoeverre gaan
argumenten pro en
HET contra het
toetsingsverbod
zoals dat is
TOETSINGSVERBOD neergelegd in art.
120 Gw op voor
GETOETST toetsing van lagere
aan hogere
regelgeving?
Auteur: Rosanne Kuiper
Studentnummer: S4329643
Werkgroep: R&M 2
Datum: 6 mei 2014
Docent: mr. R.J. Witpaard
, Inhoudsopgave
§1. Inleiding Pagina 2
§2. Omvang van het toetsingsrecht Pagina 3
§3. Wetsvoorstel-Halsema Pagina 4
§4. Democratieargument Pagina 5
§5.Triasargument Pagina 6
§6.Rechtszekerheidsargument Pagina 8
§7.Conclusie Pagina 8
Literatuurlijst Pagina 10
Tekstplan Pagina 11
1
, Het toetsingsverbod getoetst
In hoeverre gaan argumenten pro en contra het toetsingsverbod zoals dat is
neergelegd in art. 120 Gw op voor toetsing van lagere aan hogere regelgeving?
§1. Inleiding
‘Judges do not have an easy job. They repeatedly do what the rest of us seek to avoid: make
decisions’1 Deze omschrijving van de taak van de rechter lijkt zeer treffend. Een rechter wordt bij het
uitoefenen van zijn taak namelijk voortdurend geconfronteerd met interpretatievraagstukken.2 Aan
hem dan ook de opdracht om lagere wetten aan hogere te toetsen en vervolgens te beslissen. De
vraag is echter tot hoever deze bevoegdheid strekt. Is er sprake van een onbeperkt toetsingsrecht?
In de vorm van artikel 120 Gw. is de bevoegdheid van de rechter enigszins ingeperkt. Het verbiedt
rechters de grondwettigheid van de wet te beoordelen.3 Al decennialang zijn er echter discussies
over de zin van dit toetsingsverbod. Net toen de rust rondom het toetsingsverbod leek
wedergekeerd diende toenmalig Tweede Kamerlid Femke Halsema in 2002 een wetsvoorstel in dat
beoogde het toetsingsverbod te beperken.4
Er zijn door juristen in het verleden bijzonder veel argumenten bedacht, zowel voor als tegen een
beperking van het toetsingsverbod. De vraag waar het in dit essay om draait is of diezelfde
argumenten ook opgaan voor toetsing van lagere aan hogere regelgeving in het algemeen en van
lagere regelgeving aan de Grondwet in het bijzonder. Allereerst bespreek ik de omvang van het
huidige toetsingsrecht, waarbij de nadruk ligt op het toetsingsverbod uit art. 120 Gw. (§2). Daarna
wordt aandacht besteed aan de wijzigingen die door Halsema (GroenLinks) zijn voorgesteld (§3).
Gezien het feit dat er een behoorlijk aantal argumenten voor en tegen constitutionele toetsing is
aangevoerd, is een bespreking van al deze argumenten bij voorbaat onmogelijk. Mede daarom heb ik
er voor gekozen om te focussen op een drietal argumenten betreffende constitutionele toetsing die
zich enerzijds lenen voor vergelijking met toetsing van lagere aan hogere regelgeving en anderzijds
een principiële aard hebben. Zowel voor- als tegenstanders van constitutionele toetsing hanteren
deze argumenten. Achtereenvolgens zullen het democratieargument (§4), het trias-argument (§5) en
het rechtszekerheidsargument (§6) worden behandeld.
1
Pannick, David, Judges, Oxford University Press, Oxford New York 1987, p. 1.
2
P.B. Cliteur, ‘Argumenten voor en tegen constitutionele toetsing’, NJB 1989, afl. 38, p. 1371.
3
P.P.T. Bovend’Eert e.a., Tekst en commentaar. Grondwet, Deventer: Kluwer 2009, p. 172.
4
Kamerstukken II 2002/03, 28331, nr. 2, p. 1
2
argumenten pro en
HET contra het
toetsingsverbod
zoals dat is
TOETSINGSVERBOD neergelegd in art.
120 Gw op voor
GETOETST toetsing van lagere
aan hogere
regelgeving?
Auteur: Rosanne Kuiper
Studentnummer: S4329643
Werkgroep: R&M 2
Datum: 6 mei 2014
Docent: mr. R.J. Witpaard
, Inhoudsopgave
§1. Inleiding Pagina 2
§2. Omvang van het toetsingsrecht Pagina 3
§3. Wetsvoorstel-Halsema Pagina 4
§4. Democratieargument Pagina 5
§5.Triasargument Pagina 6
§6.Rechtszekerheidsargument Pagina 8
§7.Conclusie Pagina 8
Literatuurlijst Pagina 10
Tekstplan Pagina 11
1
, Het toetsingsverbod getoetst
In hoeverre gaan argumenten pro en contra het toetsingsverbod zoals dat is
neergelegd in art. 120 Gw op voor toetsing van lagere aan hogere regelgeving?
§1. Inleiding
‘Judges do not have an easy job. They repeatedly do what the rest of us seek to avoid: make
decisions’1 Deze omschrijving van de taak van de rechter lijkt zeer treffend. Een rechter wordt bij het
uitoefenen van zijn taak namelijk voortdurend geconfronteerd met interpretatievraagstukken.2 Aan
hem dan ook de opdracht om lagere wetten aan hogere te toetsen en vervolgens te beslissen. De
vraag is echter tot hoever deze bevoegdheid strekt. Is er sprake van een onbeperkt toetsingsrecht?
In de vorm van artikel 120 Gw. is de bevoegdheid van de rechter enigszins ingeperkt. Het verbiedt
rechters de grondwettigheid van de wet te beoordelen.3 Al decennialang zijn er echter discussies
over de zin van dit toetsingsverbod. Net toen de rust rondom het toetsingsverbod leek
wedergekeerd diende toenmalig Tweede Kamerlid Femke Halsema in 2002 een wetsvoorstel in dat
beoogde het toetsingsverbod te beperken.4
Er zijn door juristen in het verleden bijzonder veel argumenten bedacht, zowel voor als tegen een
beperking van het toetsingsverbod. De vraag waar het in dit essay om draait is of diezelfde
argumenten ook opgaan voor toetsing van lagere aan hogere regelgeving in het algemeen en van
lagere regelgeving aan de Grondwet in het bijzonder. Allereerst bespreek ik de omvang van het
huidige toetsingsrecht, waarbij de nadruk ligt op het toetsingsverbod uit art. 120 Gw. (§2). Daarna
wordt aandacht besteed aan de wijzigingen die door Halsema (GroenLinks) zijn voorgesteld (§3).
Gezien het feit dat er een behoorlijk aantal argumenten voor en tegen constitutionele toetsing is
aangevoerd, is een bespreking van al deze argumenten bij voorbaat onmogelijk. Mede daarom heb ik
er voor gekozen om te focussen op een drietal argumenten betreffende constitutionele toetsing die
zich enerzijds lenen voor vergelijking met toetsing van lagere aan hogere regelgeving en anderzijds
een principiële aard hebben. Zowel voor- als tegenstanders van constitutionele toetsing hanteren
deze argumenten. Achtereenvolgens zullen het democratieargument (§4), het trias-argument (§5) en
het rechtszekerheidsargument (§6) worden behandeld.
1
Pannick, David, Judges, Oxford University Press, Oxford New York 1987, p. 1.
2
P.B. Cliteur, ‘Argumenten voor en tegen constitutionele toetsing’, NJB 1989, afl. 38, p. 1371.
3
P.P.T. Bovend’Eert e.a., Tekst en commentaar. Grondwet, Deventer: Kluwer 2009, p. 172.
4
Kamerstukken II 2002/03, 28331, nr. 2, p. 1
2