Hoofdstuk 11 Dieren en planten
Paragraaf 1 - eten
Kauwen
Er zijn 3 soorten eters:
1. Planteneters. Planteneters eten plantaardig voedsel en is moeilijk fijn te krijgen. Ze
kauwen hun eten met plooikiezen
2. Vleeseters. Vleeseters eten dierlijk voedsel. Ze hebben scherpe hoektanden en
knipkiezen om zo hun vlees te verscheuren in stukjes
3. Alleseters. Alleseters eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Ze hebben
knobbelkiezen.
Planten → moeilijk fijn te krijgen door de celwand
Vlees → makkelijk fijn te krijgen → geen celwand
Planteneters hebben een groter verteringsstelsel dan vleeseters. Dat komt door de
celwanden die om de planten zit. Het is hierdoor moeilijker om het voedsel te verteren.
Een koe heeft bijvoorbeeld 4 magen.
Energiebalans
- B - bewegen
- T - temperatuur
- P - maken nieuwe cellen
- U - uitscheiding
Hoe eten planten?
● Mineral en water krijgen ze uit de grond
via hun wortels
● Koolstofdioxide halen ze uit de lucht via hun huidmondjes in de bladeren
Van deze stoffen maakt een plant voedingsstoffen. De plant maakt eerst glucose door
middel van fotosynthese. Daarna maakt de
plant van glucose met behulp van mineralen:
- Zetmeel
- Vetten
- Eiwitten
- Vitaminen
Bescherming
Een dier kan zichzelf beschermen van predatoren (roofdieren) door een aantal dingen
- Grote oren / grote oren aan de zijkant. Hierdoor kunnen ze het roofdier goed
waarnemen
- Camouflage. Zo vallen deze dieren niet op voor hun vijand
- Mimicry. Mimicry is een misleiding voor andere dieren. Het dier doet alsof hij een
ander dier is die giftig is. Door op dat andere dier te lijken denkt een roofdier dat hij
gevaarlijk is.
- Voor planten. Doornen, vieze smaak hebben of brandharen
, Paragraaf 2 - ademhalen
Ademhaling insect
De zuurstof komt binnen via de stigmata. Daarna gaat de zuurstof
naar de tracheeën die vertakt zijn naar alle organen en
orgaanstelsels.
Door hun achterlijf langer en korter te maken komt er zuurstof in en
gaat er koolstofdioxide uit.
1. De spieren trekken samen, achterlijf wordt korten en de
tracheeën worden nauwer en lucht gaat naar buiten.
2. Spieren ontspannen, achterlijf wordt langer en de tracheeën
worden wijder. De lucht gaat naar binnen.
Ademhaling vis
Vissen ademen met kieuwen. Met hun kieuwen
halen ze zuurstof uit water. Vers water stroomt
langs de kieuwplaatjes. Dat gaat zo:
- Bek open, slok water nemen,
kieuwdeksel dicht.
- Bek dicht, kieuwdeksel open, water
eruit langs de kieuwplaatjes.
De wanden van de lamellen zijn erg dun dus
daar vindt de gaswisseling plaats.
Ademhaling plant
Planten hebben zuurstof nodig voor de
verbranding van glucose. Ze maken zelf
zuurstof door fotosynthese.
Diffusie bij planten: door de huidmondjes.
Hierdoor gaan gassen van een plaats met een
grote concentratie, naar een plaats met een
kleine concentratie.
‘S nachts vindt er geen fotosynthese plaats
doordat de zon dan niet aanwezig is. De
verbranding gaat dan wel door. De plant gebruikt dan zuurstof in de holtes tussen de cellen
voor branding.
Paragraaf 1 - eten
Kauwen
Er zijn 3 soorten eters:
1. Planteneters. Planteneters eten plantaardig voedsel en is moeilijk fijn te krijgen. Ze
kauwen hun eten met plooikiezen
2. Vleeseters. Vleeseters eten dierlijk voedsel. Ze hebben scherpe hoektanden en
knipkiezen om zo hun vlees te verscheuren in stukjes
3. Alleseters. Alleseters eten zowel plantaardig als dierlijk voedsel. Ze hebben
knobbelkiezen.
Planten → moeilijk fijn te krijgen door de celwand
Vlees → makkelijk fijn te krijgen → geen celwand
Planteneters hebben een groter verteringsstelsel dan vleeseters. Dat komt door de
celwanden die om de planten zit. Het is hierdoor moeilijker om het voedsel te verteren.
Een koe heeft bijvoorbeeld 4 magen.
Energiebalans
- B - bewegen
- T - temperatuur
- P - maken nieuwe cellen
- U - uitscheiding
Hoe eten planten?
● Mineral en water krijgen ze uit de grond
via hun wortels
● Koolstofdioxide halen ze uit de lucht via hun huidmondjes in de bladeren
Van deze stoffen maakt een plant voedingsstoffen. De plant maakt eerst glucose door
middel van fotosynthese. Daarna maakt de
plant van glucose met behulp van mineralen:
- Zetmeel
- Vetten
- Eiwitten
- Vitaminen
Bescherming
Een dier kan zichzelf beschermen van predatoren (roofdieren) door een aantal dingen
- Grote oren / grote oren aan de zijkant. Hierdoor kunnen ze het roofdier goed
waarnemen
- Camouflage. Zo vallen deze dieren niet op voor hun vijand
- Mimicry. Mimicry is een misleiding voor andere dieren. Het dier doet alsof hij een
ander dier is die giftig is. Door op dat andere dier te lijken denkt een roofdier dat hij
gevaarlijk is.
- Voor planten. Doornen, vieze smaak hebben of brandharen
, Paragraaf 2 - ademhalen
Ademhaling insect
De zuurstof komt binnen via de stigmata. Daarna gaat de zuurstof
naar de tracheeën die vertakt zijn naar alle organen en
orgaanstelsels.
Door hun achterlijf langer en korter te maken komt er zuurstof in en
gaat er koolstofdioxide uit.
1. De spieren trekken samen, achterlijf wordt korten en de
tracheeën worden nauwer en lucht gaat naar buiten.
2. Spieren ontspannen, achterlijf wordt langer en de tracheeën
worden wijder. De lucht gaat naar binnen.
Ademhaling vis
Vissen ademen met kieuwen. Met hun kieuwen
halen ze zuurstof uit water. Vers water stroomt
langs de kieuwplaatjes. Dat gaat zo:
- Bek open, slok water nemen,
kieuwdeksel dicht.
- Bek dicht, kieuwdeksel open, water
eruit langs de kieuwplaatjes.
De wanden van de lamellen zijn erg dun dus
daar vindt de gaswisseling plaats.
Ademhaling plant
Planten hebben zuurstof nodig voor de
verbranding van glucose. Ze maken zelf
zuurstof door fotosynthese.
Diffusie bij planten: door de huidmondjes.
Hierdoor gaan gassen van een plaats met een
grote concentratie, naar een plaats met een
kleine concentratie.
‘S nachts vindt er geen fotosynthese plaats
doordat de zon dan niet aanwezig is. De
verbranding gaat dan wel door. De plant gebruikt dan zuurstof in de holtes tussen de cellen
voor branding.