Onderzoek: Bij alles kunnen verklaren wat en waarom
** zijn extra aantekeningen
1.1 wat is mijn probleemstelling?
Voordat je met een opdrachtgever in zee gaat is het goed om een aantal zaken vast te
stellen:
Wat is precies het probleem: oppassen voor managements- en beleidsvragen.
Hoe groot is het probleem: literatuuronderzoek doen.
Wat is de aanleiding om onderzoek te doen: stel opdrachtgever is meerdere partijen,
dan moeten zij het eens zijn.
Voor wie is het een probleem
Wat zijn de gevolgen
Het doel van het onderzoek formuleer je in de doelstelling = het onderzoek heeft tot doel het
verkrijgen van kennis en inzicht in … bij … om ….
Instrumenteel onderzoek = ontwerpen en testen van instrumenten.
1.3 wat is mijn onderzoeksvraag?
Formuleren onderzoeksvraag:
- Formuleer je voorlopige onderzoeksvraag
- Is er sprake van sub- of deelvragen?
- Is het een vraag?
- Is het een gesloten vraag?
- Alternatieve formuleringen
- Formuleren van een definitieve onderzoeksvraag
** verschil kwantitatief en kwalitatief
! 1.4 wie of wat zijn de onderzoekseenheden?
Eenheden = mensen, groepen, bedrijven, organisaties of situaties waarover je uitspraken
wilt doen. Kenmerken zijn geslacht, waardering die ze krijgen enz.
Respondenten zijn niet noodzakelijk de eenheden, ze kunnen ook informanten zijn.
Populatie = verzameling van alle eenheden.
Externe validiteit = in welke mate kun je de onderzoeksresultaten genereren naar de
beoogde populatie?
! 2.4 wat voor typen onderzoek zijn er? ** kunnen toepassen
Beschrijvend: beschrijven van een bepaald fenomeen, hoe veel, hoe vaak en in welke mate
iets voorkomt. Gegevens kun je categoriseren en weergeven in tabellen en grafieken.
Nauwkeurige beschrijving van kenmerken van de onderzoekseenheden aan de hand van
een vooraf gegeven systematiek, zonder nadere aanduiding van relaties of verklaringen.
Frequentieonderzoeksvraag, bijv. aankoopgedrag van mensen, opbouw Nederlandse
bevolking.
Exploratief: waarom je bepaalde gegevens of verschillen vindt. Doel is het ontwikkelen en
formuleren van een theorie, kijken of er verbanden zijn tussen bepaalde variabelen. Pas op
voor fishing = als je alle mogelijke verbanden exploreert, vindt je altijd wel iets.
** Je bent opzoek naar een nieuwe theorievorming
Toetsend: je toetst een bepaalde theorie. Met een aantal samenhangende uitspraken kun je
je theorie opbouwen, maar deze moeten voldoen aan een aantal voorwaarden:
- Logisch samenhangen en niet onderling strijdig zijn
, - Zo zijn geformuleerd dat er minstens één empirisch toetsbare stelling (hypothese) uit
af te leiden is
- Moeten een verklaringsmechanisme bevatten dat het waarom van de bewering in de
hypothese verklaart.
Hypothese is een bewering die als het ware het sluitstuk van de theorie vormt. Om een
hypothese te kunnen toetsen, beschrijf je altijd twee alternatieven: de nulhypothese (wat je
verwacht als er niets aan de hand is) en de alternatieve hypothese(welk verschil je verwacht)
Vorm van toetsend onderzoek is evaluatieonderzoek: toetsen van hypothesen die
betrekking hebben op de effectiviteit van een interventie. Twee typen.
- Summatief: evalueren of je met de interventie de vooraf vastgestelde doelen hebt
bereikt, vergelijkt groepen of situaties met elkaar.
- Formatief: welke factoren maken de interventie al dan niet succesvol. Evalueren of
het aan de verwachtingen voldoet en of er nog verbeterpunten zijn.
2.5 kies je een experimenteel dan wel een surveyonderzoeksontwerp? ** verschil
Experimenteel = er is sprake van een interventie, er verandert iets in de onderzoeksgroep,
je stelt de onderzochte personen bijvoorbeeld bloot aan bepaalde informatie of je verandert
hun situatie.
Survey = je grijpt als onderzoeker niet in, maar beperkt je tot het verzamelen van gegevens
bij een groot aantal mensen. Keuze onderzoeksontwerp hangt af van de vraagstelling van
het onderzoek en ook van het type onderzoek dat je wilt uitvoeren.
Onderzoek is intern valide als het resultaat de juiste weergave is van de werkelijkheid.
Externe validiteit heeft te maken met de generaliseerbaarheid van de resultaten.
Het level of evidence heeft alles te maken met het vermogen van een ontwerp om een
causale relatie aan te kunnen tonen.
2.6 wat is surveyonderzoek? **hoofdlijnen
Het doel is vooral het verzamelen van informatie over onderzoekseenheden.
Surveyonderzoek kun je uitvoeren door zowel vragen te stellen als door te observeren.
Survey is een onderzoeksdesign, geen vorm van dataverzameling, benadert relatief veel
personen voor deelname, je legt van te voren in een vragenlijst of observatieschema vast
wat je precies vraagt of observeert.
- Eenmalig surveyonderzoek: één meting op één bepaald moment =
momentopname. Om toch een beeld te krijgen eenmalige metingen bij
verschillende groepen mensen.
- Longitudinaal surveyonderzoek: metingen op verschillende tijdstippen. Twee
vormen: panel- of cohortonderzoek en trendonderzoek.
- Panel- of cohortonderzoek: vaststaande groep mensen en op verschillende
tijdstippen metingen bij deze mensen. Panelonderzoek: vaste groep mensen op
verschillende tijdstippen. Cohortonderzoek: leggen van relaties tussen enerzijds
kenmerken die op een bepaald tijdstip bij de cohortleden aanwezig zijn en anderzijds
de gezondheidstoestand een aantal jaren later. Nadelen: hoge kosten,
organisatorisch veel werk, veel respondenten nodig, tussen verschillende
meetmomenten kunnen mensen afvallen = loss-to-follow-up.
- Trendonderzoek: metingen op verschillende tijdstippen, maar dan bij iedere
opeenvolgende meting bij andere mensen uit dezelfde populatie.
Prospectief onderzoek volg je ontwikkelingen in de tijd, toekomst gericht. Verleden gericht is
retrospectief onderzoek.
, Beperkingen surveyonderzoek: slechts beperkt de mogelijkheid om te controleren of bij een
geconstateerde samenhang andere storende factoren een rol spelen. Dit komt doordat
alleen gegevens verzameld worden en de onderzoekseenheden niet blootgesteld worden
aan een interventie.
! 3.2 wat zijn aselecte en selecte steekproeven?
Aselecte: alle eenheden hebben een gelijke of bekende kans om in de steekproef terecht te
komen. Volstrekt willekeurige trekking, kanssteekproef, inferentiële of inductieve statistiek =
analyseren in hoeverre resultaten die je vindt op basis van onderzoek met een steekproef,
met een zekere foutenmarge, ook gelden voor de gehele onderzoekspopulatie waaruit de
steekproef is getrokken.
Steekproefkader :bestand of lijst waaruit je aselect een steekproef kunt trekken.
Bij random digit dialing genereert de computer zelf telefoonnummers, zowel bestaande als
niet-bestaande. Voordeel: 06-nummers en geheime nummers ook, nadeel: veel nummers
van bedrijven ook gebeld.
Postafgiftebestand : alle postadressen om respondenten aselect te selecteren, erg divers.
Vormen:
Enkelvoudige aselecte steekproef: je trekt uit het steekproefkader op basis van
toeval (random) het benodigde aantal steekproefelementen. Lotterijmethode,
steekproef met teruglegging.
Gestratificeerde aselecte steekproef: twee stappen: 1. Je deelt de populatie op in
twee deelpopulaties (strata). 2. je trekt uit deze twee strata een enkelvoudige
aselecte steekproef. Deze twee afzonderlijke vormen dan samen de gestratificeerde.
Getrapte steekproef: meetrapssteekproef. Je trekt steekproef uit steekproef.
Selecte niet kanssteekproef: eenheden hebben een ongelijke of onbekende kans om in de
steekproef terecht te komen. Inferentiële statische technieken.
Manieren van het trekken van selecte steekproef:
1. !!! Gelegenheids- of gemakssteekproef: de eersten die je tegenkomt enquêteren,
interviewen of observeren. Het is willekeurig wie de vragenlijst ziet en invult.
2. Quotasteekproef: populatie verdeelt in aantal deelpopulaties. Van te voren wordt
een quotum per deelpopulatie vastgesteld, bijvoorbeeld 50 mannen en 50 vrouwen.
Als hij het quotum heeft gehaald, stopt hij met het aanspreken van deze groep.
Nadeel: willekeurig, tijdstip en plaats hebben invloed op het type mensen dat
meedoet in je onderzoek.
3. Doelgerichte steekproef (o.a. onlinepanels): je kiest je steekproefeenheden
bewust uit. De onderzoeksvraag bepaald de keuze. Je wilt bijvoorbeeld alleen de
mensen horen die negatief zijn over het onderwerp. Of juist andersom.
Panels: deze stellen bewust de populatie samen waar je iets over wilt zeggen , dit is
dus erg doelgericht. Voordelen: doelgericht, je kan respondenten voor een langere
tijd volgen, je kan snel een vragenlijst uitzetten en het is goedkoop. Nadeel:
respondenten voeren snel zonder nadenken enquete in of ze zijn ervaren dus ook
snel. Er zijnVerschillende soorten panels:
Individueel niveau en niveau van huishoudens of bedrijven
Gesloten en open panels: open = men kan zich aanmelden
Generieke en doelgroeppanels: doelgroep richten zich op een specifieke groep,
generieke richten zich meer op bijv. de mening van de Nederlandse bevolking.
Meer dan honderdduizend leden en minder dan duizend leden
Wel en niet betaalde panels
** zijn extra aantekeningen
1.1 wat is mijn probleemstelling?
Voordat je met een opdrachtgever in zee gaat is het goed om een aantal zaken vast te
stellen:
Wat is precies het probleem: oppassen voor managements- en beleidsvragen.
Hoe groot is het probleem: literatuuronderzoek doen.
Wat is de aanleiding om onderzoek te doen: stel opdrachtgever is meerdere partijen,
dan moeten zij het eens zijn.
Voor wie is het een probleem
Wat zijn de gevolgen
Het doel van het onderzoek formuleer je in de doelstelling = het onderzoek heeft tot doel het
verkrijgen van kennis en inzicht in … bij … om ….
Instrumenteel onderzoek = ontwerpen en testen van instrumenten.
1.3 wat is mijn onderzoeksvraag?
Formuleren onderzoeksvraag:
- Formuleer je voorlopige onderzoeksvraag
- Is er sprake van sub- of deelvragen?
- Is het een vraag?
- Is het een gesloten vraag?
- Alternatieve formuleringen
- Formuleren van een definitieve onderzoeksvraag
** verschil kwantitatief en kwalitatief
! 1.4 wie of wat zijn de onderzoekseenheden?
Eenheden = mensen, groepen, bedrijven, organisaties of situaties waarover je uitspraken
wilt doen. Kenmerken zijn geslacht, waardering die ze krijgen enz.
Respondenten zijn niet noodzakelijk de eenheden, ze kunnen ook informanten zijn.
Populatie = verzameling van alle eenheden.
Externe validiteit = in welke mate kun je de onderzoeksresultaten genereren naar de
beoogde populatie?
! 2.4 wat voor typen onderzoek zijn er? ** kunnen toepassen
Beschrijvend: beschrijven van een bepaald fenomeen, hoe veel, hoe vaak en in welke mate
iets voorkomt. Gegevens kun je categoriseren en weergeven in tabellen en grafieken.
Nauwkeurige beschrijving van kenmerken van de onderzoekseenheden aan de hand van
een vooraf gegeven systematiek, zonder nadere aanduiding van relaties of verklaringen.
Frequentieonderzoeksvraag, bijv. aankoopgedrag van mensen, opbouw Nederlandse
bevolking.
Exploratief: waarom je bepaalde gegevens of verschillen vindt. Doel is het ontwikkelen en
formuleren van een theorie, kijken of er verbanden zijn tussen bepaalde variabelen. Pas op
voor fishing = als je alle mogelijke verbanden exploreert, vindt je altijd wel iets.
** Je bent opzoek naar een nieuwe theorievorming
Toetsend: je toetst een bepaalde theorie. Met een aantal samenhangende uitspraken kun je
je theorie opbouwen, maar deze moeten voldoen aan een aantal voorwaarden:
- Logisch samenhangen en niet onderling strijdig zijn
, - Zo zijn geformuleerd dat er minstens één empirisch toetsbare stelling (hypothese) uit
af te leiden is
- Moeten een verklaringsmechanisme bevatten dat het waarom van de bewering in de
hypothese verklaart.
Hypothese is een bewering die als het ware het sluitstuk van de theorie vormt. Om een
hypothese te kunnen toetsen, beschrijf je altijd twee alternatieven: de nulhypothese (wat je
verwacht als er niets aan de hand is) en de alternatieve hypothese(welk verschil je verwacht)
Vorm van toetsend onderzoek is evaluatieonderzoek: toetsen van hypothesen die
betrekking hebben op de effectiviteit van een interventie. Twee typen.
- Summatief: evalueren of je met de interventie de vooraf vastgestelde doelen hebt
bereikt, vergelijkt groepen of situaties met elkaar.
- Formatief: welke factoren maken de interventie al dan niet succesvol. Evalueren of
het aan de verwachtingen voldoet en of er nog verbeterpunten zijn.
2.5 kies je een experimenteel dan wel een surveyonderzoeksontwerp? ** verschil
Experimenteel = er is sprake van een interventie, er verandert iets in de onderzoeksgroep,
je stelt de onderzochte personen bijvoorbeeld bloot aan bepaalde informatie of je verandert
hun situatie.
Survey = je grijpt als onderzoeker niet in, maar beperkt je tot het verzamelen van gegevens
bij een groot aantal mensen. Keuze onderzoeksontwerp hangt af van de vraagstelling van
het onderzoek en ook van het type onderzoek dat je wilt uitvoeren.
Onderzoek is intern valide als het resultaat de juiste weergave is van de werkelijkheid.
Externe validiteit heeft te maken met de generaliseerbaarheid van de resultaten.
Het level of evidence heeft alles te maken met het vermogen van een ontwerp om een
causale relatie aan te kunnen tonen.
2.6 wat is surveyonderzoek? **hoofdlijnen
Het doel is vooral het verzamelen van informatie over onderzoekseenheden.
Surveyonderzoek kun je uitvoeren door zowel vragen te stellen als door te observeren.
Survey is een onderzoeksdesign, geen vorm van dataverzameling, benadert relatief veel
personen voor deelname, je legt van te voren in een vragenlijst of observatieschema vast
wat je precies vraagt of observeert.
- Eenmalig surveyonderzoek: één meting op één bepaald moment =
momentopname. Om toch een beeld te krijgen eenmalige metingen bij
verschillende groepen mensen.
- Longitudinaal surveyonderzoek: metingen op verschillende tijdstippen. Twee
vormen: panel- of cohortonderzoek en trendonderzoek.
- Panel- of cohortonderzoek: vaststaande groep mensen en op verschillende
tijdstippen metingen bij deze mensen. Panelonderzoek: vaste groep mensen op
verschillende tijdstippen. Cohortonderzoek: leggen van relaties tussen enerzijds
kenmerken die op een bepaald tijdstip bij de cohortleden aanwezig zijn en anderzijds
de gezondheidstoestand een aantal jaren later. Nadelen: hoge kosten,
organisatorisch veel werk, veel respondenten nodig, tussen verschillende
meetmomenten kunnen mensen afvallen = loss-to-follow-up.
- Trendonderzoek: metingen op verschillende tijdstippen, maar dan bij iedere
opeenvolgende meting bij andere mensen uit dezelfde populatie.
Prospectief onderzoek volg je ontwikkelingen in de tijd, toekomst gericht. Verleden gericht is
retrospectief onderzoek.
, Beperkingen surveyonderzoek: slechts beperkt de mogelijkheid om te controleren of bij een
geconstateerde samenhang andere storende factoren een rol spelen. Dit komt doordat
alleen gegevens verzameld worden en de onderzoekseenheden niet blootgesteld worden
aan een interventie.
! 3.2 wat zijn aselecte en selecte steekproeven?
Aselecte: alle eenheden hebben een gelijke of bekende kans om in de steekproef terecht te
komen. Volstrekt willekeurige trekking, kanssteekproef, inferentiële of inductieve statistiek =
analyseren in hoeverre resultaten die je vindt op basis van onderzoek met een steekproef,
met een zekere foutenmarge, ook gelden voor de gehele onderzoekspopulatie waaruit de
steekproef is getrokken.
Steekproefkader :bestand of lijst waaruit je aselect een steekproef kunt trekken.
Bij random digit dialing genereert de computer zelf telefoonnummers, zowel bestaande als
niet-bestaande. Voordeel: 06-nummers en geheime nummers ook, nadeel: veel nummers
van bedrijven ook gebeld.
Postafgiftebestand : alle postadressen om respondenten aselect te selecteren, erg divers.
Vormen:
Enkelvoudige aselecte steekproef: je trekt uit het steekproefkader op basis van
toeval (random) het benodigde aantal steekproefelementen. Lotterijmethode,
steekproef met teruglegging.
Gestratificeerde aselecte steekproef: twee stappen: 1. Je deelt de populatie op in
twee deelpopulaties (strata). 2. je trekt uit deze twee strata een enkelvoudige
aselecte steekproef. Deze twee afzonderlijke vormen dan samen de gestratificeerde.
Getrapte steekproef: meetrapssteekproef. Je trekt steekproef uit steekproef.
Selecte niet kanssteekproef: eenheden hebben een ongelijke of onbekende kans om in de
steekproef terecht te komen. Inferentiële statische technieken.
Manieren van het trekken van selecte steekproef:
1. !!! Gelegenheids- of gemakssteekproef: de eersten die je tegenkomt enquêteren,
interviewen of observeren. Het is willekeurig wie de vragenlijst ziet en invult.
2. Quotasteekproef: populatie verdeelt in aantal deelpopulaties. Van te voren wordt
een quotum per deelpopulatie vastgesteld, bijvoorbeeld 50 mannen en 50 vrouwen.
Als hij het quotum heeft gehaald, stopt hij met het aanspreken van deze groep.
Nadeel: willekeurig, tijdstip en plaats hebben invloed op het type mensen dat
meedoet in je onderzoek.
3. Doelgerichte steekproef (o.a. onlinepanels): je kiest je steekproefeenheden
bewust uit. De onderzoeksvraag bepaald de keuze. Je wilt bijvoorbeeld alleen de
mensen horen die negatief zijn over het onderwerp. Of juist andersom.
Panels: deze stellen bewust de populatie samen waar je iets over wilt zeggen , dit is
dus erg doelgericht. Voordelen: doelgericht, je kan respondenten voor een langere
tijd volgen, je kan snel een vragenlijst uitzetten en het is goedkoop. Nadeel:
respondenten voeren snel zonder nadenken enquete in of ze zijn ervaren dus ook
snel. Er zijnVerschillende soorten panels:
Individueel niveau en niveau van huishoudens of bedrijven
Gesloten en open panels: open = men kan zich aanmelden
Generieke en doelgroeppanels: doelgroep richten zich op een specifieke groep,
generieke richten zich meer op bijv. de mening van de Nederlandse bevolking.
Meer dan honderdduizend leden en minder dan duizend leden
Wel en niet betaalde panels