Over de Kunst van Hulpverlenen
1. Fysiotherapeuten behoren zich door cliënten met klachten over pijn uitgedaagd te
voelen tot bieden van hulp bij het tot besef brengen van welke waarden niet door de
betrokken cliënt kunnen worden verwerkelijkt.
J
2. Mensen met klachten over pijn realiseren zich veelal niet dat hun klachten geworteld
zijn in waarden die door hen (nog) niet kunnen worden gerealiseerd.
J
3. Pijn lijden is onderbewust geworteld in het niet kunnen realiseren van waarden.
J
4. Lijden is onlosmakelijk verbonden met het voelen van pijn.
O
5. Signalen over weefselschade en weefselbeschadiging kunnen de mens bewust en
onbewust ontgaan.
J
6. Uitingen van klachten over pijn moeten door professionele hulpverleners worden
verstaan als pijn lijden.
O
7. Pijndrempel is een ambigu1 begrip.
J
8. De term pijndrempel is meerduidig.
J
9. In het kader van pijn met een duidelijke aanwijsbare oorzaak heeft de menselijke
pijndrempel generieke elementen.
J
10. In het kader van pijn zonder een duidelijke aanwijsbare oorzaak heeft de menselijke
pijndrempel generieke elementen.
O
11. In het kader van pijn met een duidelijke aanwijsbare oorzaak heeft de menselijke
pijndrempel persoonlijke elementen.
O
12. In het kader van pijn zonder een duidelijke aanwijsbare oorzaak heeft de menselijke
pijndrempel persoonlijke elementen.
1
Meer dan 1 betekenis.
, Tentamenstellingen kwartaal 4.
J
13. De menselijke pijndrempel in het kader van pijn met een duidelijk aanwijsbare
oorzaak heeft naast generieke elementen ook persoonlijke elementen.
O
14. In het kader van pijn met een duidelijk aanwijsbare oorzaak verschilt de pijndrempel
van Noordeuropeanen sterk van die van Zuideuropeanen.
O
15. De pijndrempel in het kader van pijn met een duidelijk aanwijsbare oorzaak verschilt
per persoon in de tijd meer dan in het kader van pijn zonder duidelijk aanwijsbare
oorzaak.
O
16. De menselijke pijntolerantiegrens heeft generieke kenmerken.
O
17. De menselijke pijntolerantiegrens verschilt sterk tussen mensen.
J
18. De pijntolerantiegrens kan per persoon in de tijd verschillen.
J
19. Pijn is een raadselachtig fenomeen: Er ligt niet altijd prikkeling van sensoren aan ten
grondslag, maar wordt door de betrokkene wel in verband gebracht met
weefselschade.
J
20. Pijn is een raadselachtig fenomeen: De betrokken mens wordt in zijn percipiëren van
pijn beïnvloed door allerlei sociale verbanden waarin verschillende beliefs een rol
spelen.
J
21. Pijn is een raadselachtig fenomeen: Vergelijkbare aandoeningen leiden zowel tot pijn
als niet.
J
22. Rugpijn is een raadselachtig fenomeen: Het verwijst zowel naar mogelijke schade
aan de rug als naar mogelijke schade aan inwendige organen.
J
23. Rugpijn in het kader van pijn met een duidelijk aanwijsbare oorzaak is een gevoel dat
de betrokkene voor een raadsel plaats: het verwijst zowel naar mogelijke schade aan
de rug als naar mogelijke schade aan inwendige organen.
O
24. Rugpijn is een raadselachtig fenomeen: Het verwijst zowel naar schade aan de rug
als naar een proces van beschadigen.