Energie haal je uit zowel koolhydraten en eiwitten
Dissimilatie= daar komt energie vrij vanaf de cellen, het is een stapsgewijze
afbraak van vetten, koolhydraten en eiwitten.
ATP= geven energie af wat nodig is: om spiercellen te laten werken of bij actief
transport van stoffen door de celmembranen.
glycogeen= word gevormd wanneer je lichaam gaat presteren ( bij sporten),
het zit in spier en levercellen.
Ruststofwisseling= levert energie voor processen als ademhaling, hartslag en
vertering van voedsel.
*Koolhydraten, vetten en eiwitten vormen de energie bronnen voor het
lichaam. Glycogeen is een reserve stof in spieren en lever.
Vet zit in het beenmerg rond organen en onder de huid. Van eiwitten heb je
geen voorraad.
*Bij een verantwoord afslankdieet eet je minder koolhydraten en vetten,
maar wel voldoende van alle noodzakelijke voedingsstoffen. De ADH-waarde
geeft aan hoeveel vitamines en mineralen je per dag nodig hebt.
Cellulose= een niet verteerbare stof uit een appel
voedingsvezels=
Monosachariden zijn: glucose, fructose en galactose
disachariden zijn: sacharose ( bijv. suiker) g x f
maltose g x g
lactose g - gal
polysachariden: g x g x g x g x g x g……
zetmeel x oplossing in plant g – d x g x d x g d
cellulose bouwsteen van celwanden
, ( voedingsvezels)
glycogeen: g–g
g–g–g–g–g–g–g–g
|
g
|
g–g
vertakt zetmeel
( opslag in lever en spieren van de mens)
brandstof vetten= lipiden
-
3 vetzuren -
-
Eiwitten ; lange ketting van aminozuren ( 20 verschillende soorten)
-bouwstof
-enzymen met bepaalde vorm
door hoge temperaturen ontstaat vormverandering
Denatureren met zuurstof= aeroob
-dissimilatie
(afbraak) zonder zuurstof= anaeroob
energie komt terug in: warmte, arbeid en licht
ADP + PE + E ATP
DI=2 TRI=3