H1 Haben, sein
Haben
Tegenwoordige tijd Verleden tijd
Ich Habe Hatte
Du Hast Hattest
Er/es/sie Hat Hatte
Wir Haben Hatten
Ihr Habt Hattet
Sie Haben Hatten
Sie (u) Haben Hatten
Voltooid deelwoord: gehabt (gehad)
Sein
Tegenwoordige tijd Verleden tijd
Ich Bin War
Du Bist Warst
Er/es/sie Ist War
Wir Sind Waren
Ihr Seid Wart
Sie Sind Waren
Sie (u) Sind Waren
Voltooid deelwoord: gewesen (geweest)
H2 Werden (worden)
Werden (worden)
Tegenwoordige tijd Verleden tijd
Ich Werde Wurde
Du Wirst Wurdest
Er/es/sie Wirt Wurde
Wir Werden Wurden
Ihr Werdet Wurdet
Sie Werden Wurden
Sie (u) Werden Wurden
Het voltooid deelwoord van ‘werden’ is geworden of worden:
Geworden wordt gebruikt als er in het Nederlands geworden staat
2. Worden staat in een lijdende zin na een voltooid deelwoord, als een
handeling wordt uitgedrukt. In het Nederlands ontbreekt in zo’n geval het
voltooid deelwoord van worden
, Werden (zullen)
Tegenwoordige tijd Verleden tijd
Ich Werde Würde
Du Wirst Würdest
Er/es/sie Wird Würde
Wir Werden Würden
Ihr Werdet Würdet
Sie Werden Würden
Sie (u) Werden Würden
H3 Het werkwoord in de tegenwoordige tijd
Bij de vervoeging van een werkwoord gaan we uit van de stam: dus het hele
werkwoord zonder –en of –n.
Tegenwoordige tijd
Ich Stam + e
Du Stam + st
Er/es/sie Stam + t
Wir Stam + en
Ihr Stam + t
Sie Stam + en
Sie (u) Stam + en
Bij de werkwoorden met een stam op –d of –t komt na de stam eerst een –e
vanwege de uitspraak. Ook regnen (regenen), öffnen (openen) en rechnen
(rekenen) krijgen een extra –e:
Tegenwoordige tijd
Ich Stam + e
Du Stam + est
Er/es/sie Stam + et
Wir Stam + en
Ihr Stam + et
Sie Stam + en
Sie (u) Stam + en
Let op! Enkele sterke werkwoorden wijken af
Helfen Sehen Nehmen Fahren Laufen Halten
Ich Helfe Sehe Nehme Fahre Laufe Halte
Du Hilfst Siehst Nimmst Fährst Läufst Hältst
Er/es/sie HIlft Sieht Nimmt Fährt Läuft Hält
Net als hilfen geben, sprechen, treffen
Net als fahren anfangen, fallen, lassen, trafen
, H4 Naamvallen
Een zin bestaat uit zinsdelen. Elk zinsdeel heeft een bepaalde functie.
Afhankelijk van de functie staat een zinsdeel in het Duits in een bepaalde
naamval.
Het onderwerp en het naamwoordelijk deel van het gezegde staan in de
eerste naamval. Het naamwoordelijk deel van het gezegde komt voor bij de
koppelwerkwoorden zijn, worden en blijven.
Het lijdend voorwerp en de tijdsbepaling zonder voorzetsel staan in de
vierde naamval. Het lijdend voorwerp: wie/wat + gezegde + ow?
Het meewerkend voorwerp staat in de derde naamval. Het meewerkend
voorwerp is het zinsdeel waar je aan of voor bij kunt (weg)denken.
De tweede naamval wordt gebruikt om het verband tussen twee zelfstandige
naamwoorden uit te drukken. Er wordt vaak gebruik gemaakt van het
Nederlandse tussenwoordje ‘van’.
H5 Het bepaald lidwoord
Der mannelijk enkelvoud
Die vrouwelijk enkelvoud
Das onzijdig enkelvoud
Die meervoud
De verbuiging in de vier naamvallen
Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
1ste der Mann die Frau das Kind die Kinder
2de des Mannes der Frau des Kindes der Kinder
3de dem Mann der Frau dem Kind den Kindern
4de den Mann die Frau das Kind die Kinder
In de tweede naamval enkelvoud krijgen mannelijke en onzijdige
zelfstandige naamwoorden –es of –s. Het hangt af van de uitspraak.
In de derde naamval meervoud krijgt het zelfstandig naamwoord een –n,
behalve wanneer het meervoud eindig op een –n of een –s.
H6 Het onbepaald lidwoord
Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
1ste ein eine ein keine
2de eines +-es einer eines +-es keiner
3de einem einer einem keinen +-n
4de einen eine ein keine
Ein heeft uiteraard geen meervoud.