Samenvatting biologie ( 4 havo )
H3 Cellen
Organisatieniveaus
Molecuul : H2O , CO2 , C6H12O6
Organel : onderdeel van een cel= celkern, celmembraan
Cel
Weefsel= groep cellen met dezelfde vorm zowel met dezelfde functie
Orgaan: hart, nieren, hand
Orgaanstelsel= aantal organen die samen een functie hebben
Organisme
Populatie= Grond, dieren/planten van dezelfde soort in een bepaald gebied
-voortplanten
Levensgemeenschap= alle populaties in een gebied -vruchtbare
nakomelingen
( biotische factoren)
Ecosysteem= levensgemeenschap + alle abiotische factoren ( regen, wind,
temperatuur, zon)
Levenskenmerken zijn:
Biosfeer= Alle ecosystemen -groei
P.S biotoop: alle abiotische factoren -voortplanting
-stofwisseling
Stofwisseling= het maken en afbreken van de stof -reageren op prikkels
endoplastmatisch reticulum (er) vervoer van stoffen -cellen geven de erfelijke
mitochondriën: verbranding eigenschappen door via het
Golgi-systeem: sorteren van eiwitten erfelijke materiaal (DNA)
Lysosomen: opslag van allerlei stoffen
Ribosomen: maken eiwitten 1 cm = 10 mm =10 000 km
transcriptie= maken van een eiwit 1 km = 10 -6
1 m = 1 000 000 km
, Dierlijke cellen Plantencellen
Celmembraan Celmembraan
cytoplasma Cytoplasma
kern (DNA) Kern
Celwand
Vacuole stevigheid
Bladgroenkorrels (Chloroplasten)
gromoplasten: geel, oranje
(tomaat of citroen)
Amyloplasten: kleurloos ( aardappel)
Start: begin je mee Stop: mee stoppen
DNA : TAC DNA: ATT, ACC, ACT
RNA : AUG RNA: UAA, UAG, AGA
van DNA RNA = transcriptie
RNA eiwit = translatie
gevolg= de eiwit, dus een erfelijke eigenschap
DNA= dubbelstrengs RNA= enkelstrengs
A–T
C–G
bevat als suiker: desoxyribose
MRNA= Messenger RNA (geeft dingen door aan de cel)
In rode bloedcellen zit hemoglobine
het vervoer van O2 ( zuurstof )
hormonen zijn eiwitten
DNA synthese: replicatie
mitose= kerndeling
Spiralisatie=
1) chromosomen worden korter
H3 Cellen
Organisatieniveaus
Molecuul : H2O , CO2 , C6H12O6
Organel : onderdeel van een cel= celkern, celmembraan
Cel
Weefsel= groep cellen met dezelfde vorm zowel met dezelfde functie
Orgaan: hart, nieren, hand
Orgaanstelsel= aantal organen die samen een functie hebben
Organisme
Populatie= Grond, dieren/planten van dezelfde soort in een bepaald gebied
-voortplanten
Levensgemeenschap= alle populaties in een gebied -vruchtbare
nakomelingen
( biotische factoren)
Ecosysteem= levensgemeenschap + alle abiotische factoren ( regen, wind,
temperatuur, zon)
Levenskenmerken zijn:
Biosfeer= Alle ecosystemen -groei
P.S biotoop: alle abiotische factoren -voortplanting
-stofwisseling
Stofwisseling= het maken en afbreken van de stof -reageren op prikkels
endoplastmatisch reticulum (er) vervoer van stoffen -cellen geven de erfelijke
mitochondriën: verbranding eigenschappen door via het
Golgi-systeem: sorteren van eiwitten erfelijke materiaal (DNA)
Lysosomen: opslag van allerlei stoffen
Ribosomen: maken eiwitten 1 cm = 10 mm =10 000 km
transcriptie= maken van een eiwit 1 km = 10 -6
1 m = 1 000 000 km
, Dierlijke cellen Plantencellen
Celmembraan Celmembraan
cytoplasma Cytoplasma
kern (DNA) Kern
Celwand
Vacuole stevigheid
Bladgroenkorrels (Chloroplasten)
gromoplasten: geel, oranje
(tomaat of citroen)
Amyloplasten: kleurloos ( aardappel)
Start: begin je mee Stop: mee stoppen
DNA : TAC DNA: ATT, ACC, ACT
RNA : AUG RNA: UAA, UAG, AGA
van DNA RNA = transcriptie
RNA eiwit = translatie
gevolg= de eiwit, dus een erfelijke eigenschap
DNA= dubbelstrengs RNA= enkelstrengs
A–T
C–G
bevat als suiker: desoxyribose
MRNA= Messenger RNA (geeft dingen door aan de cel)
In rode bloedcellen zit hemoglobine
het vervoer van O2 ( zuurstof )
hormonen zijn eiwitten
DNA synthese: replicatie
mitose= kerndeling
Spiralisatie=
1) chromosomen worden korter