Pedagogiek en onderwijskunde
Leren onderwijzen H1, H2.5 en H5.1
HOOFDSTUK 1 LEREN
PARAGRAAF 1 WAT IS KENNIS, WAT ZIJN VAARDIGHEDEN?
De opbrengst van leren bestaat uit kennis en vaardigheden. Bij leren is er sprake van de begrippen data,
informatie en kennis. Data zijn op de achtergrond beschikbare feiten, waar je gebruik van zou kunnen maken.
Informatie is de term voor gegevens die jij op dat moment nodig hebt. Met kennis bedoelen we een
samenhangend geheel van informatie dat jij je eigen hebt gemaakt en dat je op elk gewenst moment voor gebruik
beschikbaar hebt. De eerste twee begrippen zijn relatief eenduidig, kennis daarentegen is een complex begrip.
Kennis gaat over alles wat je gebruikt om te handelen en je staande te houden in de wereld. Het heeft te maken
met: waarnemen, interpreteren van waarnemingen, weten, begrip van de samenhang van dingen, vaardigheden,
emoties (en controle hierover), opvattingen en begrippen als ‘identiteit’ en ‘zingeving’.
Bij het leren van vaardigheden, gaat het om handelen/doen. Toch is er bij vaardigheden ook altijd een
kenniselement aanwezig. Er zijn verschillende soorten vaardigheden:
▪ Sociale vaardigheden (kennismaken, samenwerken, conflicten oplossen)
▪ Lichamelijke vaardigheden (klimmen, schaatsen, zwemmen, tennissen, karate)
▪ Gereedschap hanteren (schrijven, typen, boogschieten, viool spelen)
▪ Taalvaardigheden (spreken, luisteren, samenvatten, lezen)
Vaardigheden hebben ook te maken met kennis: je moet weten wat je moet doen. Maar het lezen van een
handleiding is niet voldoende om een vaardigheid te leren. Je moet het ook doen, hierbij helpt het als je je er van
tevoren een beeld bij vormt. Vaardigheden leer je door te doen, daarom is het voor- en nadoen hierbij een goede
manier om het te leren. De effectiviteit van het leren van vaardigheden, wordt verhoogd als:
▪ Er een model is waaraan je een goede uitvoering kunt afzien (rolmodel);
▪ Je feedback krijgt op wat je doet;
▪ Je reflecteert op je eigen handelen;
▪ Je herhaalt, oefent.
Vaardigheden ontwikkelen zich tot routines. Het nadeel is: een fout aangeleerde routine is moeilijk te
verbeteren. Betekenisvolle kennis = kennis is pas echt kennis als je er betekenis aan kunt geven, als jij zelf het
van belang vindt om het te weten. Het is betekenisvol als:
▪ Je het kunt gebruiken voor je dagelijks leven
▪ Het past bij eerder verworven kennis en daarmee verbonden kan worden
▪ De kennis samen met andere kennis een samenhangend geheel vormt
▪ De kennis waardevol voor je is
▪ De kennis je emotioneel raakt
Kennis is zinvol vanuit het perspectief van de leraar, de curriculum ontwikkelaar. Kennis en vaardigheden zijn
zinvol als deze waardevol zijn voor de maatschappij, deze van belang zijn voor de uitoefening van het beroep en
deze de sleutels zijn voor het sociaal-maatschappelijk functioneren. Volgens David Perkins kun je kennis ‘kennis’
noemen, als je er de volgende vragen over kunt beantwoorden:
1. Wat is het doel van deze kennis, waartoe dient het?
2. Kun je het in een paar kenmerken typeren?
3. Geef eigen voorbeelden van wat het wel en niet is.
4. Wat is het nut ervan, waarom is dit goed om te weten?
Toch is niet alle kennis die hieraan voldoet ook betekenisvolle kennis, je kunt het antwoord op deze vragen ook
uit je hoofd leren.
1
, PARAGRAAF 2 TWEE LEERTHEORIEËN
Mensen leren als er iets verandert in hun gedrag, kennis, begrip en/of houding. Bij leren verwachten we dat dit
meer/beter wordt. Er zijn drie grote leertheorieën: het behaviorisme, het cognitivisme en het constructivisme.
Het behaviorisme gaat ervan uit dat mensen hun gedrag aanpassen aan de omgeving, dat ze reageren op de
omstandigheden. Deze aanpassing is het leren van de gebeurtenissen. De omgeving biedt aanleiding iets te doen
of te laten (stimulus), aan de reactie van de omgeving op zijn gedrag merkt het individu of het succesvol is of niet
(respons_. Succesvol gedrag wordt herhaald, minder succesvol gedrag dooft uit. Bij het onderwijzen vanuit het
behaviorisme ben je sterk sturend bezig, met het versterken en verzwakken van leergedrag (systeem van belonen
en straffen). Het resultaat is bepalend. Behavioristisch onderwijs legt veel nadruk op terugvraagbare kennis en
oproepbare vaardigheden. kenmerken van onderwijs dat gebaseerd is op het behaviorisme zijn:
▪ Tot in detail omschreven leerinhouden: doelen en subdoelen; vaardigheden en deelvaardigheden
▪ Stap voor stap leren met directe feedback
▪ Een sterk sturende rol voor de docent
▪ Toetsen over vaardigheden, maar ook over deelvaardigheden
▪ Meten is weten
▪ Nadruk is gelegd op het oefenen
Het traditionele cijfersysteem en het systeem van de te-laatbriefjes zijn een voorbeeld van het uitwerken van
het behavioristische denken. Er is ook kritiek op het behaviorisme.
Te veel: Te weinig:
Uiterlijk gedrag Begrip
Toepasbaarheid alleen in de leersituatie Transfer naar andere situaties
Gehoorzaamheid en beheersing Eigen verantwoordelijkheid en motivatie
Opgedeeld in kleine stappen Voor de leerling betekenisvolle gehelen
Toetsen Toepassen
Eenzaam leren Samenwerken en interactie
Zaak Persoon
Voorstanders daarentegen benadrukken de bewezen effectiviteit van dit denken en dat het goed is voor kinderen
te leren leven in een wereld met een sociaal regelsysteem. Zij zijn bv. te vinden in de effectieve schoolbeweging.
Voorbeelden van behavioristisch leren zijn: leren lezen door hakken en plakken; leren van woordjes; en het leren
van de regels voor de werkwoordspelling.
Het cognitivisme is vooral geïnteresseerd in de processen die tot leren leiden. Deze denkrichting vraagt zich af
hoe leren in zijn werk gaat. Binnen het cognitivistisch denken worden vragen gesteld als: hoe onthoud je iets het
best? En hoe verloopt het denken van de mens? Declaratieve kennis is kennis die je terug kunt vragen.
Procedurele kennis is kennis die leidt tot handelen. Metacognitieve kennis is inzicht hebben in en grip hebben
op het eigen denken en leren. Didactiek moet in de ogen van cognitivisten vooral activerend zijn.
Het constructivisme veronderstelt dat ieder mens uiteindelijk zijn eigen unieke kennis construeert. Het is meer
gericht op het actief verwerven van kennis en minder op kennisoverdracht (dit is anders dan bij bovenstaande
denkrichtingen). Er is voorkeur voor complexe samenhangende kennis, grote ideeën, complexe vaardigheden.
De rol van de leerkracht is begeleidend: vragen stellen, denken stimuleren, ontdekkingen laten doen. Er wordt
veel waarde gehecht aan de rijke leeromgeving, samenwerking tussen leerlingen en goede interactie. Bij
toetsing wordt meer waarde gehecht aan een meesterstuk dan aan een toets. Het constructivisme gaat ervanuit
dat vernieuwende kennis wordt toegevoegd en gekoppeld aan bestaande kennis. Dit kan door experimenteren,
naslagwerken te hanteren, oefenen en reflecteren. Duidelijk maken wat je al weet doe je door te expliciteren
(vertellen, opschrijven). Kenmerken van onderwijs in de constructivistische traditie zijn:
- Eerst geheel, dan deel (thematisch werken). Hierbij voorkeur voor grote concepten (grote vragen);
- Leerlingen beschouwen als denkers die hun theorie over de wereld opbouwen;
- Vragen van leerlingen serieus nemen en als uitgangspunt nemen;
2
Leren onderwijzen H1, H2.5 en H5.1
HOOFDSTUK 1 LEREN
PARAGRAAF 1 WAT IS KENNIS, WAT ZIJN VAARDIGHEDEN?
De opbrengst van leren bestaat uit kennis en vaardigheden. Bij leren is er sprake van de begrippen data,
informatie en kennis. Data zijn op de achtergrond beschikbare feiten, waar je gebruik van zou kunnen maken.
Informatie is de term voor gegevens die jij op dat moment nodig hebt. Met kennis bedoelen we een
samenhangend geheel van informatie dat jij je eigen hebt gemaakt en dat je op elk gewenst moment voor gebruik
beschikbaar hebt. De eerste twee begrippen zijn relatief eenduidig, kennis daarentegen is een complex begrip.
Kennis gaat over alles wat je gebruikt om te handelen en je staande te houden in de wereld. Het heeft te maken
met: waarnemen, interpreteren van waarnemingen, weten, begrip van de samenhang van dingen, vaardigheden,
emoties (en controle hierover), opvattingen en begrippen als ‘identiteit’ en ‘zingeving’.
Bij het leren van vaardigheden, gaat het om handelen/doen. Toch is er bij vaardigheden ook altijd een
kenniselement aanwezig. Er zijn verschillende soorten vaardigheden:
▪ Sociale vaardigheden (kennismaken, samenwerken, conflicten oplossen)
▪ Lichamelijke vaardigheden (klimmen, schaatsen, zwemmen, tennissen, karate)
▪ Gereedschap hanteren (schrijven, typen, boogschieten, viool spelen)
▪ Taalvaardigheden (spreken, luisteren, samenvatten, lezen)
Vaardigheden hebben ook te maken met kennis: je moet weten wat je moet doen. Maar het lezen van een
handleiding is niet voldoende om een vaardigheid te leren. Je moet het ook doen, hierbij helpt het als je je er van
tevoren een beeld bij vormt. Vaardigheden leer je door te doen, daarom is het voor- en nadoen hierbij een goede
manier om het te leren. De effectiviteit van het leren van vaardigheden, wordt verhoogd als:
▪ Er een model is waaraan je een goede uitvoering kunt afzien (rolmodel);
▪ Je feedback krijgt op wat je doet;
▪ Je reflecteert op je eigen handelen;
▪ Je herhaalt, oefent.
Vaardigheden ontwikkelen zich tot routines. Het nadeel is: een fout aangeleerde routine is moeilijk te
verbeteren. Betekenisvolle kennis = kennis is pas echt kennis als je er betekenis aan kunt geven, als jij zelf het
van belang vindt om het te weten. Het is betekenisvol als:
▪ Je het kunt gebruiken voor je dagelijks leven
▪ Het past bij eerder verworven kennis en daarmee verbonden kan worden
▪ De kennis samen met andere kennis een samenhangend geheel vormt
▪ De kennis waardevol voor je is
▪ De kennis je emotioneel raakt
Kennis is zinvol vanuit het perspectief van de leraar, de curriculum ontwikkelaar. Kennis en vaardigheden zijn
zinvol als deze waardevol zijn voor de maatschappij, deze van belang zijn voor de uitoefening van het beroep en
deze de sleutels zijn voor het sociaal-maatschappelijk functioneren. Volgens David Perkins kun je kennis ‘kennis’
noemen, als je er de volgende vragen over kunt beantwoorden:
1. Wat is het doel van deze kennis, waartoe dient het?
2. Kun je het in een paar kenmerken typeren?
3. Geef eigen voorbeelden van wat het wel en niet is.
4. Wat is het nut ervan, waarom is dit goed om te weten?
Toch is niet alle kennis die hieraan voldoet ook betekenisvolle kennis, je kunt het antwoord op deze vragen ook
uit je hoofd leren.
1
, PARAGRAAF 2 TWEE LEERTHEORIEËN
Mensen leren als er iets verandert in hun gedrag, kennis, begrip en/of houding. Bij leren verwachten we dat dit
meer/beter wordt. Er zijn drie grote leertheorieën: het behaviorisme, het cognitivisme en het constructivisme.
Het behaviorisme gaat ervan uit dat mensen hun gedrag aanpassen aan de omgeving, dat ze reageren op de
omstandigheden. Deze aanpassing is het leren van de gebeurtenissen. De omgeving biedt aanleiding iets te doen
of te laten (stimulus), aan de reactie van de omgeving op zijn gedrag merkt het individu of het succesvol is of niet
(respons_. Succesvol gedrag wordt herhaald, minder succesvol gedrag dooft uit. Bij het onderwijzen vanuit het
behaviorisme ben je sterk sturend bezig, met het versterken en verzwakken van leergedrag (systeem van belonen
en straffen). Het resultaat is bepalend. Behavioristisch onderwijs legt veel nadruk op terugvraagbare kennis en
oproepbare vaardigheden. kenmerken van onderwijs dat gebaseerd is op het behaviorisme zijn:
▪ Tot in detail omschreven leerinhouden: doelen en subdoelen; vaardigheden en deelvaardigheden
▪ Stap voor stap leren met directe feedback
▪ Een sterk sturende rol voor de docent
▪ Toetsen over vaardigheden, maar ook over deelvaardigheden
▪ Meten is weten
▪ Nadruk is gelegd op het oefenen
Het traditionele cijfersysteem en het systeem van de te-laatbriefjes zijn een voorbeeld van het uitwerken van
het behavioristische denken. Er is ook kritiek op het behaviorisme.
Te veel: Te weinig:
Uiterlijk gedrag Begrip
Toepasbaarheid alleen in de leersituatie Transfer naar andere situaties
Gehoorzaamheid en beheersing Eigen verantwoordelijkheid en motivatie
Opgedeeld in kleine stappen Voor de leerling betekenisvolle gehelen
Toetsen Toepassen
Eenzaam leren Samenwerken en interactie
Zaak Persoon
Voorstanders daarentegen benadrukken de bewezen effectiviteit van dit denken en dat het goed is voor kinderen
te leren leven in een wereld met een sociaal regelsysteem. Zij zijn bv. te vinden in de effectieve schoolbeweging.
Voorbeelden van behavioristisch leren zijn: leren lezen door hakken en plakken; leren van woordjes; en het leren
van de regels voor de werkwoordspelling.
Het cognitivisme is vooral geïnteresseerd in de processen die tot leren leiden. Deze denkrichting vraagt zich af
hoe leren in zijn werk gaat. Binnen het cognitivistisch denken worden vragen gesteld als: hoe onthoud je iets het
best? En hoe verloopt het denken van de mens? Declaratieve kennis is kennis die je terug kunt vragen.
Procedurele kennis is kennis die leidt tot handelen. Metacognitieve kennis is inzicht hebben in en grip hebben
op het eigen denken en leren. Didactiek moet in de ogen van cognitivisten vooral activerend zijn.
Het constructivisme veronderstelt dat ieder mens uiteindelijk zijn eigen unieke kennis construeert. Het is meer
gericht op het actief verwerven van kennis en minder op kennisoverdracht (dit is anders dan bij bovenstaande
denkrichtingen). Er is voorkeur voor complexe samenhangende kennis, grote ideeën, complexe vaardigheden.
De rol van de leerkracht is begeleidend: vragen stellen, denken stimuleren, ontdekkingen laten doen. Er wordt
veel waarde gehecht aan de rijke leeromgeving, samenwerking tussen leerlingen en goede interactie. Bij
toetsing wordt meer waarde gehecht aan een meesterstuk dan aan een toets. Het constructivisme gaat ervanuit
dat vernieuwende kennis wordt toegevoegd en gekoppeld aan bestaande kennis. Dit kan door experimenteren,
naslagwerken te hanteren, oefenen en reflecteren. Duidelijk maken wat je al weet doe je door te expliciteren
(vertellen, opschrijven). Kenmerken van onderwijs in de constructivistische traditie zijn:
- Eerst geheel, dan deel (thematisch werken). Hierbij voorkeur voor grote concepten (grote vragen);
- Leerlingen beschouwen als denkers die hun theorie over de wereld opbouwen;
- Vragen van leerlingen serieus nemen en als uitgangspunt nemen;
2