Nederlands als tweede taal, 2014
Kuiken en Vermeer
Hoofdstuk 5
Geschreven taal speelt een grote rol in alle vakken in het basisonderwijs en heeft een aantal
specifieke kenmerken die afwijken van alledaagse spreektaal.
Verschillende stadia in het leerproces:
1. Ontluikende geletterdheid
De eerste periode waar een kind nog niet zelfstandig kan lezen. Het kind leert dat er verhalen staan
in boekjes, het goed vasthouden van een boek, tekens in de omgeving herkennen, tekenen en
krabbelen, herkent letters van de eigen naam, leert omgaan met potlood en papier en begint te
ontdekken waar mensen geschreven taal voor gebruiken.
Top-down: De kinderen zijn gericht op de betekenis, op het grote geheel en leren van daaruit lezen.
Kinderen maken kennis met diverse aspecten van geschreven taal.
Fonemisch bewustzijn: Het leren herkennen en schrijven van letters of het leren onderscheiden van
klanken in woorden.
Kinderen moeten een basiswoordenschat bezitten om actief mee te kunnen doen in de klas.
Regelmatig voorlezen is van grote invloed op de taalontwikkeling en leesontwikkeling. De kinderen:
- Leren veel nieuwe woorden
- Leren taalgebruik dat typerend is voor boekjes
- Maken volop kennis met aard en conventies van geschreven taal
- Leren dat geschreven taal ergens naar verwijst
2. Aanvankelijk lezen
Begint bij aanvang van groep 3. Kinderen gaan de taal ontcijferen. Ze leren een relatie leggen tussen
gesproken en gedrukte woorden, tussen letters en klanken.
Kinderen leren het alfabetisch principe.
Bottom-up: Kinderen leren eerst de letters en gaan van daaruit naar de betekenis.
Deze periode wordt gebruikt waarin leerlingen het schriftsysteem leren beheersen.
3. Automatisering van de leesvaardigheid
Het kind oefent de leesvaardigheid tot het een groot aantal woorden op het eerst gezicht herkent.
Het kind leert eenvoudige verhalen en teksten steeds vloeiender lezen, herkent woordbeelden van
veelvoorkomende woorden. Het leert de spellingsregels te herkennen en gebruik te maken van
frequente spellingpatronen of bouwstenen van woorden.
Er wordt zowel hardop als stil gelezen met teksten waar worden en grammaticale structuren
vertrouwd zijn.
4. (voortgezet) Lezen als informatieverwerking
‘’Lezen om iets nieuws te leren.’’
Het lezen kan gebruikt worden voor alles en nog wat. Gedurende een groot gedeelte van de
bovenbouw van het basisonderwijs doen de kinderen op alle mogelijke manieren nieuwe informatie
op via geschreven taal.
Er wordt bij voorkeur stil gelezen.
,Bij mondelinge communicatie zijn doorgaans zender en ontvanger bij elkaar. De ontvanger hoort en
ziet wat de spreker zegt, en ziet eventueel ook waar die naar wijst.
Geschreven taal heeft twee kenmerken die het (leren) lezen extra lastig maken voor
tweedetaalleerders.
1. Het soort tal dat gebruikt wordt op papier
Bij geschreven taal is het niet noodzakelijk dat de schrijver en de lezer op dezelfde tijd op dezelfde
plaats aanwezig zijn.
Het taalgebruik in teksten is gedecontextualiseerd. Er is alleen de talige context.
2. De code, schrifttekens die ergens naar verwijzen
Om de tekst te begrijpen, moet je de taal kennen. De eenheden van de geschreven taal verwijzen
naar eenheden uit de gesproken taal.
Schrifttekens representeren bepaalde eenheden uit gesproken taal.
In het Nederlands verwijst elk letterteken naar een afzonderlijke klank uit de gesproken taal.
Leren lezen gaat over het leren herkennen, interpreteren, gebruiken en waarderen van een specifiek
soort informatie. Het gaat om een nieuwe code, schriftcode, die ontcijferd moet worden. Er is kennis
nodig van de taal van de schriftcode waar de gesproken taal van afleidt.
Lezen als doel: Eerst is er taal nodig om te leren lezen.
Lezen als middel: Leesvaardigheid wordt ingezet om nieuwe dingen te leren.
Als leerkracht zijn een aantal dingen belangrijk als tweedetaalleerders leren lezen:
De kinderen moeten de betekenis van alle kernwoorden goed kennen.
De kinderen moeten de klanken van het Nederlands goed uit elkaar kunnen houden.
De woordenschat moet belangrijk blijven, naast dat de kinderen steeds meer nieuwe
woorden leren en gaan automatiseren.
Een afwijkende uitspraak, hoeft geen leesfout te zijn. De uitspraak van het woord moet niet
beoordeeld worden als een leesfout, maar als een uitspraakfout.
De leesvaardigheid van tweedetaalleerders wordt natuurlijk niet alleen beïnvloed door hun
beheersing van woordenschat en klanken, maar ook door andere aspecten van de taal, zoals
woordvorming en zinsbouw. Kennis van zinsbouw is belangrijk omdat de betekenis van een zin meer
is dan de betekenis van de afzonderlijke woorden.
Vragen die een leerkracht bij een tekst kan stellen gaan over:
1. De setting: Waar, wanneer
2. De personages: Wie
3. De episodes, de gebeurtenissen in het verhaal: Wat, hoe
4. De relaties tussen episodes en tussen zinnen: Waarom
De relatie tussen zinnen en episodes maken dat een tekst geen verzameling losse zinnen blijft zoals
vaak bij een dictee.
, Verwijswoorden: Woorden die zinnen op en korte en soepele manier aan elkaar rijgen.
Verbindingswoorden: Er wordt een verband gelegd tussen betekenis van de voorgaande zin en de
huidige zin.
Signaalwoorden: Woorden die op een globaler niveau van de tekst structuur aanbrengen.
Implicaties: Relaties tussen de verschillende episodes in het verhaal zijn pas te begrijpen als de lezer
zelf de informatie toevoegt die niet met zoveel woorden in de tekst staat.
Bovengenoemde woorden en implicaties maken het lezen en begrijpen van geschreven teksten extra
lastig voor kinderen die het Nederlands nog aan het leren zijn.
Om een tekst goed te kunnen lezen, heeft een lezer meer nodig dan alleen technische
leesvaardigheid.
Grafische informatie: De letters op papier
Kennis van de taal
De context: Wat de lezer al weet uit het voorgaande
Kennis van de wereld
Lezen is een vorm van informatieverwerking waarbij en lezer zo efficiënt mogelijk gebruik maakt van
zowel informatie op papier als de informatie die al in zijn hoofd zit.
Onvoorbereid lezen is niet efficiënt. Een eenvoudige manier en doeltreffende manier is een
driedeling maken in de les:
1. Vóór het lezen moeten de leerlingen worden voorbereid op het lezen van de tekst.
2. Tijdens het lezen moet de leerkracht het leerproces zo veel mogelijk volgen.
3. Na het lezen moet de leerkracht nagaan of de kinderen de informatie in de tekst goed
begrepen hen verwerkt hebben.
Leesstrategieën:
Oriënterend lezen
Plannen
Extensief of globaal lezen
Intensief of studerend lezen
Evalueren
Het is belangrijk om feedback te geven, uit te leggen wat de lezer goed gezien heeft en wat de
lezer over het hoofd gezien of niet begrepen heeft.
Fouten die typerend zijn voor T2-leerders:
Het weglaten of verkeerd gebruiken van lidwoorden
Niet precies weten hoe een woord in elkaar zit
Verkeerd gebruiken van verbindingswoorden
Weglaten van een persoonlijk voornaamwoord
Woorden op een andere plaats in de zin zetten dan in het Nederlands hoort