SAMENVATTING BIOLOGIE H4 (4havo)
4.1
Eisprong (ovulatie)= Het vrijkomen van een eicel uit de eierstok.
Zaadlozing= Het vrijkomen van sperma, zaadcellen met vocht uit de
zaadblaasjes en de prostaat.
Bevruchting= Het samensmelten van de kern van een zaadcel met de kern van
een eicel.
Zygote= De bevruchte eicel
Bevruchtingsmembraan= Een ondoordringbare laag om de zygote direct
ontstaan na de bevruchting, voorkomt bevruchting door een tweede zaadcel.
Embryo= Het eerste ontwikkeling stadium na de bevruchting.
-Mitose= De verdeling van de twee identieke chromatiden over twee
dochtercellen.
Klievingsdelingen= Een deling waarbij de cellen niet groeien.
Blastula= Beginnend embryonaal stadium een blaasje dat bestaat uit een holte
omgeven door een laag cellen.
Vlokken= Uitstulpingen van de blastula die het baarmoederslijmvlies ingroeien.
Innesteling= Het ingroeien van het embryo in het baarmoederslijmvlies (met
behulp van vlokken).
Placenta= Orgaan waarin tijdens de zwangerschap uitwisseling van stoffen
tussen moeder en kind plaatsvindt.
Navelstreng= Verbinding tussen embryo/foetus en placenta.
Foetus= Stadium na embryo, twee maanden oud, alle organen zijn aangelegd.
Meisjes hebben in hun cellen naast de 44 chromosomen tweemaal een X-
chromosoom. Onder invloed van een Y-chromosoom kan het embryo
uitgroeien tot een jongen. Zonder Y word het altijd een meisje.
puberteit= Periode dat jongens en meisjes zich gaan ontwikkelen tot
volwassenen.
Secundaire geslachtskenmerken= Kenmerken van het geslacht die ontstaan in
de puberteit.
Primaire geslachtskenmerken= Jongen of meisje.
Tertiaire geslachtskenmerken= geestelijke kenmerken, ontstaan bij de
ontwikkeling naar een zelfstandig volwassene.
4.1
Eisprong (ovulatie)= Het vrijkomen van een eicel uit de eierstok.
Zaadlozing= Het vrijkomen van sperma, zaadcellen met vocht uit de
zaadblaasjes en de prostaat.
Bevruchting= Het samensmelten van de kern van een zaadcel met de kern van
een eicel.
Zygote= De bevruchte eicel
Bevruchtingsmembraan= Een ondoordringbare laag om de zygote direct
ontstaan na de bevruchting, voorkomt bevruchting door een tweede zaadcel.
Embryo= Het eerste ontwikkeling stadium na de bevruchting.
-Mitose= De verdeling van de twee identieke chromatiden over twee
dochtercellen.
Klievingsdelingen= Een deling waarbij de cellen niet groeien.
Blastula= Beginnend embryonaal stadium een blaasje dat bestaat uit een holte
omgeven door een laag cellen.
Vlokken= Uitstulpingen van de blastula die het baarmoederslijmvlies ingroeien.
Innesteling= Het ingroeien van het embryo in het baarmoederslijmvlies (met
behulp van vlokken).
Placenta= Orgaan waarin tijdens de zwangerschap uitwisseling van stoffen
tussen moeder en kind plaatsvindt.
Navelstreng= Verbinding tussen embryo/foetus en placenta.
Foetus= Stadium na embryo, twee maanden oud, alle organen zijn aangelegd.
Meisjes hebben in hun cellen naast de 44 chromosomen tweemaal een X-
chromosoom. Onder invloed van een Y-chromosoom kan het embryo
uitgroeien tot een jongen. Zonder Y word het altijd een meisje.
puberteit= Periode dat jongens en meisjes zich gaan ontwikkelen tot
volwassenen.
Secundaire geslachtskenmerken= Kenmerken van het geslacht die ontstaan in
de puberteit.
Primaire geslachtskenmerken= Jongen of meisje.
Tertiaire geslachtskenmerken= geestelijke kenmerken, ontstaan bij de
ontwikkeling naar een zelfstandig volwassene.