Hoofdstuk 1
bbp = totale productie in een jaar/totale inkomen van dat jaar.
Vermogensmarkt = geheel van de vraag naar en het aanbod van vermogen.
• Geldmarkt = kortlopende kredieten met looptijd tot 2 jaar > korte rente
• Kapitaalmarkt = langlopende/permanente goederen, onroerend goed, hypotheken, obligaties,
aandelen > lange rente
Sparen (niet-besteden van inkomen); vrijwillig en gedwongen (pensioen).
Spaarquote = het deel van het inkomen dat gespaard wordt.
De pensioenstelsels:
• Het omslagstelsel > alle mensen die op een bepaald moment werken betalen voor het pensioen van
de mensen die op dat moment met pensioen zijn
• Het kapitaaldekkingsstelsel > een werknemer spaart dan zelf geld voor zijn/haar pensioen > dit krijgt
diegene wanneer hij/zij met pensioen gaat uitgekeerd
Selffulfilling prophecy = een voorspeling die uitkomt omdat mensen zich er naar gaan gedragen. Als
dit lang genoeg aanhoudt kan er een zeepbel ontstaan = de prijzen drukken niet langer de werkelijke
waarde uit.
Hypotheken
100% hypotheek: hypotheek = waarde huis
Overwaarde: hypotheek < waarde huis
Onderwater hypotheek: hypotheek > waarde huis
Beursgedrag
AEX = gewogen gemiddelde van de index van de 25 meest verhandelde fondsen.
Koerswinst = als de prijs van de verkoop boven die van de inkoop ligt.
Rendement van de belegging = totaal van de opbrengsten / het belegde bedrag x 100%
Reeële rendement = het nominale rendement gecorrigeerd voor de inflatie.
Als de koers/winst verhouding te hoog wordt is er sprake van een zeepbel.
Risico-aversie = het eerder kiezen voor zekerheid dan voor onzekerheid (obligaties boven aandelen)
Rentemarge = verschil tussen de ontvangen rente en de betaalde rente > bepaalt de winstgevendheid
Solvabiliteit = de mate waarin een onderneming in staat is haar schulden terug te betalen.
Liquiditeit = de mate waarin een bedrijf de kortlopende verplichtingen kan nakomen/
Niet voldoende liquide = te weinig in kas om bijvoorbeeld de rente te betalen aan de spaarders
Klassieke visie
• Micro-economisch (aanbodeconomen)
• ‘Een vrije werking van het marktmechanisme leidt tot evenwicht op alle markten.’ > sturing niet
nodig
• In deze visie: alles wat geproduceerd wordt ook verkocht en geen langdurige voorraadvorming.
Keynesiaanse visie
• Macro-economisch (vraageconomen)
• ‘Volgens het marktmechanisme leiden lagere prijzen tot een toename van de vraag.’ > sturing wel
nodig
• Onderbesteding > overheid expansief/stimulerend beleid
Extra bestedingen > stijging productie > stijging werkgelegenheid > stijging nationaal inkomen.
• Overbestedingen > overheid afremmend beleid
• Anticyclisch conjunctuurbeleid
Procyclisch conjunctuurbeleid = conjunctuur versterken (belasting verhoging, verlagen uitkeringen)
, Conjunctuur = de feitelijke ontwikkeling van de bestedingen rondom de trend (=de grote van de
capaciteit).
Laagconjunctuur
• Onderbestedingen
• Lage- bezettingsgraad en rente
Consumenten/bedrijven stellen aankopen uit > prijsverlagingen > versterken vraaguitval > werkloosheid
Bestedingsevenwicht > ideale situatie
Hoogconjunctuur;
• Overbestedingen
Vraagoverschot > arbeidsmarkt verkrapt > prijzen stijgen
Spaarparadox = door toename spaarquote > totale bestedingen nemen af
Onderwaterhypotheek > spaarneiging neemt toe > consumptie neemt af > afzet neemt af > minder
productie en inkomen
De paradox laat zien; gedrag dat micro-economisch verstandig lijkt, macro-economisch verkeerd kan
uitpakken. (keynesiaanse visie omdat de macro-economische bestedingen centraal staan in de
redenering)
Nederlandse staatsschuld quote = de staatsschuld in procenten van het bbp
Economische krimp leidt automatisch tot groter overheidstekort;
- Inkomsten. Lagere productie > lagere inkomens > minder belastingafdrachten.
- Uitgaven. Lagere productie > hogere werkloosheid > groter beroep op sociale uitkeringen.
bbp = totale productie in een jaar/totale inkomen van dat jaar.
Vermogensmarkt = geheel van de vraag naar en het aanbod van vermogen.
• Geldmarkt = kortlopende kredieten met looptijd tot 2 jaar > korte rente
• Kapitaalmarkt = langlopende/permanente goederen, onroerend goed, hypotheken, obligaties,
aandelen > lange rente
Sparen (niet-besteden van inkomen); vrijwillig en gedwongen (pensioen).
Spaarquote = het deel van het inkomen dat gespaard wordt.
De pensioenstelsels:
• Het omslagstelsel > alle mensen die op een bepaald moment werken betalen voor het pensioen van
de mensen die op dat moment met pensioen zijn
• Het kapitaaldekkingsstelsel > een werknemer spaart dan zelf geld voor zijn/haar pensioen > dit krijgt
diegene wanneer hij/zij met pensioen gaat uitgekeerd
Selffulfilling prophecy = een voorspeling die uitkomt omdat mensen zich er naar gaan gedragen. Als
dit lang genoeg aanhoudt kan er een zeepbel ontstaan = de prijzen drukken niet langer de werkelijke
waarde uit.
Hypotheken
100% hypotheek: hypotheek = waarde huis
Overwaarde: hypotheek < waarde huis
Onderwater hypotheek: hypotheek > waarde huis
Beursgedrag
AEX = gewogen gemiddelde van de index van de 25 meest verhandelde fondsen.
Koerswinst = als de prijs van de verkoop boven die van de inkoop ligt.
Rendement van de belegging = totaal van de opbrengsten / het belegde bedrag x 100%
Reeële rendement = het nominale rendement gecorrigeerd voor de inflatie.
Als de koers/winst verhouding te hoog wordt is er sprake van een zeepbel.
Risico-aversie = het eerder kiezen voor zekerheid dan voor onzekerheid (obligaties boven aandelen)
Rentemarge = verschil tussen de ontvangen rente en de betaalde rente > bepaalt de winstgevendheid
Solvabiliteit = de mate waarin een onderneming in staat is haar schulden terug te betalen.
Liquiditeit = de mate waarin een bedrijf de kortlopende verplichtingen kan nakomen/
Niet voldoende liquide = te weinig in kas om bijvoorbeeld de rente te betalen aan de spaarders
Klassieke visie
• Micro-economisch (aanbodeconomen)
• ‘Een vrije werking van het marktmechanisme leidt tot evenwicht op alle markten.’ > sturing niet
nodig
• In deze visie: alles wat geproduceerd wordt ook verkocht en geen langdurige voorraadvorming.
Keynesiaanse visie
• Macro-economisch (vraageconomen)
• ‘Volgens het marktmechanisme leiden lagere prijzen tot een toename van de vraag.’ > sturing wel
nodig
• Onderbesteding > overheid expansief/stimulerend beleid
Extra bestedingen > stijging productie > stijging werkgelegenheid > stijging nationaal inkomen.
• Overbestedingen > overheid afremmend beleid
• Anticyclisch conjunctuurbeleid
Procyclisch conjunctuurbeleid = conjunctuur versterken (belasting verhoging, verlagen uitkeringen)
, Conjunctuur = de feitelijke ontwikkeling van de bestedingen rondom de trend (=de grote van de
capaciteit).
Laagconjunctuur
• Onderbestedingen
• Lage- bezettingsgraad en rente
Consumenten/bedrijven stellen aankopen uit > prijsverlagingen > versterken vraaguitval > werkloosheid
Bestedingsevenwicht > ideale situatie
Hoogconjunctuur;
• Overbestedingen
Vraagoverschot > arbeidsmarkt verkrapt > prijzen stijgen
Spaarparadox = door toename spaarquote > totale bestedingen nemen af
Onderwaterhypotheek > spaarneiging neemt toe > consumptie neemt af > afzet neemt af > minder
productie en inkomen
De paradox laat zien; gedrag dat micro-economisch verstandig lijkt, macro-economisch verkeerd kan
uitpakken. (keynesiaanse visie omdat de macro-economische bestedingen centraal staan in de
redenering)
Nederlandse staatsschuld quote = de staatsschuld in procenten van het bbp
Economische krimp leidt automatisch tot groter overheidstekort;
- Inkomsten. Lagere productie > lagere inkomens > minder belastingafdrachten.
- Uitgaven. Lagere productie > hogere werkloosheid > groter beroep op sociale uitkeringen.