Hs 1
1.1
Eigenschappen waarop onderzoekers zich van niet-onderzoekers onderscheiden:
Houding: Jou persoonlijke voorkeuren mogen geen rol spelen in het onderzoek. Je streeft naar
openheid van je onderzoek en staat open voor commentaar. Je legt verantwoording af over je
resultaten. Als jou onderzoek door iemand anders zijn onderzoek wordt tegengesproken, is jou
onderzoek niet minder van kwaliteit, maar het is ‘weerlegd’. Jou onderzoek kan de eerste zijn in een
reeks wetenschappelijke analyses. Zo ontstaat er een onderzoeksontwikkeling. Deze
‘wetenschappelijke houding’ is van belang omdat je onderzoeksresultaten hiermee veel sterker
komen te staan.
Kennis: dit blijft een belangrijk onderdeel van het verrichten van onderzoek. Behalve kennis van
methoden moet je ook kennis hebben over het onderwerp van je onderzoek. Deze kennis kun je
echter maar per keer op kunt doen of opfrissen. Kennis van methoden is constant, je moet altijd
weten welke onderzoeksmethoden er zijn, en welke criteria deze hebben en wat de voor en nadelen
van het toepassen van bepaalde methoden zijn.
Vaardigheid: naast het opdoen van kennis over de opzet en inrichting van een onderzoek krijg je
vaardigheid in het doen van onderzoek door er actief mee bezig te zijn. Hierbij kun je gebruik maken
van een voorbeeld of een casus.
1.2
Je kunt onderscheidt maken tussen fundamenteel en praktijkgericht onderzoek, kwalitatief en
kwantitatief onderzoek, inductie of deductie.
Er zijn ook verschillende stromingen/paradigma.
Er kan onderscheid gemaakt worden tussen twee ‘hoofdtypen’ van onderzoek, praktijkgericht
onderzoek en fundamenteel onderzoek. Bij fundamenteel onderzoek zal je meestal vragen
beantwoorden die niet primair gericht zijn op toepassing in de praktijk, oftewel een kennisvraag. Bij
praktijkgericht onderzoek houd je je meestal wel bezig met het oplossen van problemen uit de
praktijk, een praktijkvraag.
Kennisvraag: is een vraag over een wetenschappelijke theorie die met behulp van fundamenteel
onderzoek wordt beantwoord. Fundamenteel onderzoek is vaker wetenschappelijk relevant.
Praktijkvraag: is afkomstig uit de dagelijkse praktijk, uit de samenleving. Praktijkgericht onderzoek
heeft daardoor vaak een hogere maatschappelijke relevantie.
Het onderscheid tussen kwalitatief en kwantitatief onderzoek wordt belangrijk als je moet kiezen
welke methode van onderzoek je gaat gebruiken. De keuze is afhankelijk van de probleemstelling van
het onderzoek.
Kwantitatief: hierbij wordt gebruik gemaakt van cijfermatige informatie, gegevens in cijfers over
objecten, organisaties en personen. Vervolgens worden er statistische technieken gebruikt om een
beschrijving van de resultaten weer te geven en om verwachtingen over de resultaten te toetsen.
Statistische technieken zijn de instrumenten van de kwantitatieve methoden. De onderzoeker neemt
afstand van kenmerken van objecten of eenheden van onderzoek door deze kenmerken een nummer
,toe te kennen en ze zo in een bepaalde volgorde te zetten. Sommigen vinden kwantitatieve
methoden het beste omdat ze uitgaan van het principe ‘meten is weten’.
Kwalitatief: de onderzoeker voert het onderzoek ‘in de werkelijkheid’ uit. Hij/zij is geïnteresseerd in
de betekenis die onderzochte personen zelf aan situaties geven. Zo worden onderzoekseenheden
(onderzochte personen) in de omgeving als geheel onderzocht. Een ervaring moet als onderdeel van
het geheel van de belevingswereld van personen worden gezien, niet als een opzichzelfstaand feit.
Het verzamelen van gegevens is open en flexibel, er kan worden ingesprongen op onverwachte
situaties. De gegevens worden niet numeriek opgemaakt, maar in alledaagse taal verwerkt.
Kwalitatieve onderzoeksresultaten worden door sommigen als minder betrouwbaar en precies
gezien. Kwalitatieve onderzoekers zijn echter van mening dat cijfers niet voldoende diepgang bieden,
omdat numerieke gegevens het verhaal achter de cijfers niet vertellen. Kwalitatieve onderzoekers
willen daarom dat er ook naar de verhalen van mensen wordt geluisterd.
Bij kwantitatief onderzoek worden er veel gegevens van enkele personen verzameld, en bij
kwalitatief onderzoek relatief weinig gegevens bij een grote groep mensen. De nadruk bij
kwantitatief onderzoek ligt op betekenisverlening en context, terwijl het bij kwalitatief onderzoek
gaat om het meetbaar maken van verschijnselen en om generalisatie.
Triangulatie: het combineren van kwalitatieve en kwantitatieve dataverzamelingsmethoden om één
probleemstelling te beantwoorden. Zo wordt het probleem vanuit meerdere invalshoeken belicht.
Inductief: onderzoek waarbij thema’s of theorieën van tevoren niet bekend zijn. Het doel van de
onderzoeker is om gaandeweg deze theorie te ontwikkelen. De onderzoeker is op zoek naar
‘empirische regelmatigheden’. Inductieve methoden worden vaak gebruikt bij kwalitatief onderzoek
waarbij ze werken vanuit het ‘bijzondere’ naar het ‘algemene’. Theorievormend.
Iteratie: is bij het inductief onderzoek een leidend principe want het leidt tot een hogere kwaliteit
van resultaten.
Deductief: hierbij formuleert de onderzoeker verwachtingen aan de hand van (bestaande) theorieën
en modellen. Hij verzameld en analyseert gegevens om zo na te gaan of deze theorieën
standhouden. -> je toetst of jou model geldig is voor de door jou verzamelde gegevens. Dit
uitgangspunt wordt vaak gebruikt bij kwantitatief onderzoek. Theorietoetsend.
Inductief en deductief vullen elkaar dus aan; je ontwikkelt een theorie op inductieve wijze, om
vervolgens met behulp van deductie na te gaan of de theorie waar is.
Exploratieve hypothese: Op basis van kennis en expertise hebben onderzoekers bepaalde
verwachtingen over de uitkomsten van hun onderzoek, maar die is niet op een model of theorie
gebaseerd. Deze hypothesen worden op kwalitatieve wijze getoetst.
1.5
Tijdens je onderzoek kom je een aantal keuzemomenten tegen. Onderzoek geeft een vaste structuur,
kent een aantal zogeheten ‘onderzoeksfasen’. Aan het einde van de reeks fasen doet zich vaak de
situatie voor dat niet alleen de vraag voor het onderzoek wordt beantwoord, maar dat ook veel
nieuwe onderzoeksvragen ontstaan, die bij een volgende onderzoeksgelegenheid weer beantwoord
worden.
, 1.6
Praktijkonderzoek kan uit de volgende fasen bestaan:
1. Probleemanalyse
Het belangrijkste doel in deze fase is dat je een goede afbakening van je doel en
probleemstelling bereikt. Anders loop je het risico dat je onderzoek alle kanten uit gaat en
geen heldere en bruikbare conclusies meer kunt trekken. Bij praktijkonderzoek houd je
rekening met de opdrachtgevers. Misschien hebben hun al wel een probleemstelling etc.
liggen. Toch is het vaak nodig om het probleem nader af te bakenen en werkbaar te maken.
Je kunt een vooronderzoek starten bijv.
2. Onderzoeksontwerp
Vervolgens maak je een ontwerp waarin je aangeeft hoe je de onderzoeksvraag gaat
beantwoorden etc. Ook laat je zien welke onderzoeksinstrumenten je inzet. Ten slotte geef je
aan hoe je de gegevens gaat analyseren, en welke methode je daarbij gebruikt.
3. Dataverzameling
Na het vaststellen van het ontwerp ga je het onderzoek uitvoeren. Je gaat de gegevens
verzamelen die je nodig hebt om een antwoord te krijgen op de onderzoeksvraag te geven.
Daarvoor zijn vele strategieën te bedenken, afhankelijk van het aantal eenheden dat je
onderzoekt, de aard van je onderzoeksvraag, de beschikbare tijd en onderzoeksgelden.
4. Data-analyse
Vervolgens analyseer je de verzamelde gegevens. Net als in fase 2 en 3 kan hier, afhankelijk
van de gegevens, voor vele verschillende analysemethoden worden gekozen, kwantitatief of
kwalitatief.
5. Rapportage
Tijdens deze fase kijk je nog eens helemaal terug naar wat je allemaal hebt onderzocht.
Vervolgens schrijf je je verslag. Naast het achteraf terugkijken op je onderzoek is het ook
belangrijk om tussentijds stil te staan bij het verloop van je onderzoek. Soms moet je dingen
aanpassen. Het resultaat van je onderzoek is immers zo belangrijk, omdat de organisatie
waarvoor je het onderzoek doet, met de resultaten verder moet kunnen. Meestal is het
onderzoek met de rapportage en de presentatie van de resultaten ten einde. Soms kun je
echter op basis van de onderzoeksresultaten een vervolgonderzoek starten. Dat kan
gebeuren als er vragen blijven liggen die met behulp van nieuw onderzoek kunnen worden
beantwoord.
Belangrijke begrippen in het kort:
Eenheden: alle elementen, personen, objecten waarover je in je onderzoek uitspraken doet.
Fundamenteel onderzoek: onderzoek dat kennisvragen beantwoordt.
Praktijkgericht onderzoek: onderzoek dat praktijkvragen beantwoordt.
Kwantitatief: onderzoek met behulp van cijfermatige gegevens.