H8
Banklening: de bank bepaald de kredietwaardigheid van de onderneming. Is een
onderhandse lening.
Obligatieleningen:
- is verdeeld in een groot aantal schuldbekentenissen, in ronde
bedragen.
- Deze schuldbekentenissen worden obligaties genoemd
- Vaste couponrente
- Vooraf gestelde looptijd
Converteerbare obligatie: Geven de houder het recht gedurende een
bepaalde periode tegen vooraf vastgestelde voorwaarde de obligatie om te
wisselen in aandelen = Van tijdelijk naar permanent vermogen.
Notes: een gesplitste lening die vanwege de grote omvang van de afzonderlijke
delen, slechts bij grote ondernemingen en grote geldgevers voorkomt.
Voorziening: toekomstige verplichtingen, waarvan het tijdstip of hoe veelheid
nog niet bekend is. De voorziening word gevormd ten laste van de winst in de
huidige periode en word tot het vreemd vermogen gerekend. Dit is handig om op
de balans te zetten zodat je weet wat je mogelijk toekomstige verplichtingen zijn.
De hoogte van de rente hangt af van:
- Marktrente en looptijd
- Risico voor de geldgever
- Rangorde van de gelgevers
- Verhandelbaarheid van de schuld
Kostenvoet = jaar deel korting x prijs voor gebruik leverancierskrediet.
1. Jaardeelkorting: 365 / (betalingstermijn – betalingskorting de dagen)
( maanden = / 12 )
2. Prijs gebruik leverancierskrediet: korting / (factuurbedrag – korting)
3. Kostenvoet uitrekenen Antwoord (1 x 2) x 100
Afnemerskrediet: krediet dat door de afnemer aan de leverancier word
verstrekt indien de betaling aan de levering van goeder vooraf word gedaan.
Krediettermijn: termijn waarbinnen een beschikbaar gesteld krediet moet
worden afgelost
Leverancierskrediet: krediet dat door de leverancier aan de afnemer word
verstrekt indien er na de levering pas betaald word.
,H9
Je kunt de financiële situatie van een bedrijf beoordelen door de
rentabiliteitkengetallen, solvabiliteitkengetallen en de liquiditeitskengetallen.
Als je de liquiditeit van een onderneming wilt berekenen moet je de Current
ratio, Quick ratio en het netto werk kapitaal berekenen.
Solvabiliteit: mate waarin de onderneming in geval van liquidatie aan zijn
financiële verplichtingen aan vreemd vermogen verschaffers kan doen. Als je de
solvabiliteit uit wilt rekenen moet je het Debt ratio berekenen.
Elasticiteit: de mate waarin de vermogensstructuur kan worden aangepast aan
een veranderende vermogensbehoefte.
Weerstandvermogen: het vermogen van een onderneming om ook in
ongunstige tijden haar activiteiten te kunnen voortzetten.
Dynamische liquiditeit: Mate waarin de binnen komen geldstroom de
uitgaande geldstroom overtreft. (liquiditeitsbegroting)
Statische liquiditeit: Mate waarin de onderneming, gezien de omvang en
samentelling van de vlottende activa, aan korte termijn opeisbare verplichtingen
kan voldoen . (Liquiditeitsbalans, dus op een bepaald moment) Netto werk
kapitaal en Current ratio
Historische analyse: analyse van de financiële structuur van een bedrijf.
Bruto winst marge: bedrijfsresultaat( winst voor aftrek belasting en intrest) /
omzet
Omloopsnelheid totaal vermogen: omzet / totaal vermogen
Netto werk kapitaal: Vlotte activa + liquide middelen – kort vreemd vermogen
Debt ratio: vreemd vermogen / totaal vermogen
Rentedekkingsfactor: bedrijfsresultaat ( winst voor aftrek belasting en
intrest ) / rente
Rentabiliteit eigen vermogen na belasting: winst na aftrek van belasting en
intrest / gemiddeld eigen vermogen
Rentabiliteit eigen vermogen voor belasting: winst voor aftrek van
belasting en intrest / gemiddeld eigen vermogen
Rentabiliteit gemiddeld geïnvesteerd vermogen: (nieuw Aandelenkapitaal
(+ agioreserve, algemene reserve) + oud) / 2
Rentabiliteit totaal vermogen: bedrijfsresultaat ( winst voor aftrek belasting
en intrest ) / gemiddeld totaal vermogen x 100
Rentabiliteit vreemd vermogen: Betaalde intrest / gemiddeld vreemd
vermogen
Hefboomeffect = REV nb = ( 1 – factor rente ) x (RTV + (RTV – RVV ) x VV / EV )
, H 10
Effect: een waarde papier ( bijv aandelen of obligaties )
Aantoonde: Kunnen verhandelen want staat niet op naam ( NV )
Futures/ termijn contract:
- Is een overeenkomst tussen kopen en verkopen
- Om op een bepaalde dag een hoeveelheid van onderliggende waarde te
kopen
- Is een afgesproken prijs
- Het is verplicht
Een optie geeft de koper ervan het recht om gedurende een vastgestelde termijn
een vaste hoeveelheid van een bepaalde onderliggende waarde tegen een
overeengekomen prijs te kopen (calloptie) of te verkopen (putoptie). ( is niet
verplicht )
Dividendgerichte kengetallen :Hoe hoger het uitgekeerd dividend des te
aantrekkelijker is het aandelenfonds.
Koersgerichte kengetallen:
- Koers-winstverhouding
- Koers-cashflowverhouding
- Koers-intrinsiek waardeverhouding
Beurswaarde/ (winst per aandeel, cashflow per aandeel, intrinsieke
waarde per aandeel)
Cashflow: de winst ( reserves, uit te keren aan aandelen) + afschrijvingen)
Intrinsieke waarde: eigen vermogen – geplaatste nominaal prioriteitsaandelen
Future prijs: prijs onderliggende waarde + rente van de looptijd – dividenden.
Rendement: (uitgekeerd dividend / aantal aandelen) / de beurskoers
Aantal aandelen: aantal converteerbare obligatie x ( nominale waarde van een
converteerbare obligatie / conversieprijs )
Pay-out ratio: Dividend per aandeel / winst per aandeel (resultaat na belasting /
aantal aandelen) x 100
Rentabiliteitswaarde= (100/intrestvoet x jaarwinst) / aantal aandelen
H 11
Banklening: de bank bepaald de kredietwaardigheid van de onderneming. Is een
onderhandse lening.
Obligatieleningen:
- is verdeeld in een groot aantal schuldbekentenissen, in ronde
bedragen.
- Deze schuldbekentenissen worden obligaties genoemd
- Vaste couponrente
- Vooraf gestelde looptijd
Converteerbare obligatie: Geven de houder het recht gedurende een
bepaalde periode tegen vooraf vastgestelde voorwaarde de obligatie om te
wisselen in aandelen = Van tijdelijk naar permanent vermogen.
Notes: een gesplitste lening die vanwege de grote omvang van de afzonderlijke
delen, slechts bij grote ondernemingen en grote geldgevers voorkomt.
Voorziening: toekomstige verplichtingen, waarvan het tijdstip of hoe veelheid
nog niet bekend is. De voorziening word gevormd ten laste van de winst in de
huidige periode en word tot het vreemd vermogen gerekend. Dit is handig om op
de balans te zetten zodat je weet wat je mogelijk toekomstige verplichtingen zijn.
De hoogte van de rente hangt af van:
- Marktrente en looptijd
- Risico voor de geldgever
- Rangorde van de gelgevers
- Verhandelbaarheid van de schuld
Kostenvoet = jaar deel korting x prijs voor gebruik leverancierskrediet.
1. Jaardeelkorting: 365 / (betalingstermijn – betalingskorting de dagen)
( maanden = / 12 )
2. Prijs gebruik leverancierskrediet: korting / (factuurbedrag – korting)
3. Kostenvoet uitrekenen Antwoord (1 x 2) x 100
Afnemerskrediet: krediet dat door de afnemer aan de leverancier word
verstrekt indien de betaling aan de levering van goeder vooraf word gedaan.
Krediettermijn: termijn waarbinnen een beschikbaar gesteld krediet moet
worden afgelost
Leverancierskrediet: krediet dat door de leverancier aan de afnemer word
verstrekt indien er na de levering pas betaald word.
,H9
Je kunt de financiële situatie van een bedrijf beoordelen door de
rentabiliteitkengetallen, solvabiliteitkengetallen en de liquiditeitskengetallen.
Als je de liquiditeit van een onderneming wilt berekenen moet je de Current
ratio, Quick ratio en het netto werk kapitaal berekenen.
Solvabiliteit: mate waarin de onderneming in geval van liquidatie aan zijn
financiële verplichtingen aan vreemd vermogen verschaffers kan doen. Als je de
solvabiliteit uit wilt rekenen moet je het Debt ratio berekenen.
Elasticiteit: de mate waarin de vermogensstructuur kan worden aangepast aan
een veranderende vermogensbehoefte.
Weerstandvermogen: het vermogen van een onderneming om ook in
ongunstige tijden haar activiteiten te kunnen voortzetten.
Dynamische liquiditeit: Mate waarin de binnen komen geldstroom de
uitgaande geldstroom overtreft. (liquiditeitsbegroting)
Statische liquiditeit: Mate waarin de onderneming, gezien de omvang en
samentelling van de vlottende activa, aan korte termijn opeisbare verplichtingen
kan voldoen . (Liquiditeitsbalans, dus op een bepaald moment) Netto werk
kapitaal en Current ratio
Historische analyse: analyse van de financiële structuur van een bedrijf.
Bruto winst marge: bedrijfsresultaat( winst voor aftrek belasting en intrest) /
omzet
Omloopsnelheid totaal vermogen: omzet / totaal vermogen
Netto werk kapitaal: Vlotte activa + liquide middelen – kort vreemd vermogen
Debt ratio: vreemd vermogen / totaal vermogen
Rentedekkingsfactor: bedrijfsresultaat ( winst voor aftrek belasting en
intrest ) / rente
Rentabiliteit eigen vermogen na belasting: winst na aftrek van belasting en
intrest / gemiddeld eigen vermogen
Rentabiliteit eigen vermogen voor belasting: winst voor aftrek van
belasting en intrest / gemiddeld eigen vermogen
Rentabiliteit gemiddeld geïnvesteerd vermogen: (nieuw Aandelenkapitaal
(+ agioreserve, algemene reserve) + oud) / 2
Rentabiliteit totaal vermogen: bedrijfsresultaat ( winst voor aftrek belasting
en intrest ) / gemiddeld totaal vermogen x 100
Rentabiliteit vreemd vermogen: Betaalde intrest / gemiddeld vreemd
vermogen
Hefboomeffect = REV nb = ( 1 – factor rente ) x (RTV + (RTV – RVV ) x VV / EV )
, H 10
Effect: een waarde papier ( bijv aandelen of obligaties )
Aantoonde: Kunnen verhandelen want staat niet op naam ( NV )
Futures/ termijn contract:
- Is een overeenkomst tussen kopen en verkopen
- Om op een bepaalde dag een hoeveelheid van onderliggende waarde te
kopen
- Is een afgesproken prijs
- Het is verplicht
Een optie geeft de koper ervan het recht om gedurende een vastgestelde termijn
een vaste hoeveelheid van een bepaalde onderliggende waarde tegen een
overeengekomen prijs te kopen (calloptie) of te verkopen (putoptie). ( is niet
verplicht )
Dividendgerichte kengetallen :Hoe hoger het uitgekeerd dividend des te
aantrekkelijker is het aandelenfonds.
Koersgerichte kengetallen:
- Koers-winstverhouding
- Koers-cashflowverhouding
- Koers-intrinsiek waardeverhouding
Beurswaarde/ (winst per aandeel, cashflow per aandeel, intrinsieke
waarde per aandeel)
Cashflow: de winst ( reserves, uit te keren aan aandelen) + afschrijvingen)
Intrinsieke waarde: eigen vermogen – geplaatste nominaal prioriteitsaandelen
Future prijs: prijs onderliggende waarde + rente van de looptijd – dividenden.
Rendement: (uitgekeerd dividend / aantal aandelen) / de beurskoers
Aantal aandelen: aantal converteerbare obligatie x ( nominale waarde van een
converteerbare obligatie / conversieprijs )
Pay-out ratio: Dividend per aandeel / winst per aandeel (resultaat na belasting /
aantal aandelen) x 100
Rentabiliteitswaarde= (100/intrestvoet x jaarwinst) / aantal aandelen
H 11