1
Modelantwoorden
Tentamen Bestuursrecht I, Bachelor 2
Woensdag 16 januari 2013
______________________________________________________________________
De gemeente Noorderwier is een nette en ordelievende plattelandsgemeente. Vandaar
dat in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) ook bepalingen zijn opgenomen
inzake het organiseren van openbare evenementen. De betreffende bepalingen van de
APV luiden als volgt:
Afdeling 7 Evenementen
Artikel 2:24 Begripsbepaling
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: een openbare en voor het publiek
toegankelijke verrichting van vermaak.
2. Als evenement wordt in ieder geval beschouwd:
a. een braderie;
b. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 9 van de Grondwet;
c. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats;
d. een straatfeest of buurtbarbecue.
Artikel 2:25 Vergunning
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel door het evenement
de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
3. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden, ter bescherming van de in
het tweede lid genoemde belangen.
Artikel 2:26 Ordeverstoring bij evenementen
1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
2. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te
geven tot wanordelijkheden of anderszins wanordelijkheden te veroorzaken.
3. Eenieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en
brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Vragen
Vraag 1
De Dorpsvereniging Noorderwier organiseert al vele jaren een braderie op de
plaatselijke Markt. Ten behoeve van de organisatie van de braderie in het jaar 2013
heeft de dorpsvereniging op 1 september 2012 op grond van artikel 2:25 van de APV
een aanvraag om een evenementvergunning ingediend bij de burgemeester.
a. Vier maanden later heeft de dorpsvereniging nog geen reactie van de burgemeester op
de aanvraag ontvangen. Kwalificeert u het stilzitten van de burgemeester als een
besluit? Zo nee, kan de dorpsvereniging desondanks een bezwaarschrift indienen? (5
punten)
, 2
Antwoord: Artikel 1:3 lid 1 Awb: een besluit is een (1) schriftelijke beslissing van een (2)
bestuursorgaan, inhoudende een (3) rechtshandeling naar (4) publiekrecht. Bij een
uitblijven van een reactie wordt er in het geheel geen beslissing genomen, zodat niet
aan deze omschrijving is voldaan. Het niet tijdig beslissen is dus geen besluit in de zin
van artikel 1:3 lid 1 Awb.
Artikel 6:2 aanhef en onder b Awb bepaalt echter, dat voor de toepassing van wettelijke
voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit wordt gelijkgesteld: het
niet tijdig nemen van een besluit.
In casu heeft de burgemeester niet binnen de beslistermijn van artikel 4 Awb een besluit
genomen. Dit betekent dat de dorpsvereniging op grond van artikel 6:2 aanhef en onder
b Awb een bezwaarschrift in kan dienen tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
b. Anders dan onder a: Bij brief van 1 oktober 2012 laat de burgemeester de
dorpsvereniging weten dat de aangevraagde evenementenvergunning is geweigerd. Is
deze weigering aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de
Awb? Wat is het verschil tussen een weigering en het niet reageren op een aanvraag
zoals bij vraag a? (5 punten)
Antwoord: Artikel 1:3 lid 1 Awb: een besluit is een (1) schriftelijke beslissing van een (2)
bestuursorgaan, inhoudende een (3) rechtshandeling naar (4) publiekrecht.
De weigering is (1) schriftelijk. De burgemeester is (2) een bestuursorgaan, nl. een
orgaan van de rechtspersoon naar publiekrecht de gemeente Noorderwier.
Strikt genomen is de weigering geen rechtshandeling (3), omdat er geen wijziging wordt
aangebracht in de rechtspositie van de dorpsvereniging (had geen toestemming en
krijgt geen toestemming). Op grond van artikel 1:3 lid 2 Awb wordt echter onder
beschikking mede verstaan de afwijzing van de aanvraag daarvan. De weigering wordt
dus aangemerkt als een rechtshandeling.
Ten slotte is de beslissing van de burgemeester gebaseerd op een publiekrechtelijk
voorschrift (4), te weten artikel 2:25 van de APV. Conclusie: we hebben te maken met
een besluit in de zin van artikel 3:1 lid 1 Awb.
- Het verschil tussen het niet (tijdig) nemen van een besluit en het afwijzen van een
aanvraag is dat het laatste op zich een schriftelijke beslissing is (waarvan de inhoud
door artikel 1:3 lid 2 Awb met een rechtshandeling wordt gelijkgesteld), terwijl er bij het
uitblijven van een besluit in het geheel geen schriftelijke beslissing is (voor het kunnen
instellen van bezwaar en beroep wordt e.e.a. wel door artikel 6:21 Awb als een
beslissing gefingeerd).
Vraag 2
De burgemeester heeft de bevoegdheid tot het verlenen van evenementenvergunningen
gemandateerd aan het hoofd van de Afdeling Algemene Zaken van de gemeente
Noorderwier.
a. De APV bepaalt niets over een dergelijk mandaat. Is het mandaat naar uw oordeel
rechtsgeldig? (5 punten)
Antwoord: Artikel 10:3 Awb. Voor mandaat is geen wettelijke grondslag nodig. Mandaat
is geoorloofd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de
bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet (10:3 lid 1 Awb).
In de gevallen genoemd in artikel 10:3 lid 2 en 3 Awb wordt in ieder geval geen
mandaat verleend. Hier doen de uitzonderingen van artikel 10:3 zich niet voor.
Conclusie: de mandaatverlening is rechtsgeldig.
, 3
b. Mag de burgemeester, nu de bevoegdheid vergunningen te verlenen aan het hoofd
van de Afdeling Algemene Zaken is gemandateerd, ook zelf de bevoegdheid blijven
uitoefenen? (3 punten)
Antwoord: Bij mandaat blijft de bevoegdheid van de mandaatgever. Gelet hierop bepaalt
artikel 10:7 Awb dat de burgemeester bevoegd blijft de gemandateerde bevoegdheid
zelf uit te oefenen.
Vraag 3
Anders dan in vraag 1: de evenementenvergunning wordt aan de dorpsvereniging
verleend. Aan de Markt bevinden zich de nodige winkels. De winkeliers stellen
omzetverlies te lijden door de braderie, omdat de klanten niet bij hun winkels kunnen
komen. Zij dienen tegen de verleende evenementenvergunning een bezwaarschrift in.
a. Kunnen de winkeliers worden aangemerkt als belanghebbende? (6 punten)
Antwoord: de winkeliers zijn geen direct-belanghebbende (geadresseerden). De vraag
is of zij derde-belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb.
- In casu gaat het om (1) een eigen belang. De winkeliers komen nl. op voor hun eigen
belang.
- Er is ook sprake van (2) een persoonlijk belang. Zij onderscheiden zich in voldoende
mate van andere winkeliers, aangezien hun winkels zich bevinden aan de Markt, en zij
dus meer worden getroffen dan winkels die zich elders bevinden.
- Het belang – omzetverlies door ontoegankelijkheid van de winkels – is (3) objectief
bepaalbaar.
- Het belang is (4) actueel, nu de vergunning is verleend en de aantasting van hun
belang dreigt.
- Ten slotte is het belang (5) rechtstreeks, aangezien er een causaal verband is tussen
het verlenen van de vergunning en de onbereikbaarheid van de winkels, terwijl de
winkeliers ook niet in een afgeleid, indirect belang worden getroffen; zij staan immers
niet in een contractuele relatie tot de dorpsvereniging.
- Conclusie: de winkeliers zijn aan te merken als belanghebbende.
Stel, de winkeliers maken niet zelf bezwaar, maar vragen de plaatselijke
Middenstandsvereniging op te komen tegen de evenementenvergunning. De
Middenstandsvereniging, waarvan de winkeliers lid zijn, heeft als statutair doel het
behartigen van de zakelijke belangen van de winkeliers in Noorderwier. De
Middenstandsvereniging komt, ten behoeve van de winkeliers, in bezwaar tegen het
verlenen van de vergunning.
b. Is de Middenstandsvereniging als belanghebbende aan te merken? (6 punten)
Antwoord:
- Eerst artikel 1:2 lid 1 Awb toepassen. De vereniging komt op voor een belang, dat (1)
objectief bepaalbaar is (zakelijk belang), (2) actueel is (speelt nu) en (3) rechtstreeks is
(geen indirect, afgeleid belang).
- Voor de vraag of sprake is van een eigen (4) en (5) persoonlijk belang moet aan artikel
1:2 lid 3 worden getoetst.
Artikel 1:2 lid 3 Awb. De vereniging heeft (1) rechtspersoonlijkheid. Zij komt (2)
krachtens haar statuten op voor een collectief belang (het behartigen van de zakelijke
belangen van de winkeliers in Noorderwier), terwijl (3) aangenomen mag worden dat zij
dit belang ook feitelijk behartigt.
Modelantwoorden
Tentamen Bestuursrecht I, Bachelor 2
Woensdag 16 januari 2013
______________________________________________________________________
De gemeente Noorderwier is een nette en ordelievende plattelandsgemeente. Vandaar
dat in de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) ook bepalingen zijn opgenomen
inzake het organiseren van openbare evenementen. De betreffende bepalingen van de
APV luiden als volgt:
Afdeling 7 Evenementen
Artikel 2:24 Begripsbepaling
1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: een openbare en voor het publiek
toegankelijke verrichting van vermaak.
2. Als evenement wordt in ieder geval beschouwd:
a. een braderie;
b. een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 9 van de Grondwet;
c. een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats;
d. een straatfeest of buurtbarbecue.
Artikel 2:25 Vergunning
1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.
2. De burgemeester kan de vergunning weigeren, indien naar zijn oordeel door het evenement
de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
3. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden, ter bescherming van de in
het tweede lid genoemde belangen.
Artikel 2:26 Ordeverstoring bij evenementen
1. Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.
2. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te
geven tot wanordelijkheden of anderszins wanordelijkheden te veroorzaken.
3. Eenieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en
brandweer in het belang van de openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.
Vragen
Vraag 1
De Dorpsvereniging Noorderwier organiseert al vele jaren een braderie op de
plaatselijke Markt. Ten behoeve van de organisatie van de braderie in het jaar 2013
heeft de dorpsvereniging op 1 september 2012 op grond van artikel 2:25 van de APV
een aanvraag om een evenementvergunning ingediend bij de burgemeester.
a. Vier maanden later heeft de dorpsvereniging nog geen reactie van de burgemeester op
de aanvraag ontvangen. Kwalificeert u het stilzitten van de burgemeester als een
besluit? Zo nee, kan de dorpsvereniging desondanks een bezwaarschrift indienen? (5
punten)
, 2
Antwoord: Artikel 1:3 lid 1 Awb: een besluit is een (1) schriftelijke beslissing van een (2)
bestuursorgaan, inhoudende een (3) rechtshandeling naar (4) publiekrecht. Bij een
uitblijven van een reactie wordt er in het geheel geen beslissing genomen, zodat niet
aan deze omschrijving is voldaan. Het niet tijdig beslissen is dus geen besluit in de zin
van artikel 1:3 lid 1 Awb.
Artikel 6:2 aanhef en onder b Awb bepaalt echter, dat voor de toepassing van wettelijke
voorschriften over bezwaar en beroep worden met een besluit wordt gelijkgesteld: het
niet tijdig nemen van een besluit.
In casu heeft de burgemeester niet binnen de beslistermijn van artikel 4 Awb een besluit
genomen. Dit betekent dat de dorpsvereniging op grond van artikel 6:2 aanhef en onder
b Awb een bezwaarschrift in kan dienen tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
b. Anders dan onder a: Bij brief van 1 oktober 2012 laat de burgemeester de
dorpsvereniging weten dat de aangevraagde evenementenvergunning is geweigerd. Is
deze weigering aan te merken als een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de
Awb? Wat is het verschil tussen een weigering en het niet reageren op een aanvraag
zoals bij vraag a? (5 punten)
Antwoord: Artikel 1:3 lid 1 Awb: een besluit is een (1) schriftelijke beslissing van een (2)
bestuursorgaan, inhoudende een (3) rechtshandeling naar (4) publiekrecht.
De weigering is (1) schriftelijk. De burgemeester is (2) een bestuursorgaan, nl. een
orgaan van de rechtspersoon naar publiekrecht de gemeente Noorderwier.
Strikt genomen is de weigering geen rechtshandeling (3), omdat er geen wijziging wordt
aangebracht in de rechtspositie van de dorpsvereniging (had geen toestemming en
krijgt geen toestemming). Op grond van artikel 1:3 lid 2 Awb wordt echter onder
beschikking mede verstaan de afwijzing van de aanvraag daarvan. De weigering wordt
dus aangemerkt als een rechtshandeling.
Ten slotte is de beslissing van de burgemeester gebaseerd op een publiekrechtelijk
voorschrift (4), te weten artikel 2:25 van de APV. Conclusie: we hebben te maken met
een besluit in de zin van artikel 3:1 lid 1 Awb.
- Het verschil tussen het niet (tijdig) nemen van een besluit en het afwijzen van een
aanvraag is dat het laatste op zich een schriftelijke beslissing is (waarvan de inhoud
door artikel 1:3 lid 2 Awb met een rechtshandeling wordt gelijkgesteld), terwijl er bij het
uitblijven van een besluit in het geheel geen schriftelijke beslissing is (voor het kunnen
instellen van bezwaar en beroep wordt e.e.a. wel door artikel 6:21 Awb als een
beslissing gefingeerd).
Vraag 2
De burgemeester heeft de bevoegdheid tot het verlenen van evenementenvergunningen
gemandateerd aan het hoofd van de Afdeling Algemene Zaken van de gemeente
Noorderwier.
a. De APV bepaalt niets over een dergelijk mandaat. Is het mandaat naar uw oordeel
rechtsgeldig? (5 punten)
Antwoord: Artikel 10:3 Awb. Voor mandaat is geen wettelijke grondslag nodig. Mandaat
is geoorloofd, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de
bevoegdheid zich tegen mandaatverlening verzet (10:3 lid 1 Awb).
In de gevallen genoemd in artikel 10:3 lid 2 en 3 Awb wordt in ieder geval geen
mandaat verleend. Hier doen de uitzonderingen van artikel 10:3 zich niet voor.
Conclusie: de mandaatverlening is rechtsgeldig.
, 3
b. Mag de burgemeester, nu de bevoegdheid vergunningen te verlenen aan het hoofd
van de Afdeling Algemene Zaken is gemandateerd, ook zelf de bevoegdheid blijven
uitoefenen? (3 punten)
Antwoord: Bij mandaat blijft de bevoegdheid van de mandaatgever. Gelet hierop bepaalt
artikel 10:7 Awb dat de burgemeester bevoegd blijft de gemandateerde bevoegdheid
zelf uit te oefenen.
Vraag 3
Anders dan in vraag 1: de evenementenvergunning wordt aan de dorpsvereniging
verleend. Aan de Markt bevinden zich de nodige winkels. De winkeliers stellen
omzetverlies te lijden door de braderie, omdat de klanten niet bij hun winkels kunnen
komen. Zij dienen tegen de verleende evenementenvergunning een bezwaarschrift in.
a. Kunnen de winkeliers worden aangemerkt als belanghebbende? (6 punten)
Antwoord: de winkeliers zijn geen direct-belanghebbende (geadresseerden). De vraag
is of zij derde-belanghebbende zijn in de zin van artikel 1:2 lid 1 Awb.
- In casu gaat het om (1) een eigen belang. De winkeliers komen nl. op voor hun eigen
belang.
- Er is ook sprake van (2) een persoonlijk belang. Zij onderscheiden zich in voldoende
mate van andere winkeliers, aangezien hun winkels zich bevinden aan de Markt, en zij
dus meer worden getroffen dan winkels die zich elders bevinden.
- Het belang – omzetverlies door ontoegankelijkheid van de winkels – is (3) objectief
bepaalbaar.
- Het belang is (4) actueel, nu de vergunning is verleend en de aantasting van hun
belang dreigt.
- Ten slotte is het belang (5) rechtstreeks, aangezien er een causaal verband is tussen
het verlenen van de vergunning en de onbereikbaarheid van de winkels, terwijl de
winkeliers ook niet in een afgeleid, indirect belang worden getroffen; zij staan immers
niet in een contractuele relatie tot de dorpsvereniging.
- Conclusie: de winkeliers zijn aan te merken als belanghebbende.
Stel, de winkeliers maken niet zelf bezwaar, maar vragen de plaatselijke
Middenstandsvereniging op te komen tegen de evenementenvergunning. De
Middenstandsvereniging, waarvan de winkeliers lid zijn, heeft als statutair doel het
behartigen van de zakelijke belangen van de winkeliers in Noorderwier. De
Middenstandsvereniging komt, ten behoeve van de winkeliers, in bezwaar tegen het
verlenen van de vergunning.
b. Is de Middenstandsvereniging als belanghebbende aan te merken? (6 punten)
Antwoord:
- Eerst artikel 1:2 lid 1 Awb toepassen. De vereniging komt op voor een belang, dat (1)
objectief bepaalbaar is (zakelijk belang), (2) actueel is (speelt nu) en (3) rechtstreeks is
(geen indirect, afgeleid belang).
- Voor de vraag of sprake is van een eigen (4) en (5) persoonlijk belang moet aan artikel
1:2 lid 3 worden getoetst.
Artikel 1:2 lid 3 Awb. De vereniging heeft (1) rechtspersoonlijkheid. Zij komt (2)
krachtens haar statuten op voor een collectief belang (het behartigen van de zakelijke
belangen van de winkeliers in Noorderwier), terwijl (3) aangenomen mag worden dat zij
dit belang ook feitelijk behartigt.