1. Risico’s in beeld: generalisaties, stereotypen en discriminatie
Verwachtingsmanagement
Hoe maken we dit vak tot een succes?
1 Bewust zijn van je eigen referentiekader
2 Openstaan voor ‘andersdenkenden’
3 Je kennis verbreden en die kennis input laten zijn voor discussies
4 Op constructieve wijze feedback durven geven
Cultuur begrippen:
a TPV, Hofstede: de collectieve mentale vóórprogrammering die de leden van één
groep of categorie mensen onderscheidt van de andere.
b Criminologie, Kobben: cultuur omvat het geheel van gewoonten, instituten,
symbolen, voorstellingen en waarden van een groep.
Het is lastig om te spreken van één cultuur: de verschillen tussen mensen zijn vaak (te)
groot. Oftewel de Nederlandse cultuur bestaat niet (Maxima): vaak wordt er gesproken
van de dominante cultuur (de overheersende en vaak ook meest voorkomende cultuur).
Subcultuur: lijkt op de dominante cultuur, maar wijkt in sommige opzichten ook af. Je
ziet hier continue in en je hebt er dagelijks mee te maken. Voorbeelden: jongerencultuur,
kakkers, emo’s en studenten.
Identiteit: wie ben ik? I.c.m. Globalisering, individualisering, snelheid van de
maatschappij, social media
Diversiteit: verschillende etnische-culturele achtergronden, major-minority cities,
diversiteit de nieuwe norm?
Major-minority cities: meer buitenlanders dan Nederlanders in Amsterdam.
Superdiversiteit: anno 2014 bevinden zich in een diversiteit weer verschillende
diversiteiten; groeiende diversiteit binnen de diversiteit.
Cultuur relativisme en universalisme zijn manieren om naar culturen te kijken:
a Cultuur relativisme en universalisme
Relativisme: een wijze van kijken naar culturen zonder deze naar waarden en
normen van andere culturen te beoordelen. Culturele gedragingen proberen te
snappen binnen eigen culturele context.
Universalisme: een wijze van kijken naar culturen waarbij ervan uitgegaan wordt
dat er algemene, voor iedereen geldende waarden zijn. Dominante westerse
waarden.
b Pluralisme: willen leren van elkaars culturen. Culturen zijn niet statisch, maar
vormen zich telkens opnieuw. Het is denken in ‘interactieve verscheidenheid’.
Bevindt zich tussen het relativisme en universalisme in.
Culturen zijn niet statisch maar vormen zich telkens opnieuw.
Multiculturalisme: geeft ruimte aan verschillende culturen. Risico is de
marginalisering door vast te houden aan de ‘oude cultuur’.
Condicion migrante: een ‘permanent tijdelijk verblijf’. Migratie is een proces
van ontworteling en opnieuw je identiteit vormgeven: een ingewikkeld proces.
Wereldcultuur: er verbreidt zich een wereldcultuur die te vergelijken is met een
grote supermarkt; een enorm aanbod maar in elke supermarkt hetzelfde concept.
(De Swaan). Voorbeeld hiervan is de supermarkt AH XL die er overal hetzelfde
uitziet.
, 2. De werkelijkheid verandert sneller dan onze taal
Terugkoppeling ‘cultuur-opdracht’. Toch even een paar sleutelbegrippen onder de loep:
1 Cultuur: het (aangeleerde) gedragsrepertoire dat mensen behorend tot een
bepaalde groep of samenleving gemeenschappelijk hebben. Het is een grote
groep en gaat veelal over gedrag.
2 Subcultuur: een cultuur die in bepaalde opzichten afwijkt van, doch in andere
opzichten overeenkomt met het grotere culturele geheel waarbinnen de
subcultuur van een bepaalde groepering in de samenleving voorkomt. Is vaak een
kleine groep.
3 Referentiegroep: sociale groep waarnaar iemand zich in z’n gedragsnormen richt.
4 Waarden:
Persoonlijk: datgene wat iemand belangrijk vindt in zijn of haar leven en
probeert te bereiken.
Groep: ideeën van wat binnen een groep/maatschappij goed, juist en
daarom (in het algemeen belang) nastrevenswaardig is.
5 Norm: concrete gedragsregels die ons gedrag sturen, vaak afgeleid van ‘dieper
liggende’ waarden.
Identiteit: groep bepaald meestal wat voor identiteit je hebt. Je bent een student
bijvoorbeeld. Je identiteit wijst hoe sociaal je bent. Het geeft aan wie jij bent. Je kan je
identiteit niet helemaal vrij kiezen. Identiteiten wisselen tegenwoordig heel snel. Denk
aan je digitale en normale identiteit (kunnen verschillen). =
Variabel, wisselend, veranderlijk en situationeel
Sociale identiteiten: ‘onder andere identiteiten (sociale herkenning en erkenning)
Etnisch bewustzijn hangt af van etnisch relevante signalen (sterker binnen eigen
groep)
Duale identiteit (leven tussen twee werelden); jou wortels en de wortels van je ouders
liggen ergens anders. Je leeft dus in 2 werelden. Denk bijvoorbeeld aan migranten.
Etnisch bewustzijn: minderheden in een samenleving voelen zich vaker in een andere
etnische groep dan de normaal cultuur . Binnen de eigen groep kun je voorstellen dat je
een eigen cultuur en eigen gebruiken heb. Je gaat naar bepaalde feesten of hebt
bepaalde tradities.
Migratie
1 Koloniale geschiedenis
2 Arbeidsmigratie/volgmigratie
3 Vluchtelingen en asielzoekers
Migratiestromen in beeld: koloniale geschiedenis
1 Indonesië
Jaren ’50 (kiezen meestal voor een betere toekomst)
Kolonialen, Indo’s en inlanders
Kolonialen: van NL naar IND en weer terug naar NL. Een gedeelte
hiervan werd gedwongen om weer terug te gaan.
Inlanders: mensen die zelf kozen om naar NL omdat het op dat
moment kon.
Molukkers: geen schoolvoorbeeld voor integratie
Hebben meegevochten met NL in IND waardoor zij niet in IND
worden geaccepteerd. Daarom zijn Molukkers ook trots op hun
eigen cultuur en willen zij geen IND zijn. NL heeft Molukkers een
eigen land beloofd als ze mee zouden vechten met de oorlog, maar
eindstand hebben zij niks gekregen.
2 Suriname
Jaren ‘70 tot ‘80
Verwachtingsmanagement
Hoe maken we dit vak tot een succes?
1 Bewust zijn van je eigen referentiekader
2 Openstaan voor ‘andersdenkenden’
3 Je kennis verbreden en die kennis input laten zijn voor discussies
4 Op constructieve wijze feedback durven geven
Cultuur begrippen:
a TPV, Hofstede: de collectieve mentale vóórprogrammering die de leden van één
groep of categorie mensen onderscheidt van de andere.
b Criminologie, Kobben: cultuur omvat het geheel van gewoonten, instituten,
symbolen, voorstellingen en waarden van een groep.
Het is lastig om te spreken van één cultuur: de verschillen tussen mensen zijn vaak (te)
groot. Oftewel de Nederlandse cultuur bestaat niet (Maxima): vaak wordt er gesproken
van de dominante cultuur (de overheersende en vaak ook meest voorkomende cultuur).
Subcultuur: lijkt op de dominante cultuur, maar wijkt in sommige opzichten ook af. Je
ziet hier continue in en je hebt er dagelijks mee te maken. Voorbeelden: jongerencultuur,
kakkers, emo’s en studenten.
Identiteit: wie ben ik? I.c.m. Globalisering, individualisering, snelheid van de
maatschappij, social media
Diversiteit: verschillende etnische-culturele achtergronden, major-minority cities,
diversiteit de nieuwe norm?
Major-minority cities: meer buitenlanders dan Nederlanders in Amsterdam.
Superdiversiteit: anno 2014 bevinden zich in een diversiteit weer verschillende
diversiteiten; groeiende diversiteit binnen de diversiteit.
Cultuur relativisme en universalisme zijn manieren om naar culturen te kijken:
a Cultuur relativisme en universalisme
Relativisme: een wijze van kijken naar culturen zonder deze naar waarden en
normen van andere culturen te beoordelen. Culturele gedragingen proberen te
snappen binnen eigen culturele context.
Universalisme: een wijze van kijken naar culturen waarbij ervan uitgegaan wordt
dat er algemene, voor iedereen geldende waarden zijn. Dominante westerse
waarden.
b Pluralisme: willen leren van elkaars culturen. Culturen zijn niet statisch, maar
vormen zich telkens opnieuw. Het is denken in ‘interactieve verscheidenheid’.
Bevindt zich tussen het relativisme en universalisme in.
Culturen zijn niet statisch maar vormen zich telkens opnieuw.
Multiculturalisme: geeft ruimte aan verschillende culturen. Risico is de
marginalisering door vast te houden aan de ‘oude cultuur’.
Condicion migrante: een ‘permanent tijdelijk verblijf’. Migratie is een proces
van ontworteling en opnieuw je identiteit vormgeven: een ingewikkeld proces.
Wereldcultuur: er verbreidt zich een wereldcultuur die te vergelijken is met een
grote supermarkt; een enorm aanbod maar in elke supermarkt hetzelfde concept.
(De Swaan). Voorbeeld hiervan is de supermarkt AH XL die er overal hetzelfde
uitziet.
, 2. De werkelijkheid verandert sneller dan onze taal
Terugkoppeling ‘cultuur-opdracht’. Toch even een paar sleutelbegrippen onder de loep:
1 Cultuur: het (aangeleerde) gedragsrepertoire dat mensen behorend tot een
bepaalde groep of samenleving gemeenschappelijk hebben. Het is een grote
groep en gaat veelal over gedrag.
2 Subcultuur: een cultuur die in bepaalde opzichten afwijkt van, doch in andere
opzichten overeenkomt met het grotere culturele geheel waarbinnen de
subcultuur van een bepaalde groepering in de samenleving voorkomt. Is vaak een
kleine groep.
3 Referentiegroep: sociale groep waarnaar iemand zich in z’n gedragsnormen richt.
4 Waarden:
Persoonlijk: datgene wat iemand belangrijk vindt in zijn of haar leven en
probeert te bereiken.
Groep: ideeën van wat binnen een groep/maatschappij goed, juist en
daarom (in het algemeen belang) nastrevenswaardig is.
5 Norm: concrete gedragsregels die ons gedrag sturen, vaak afgeleid van ‘dieper
liggende’ waarden.
Identiteit: groep bepaald meestal wat voor identiteit je hebt. Je bent een student
bijvoorbeeld. Je identiteit wijst hoe sociaal je bent. Het geeft aan wie jij bent. Je kan je
identiteit niet helemaal vrij kiezen. Identiteiten wisselen tegenwoordig heel snel. Denk
aan je digitale en normale identiteit (kunnen verschillen). =
Variabel, wisselend, veranderlijk en situationeel
Sociale identiteiten: ‘onder andere identiteiten (sociale herkenning en erkenning)
Etnisch bewustzijn hangt af van etnisch relevante signalen (sterker binnen eigen
groep)
Duale identiteit (leven tussen twee werelden); jou wortels en de wortels van je ouders
liggen ergens anders. Je leeft dus in 2 werelden. Denk bijvoorbeeld aan migranten.
Etnisch bewustzijn: minderheden in een samenleving voelen zich vaker in een andere
etnische groep dan de normaal cultuur . Binnen de eigen groep kun je voorstellen dat je
een eigen cultuur en eigen gebruiken heb. Je gaat naar bepaalde feesten of hebt
bepaalde tradities.
Migratie
1 Koloniale geschiedenis
2 Arbeidsmigratie/volgmigratie
3 Vluchtelingen en asielzoekers
Migratiestromen in beeld: koloniale geschiedenis
1 Indonesië
Jaren ’50 (kiezen meestal voor een betere toekomst)
Kolonialen, Indo’s en inlanders
Kolonialen: van NL naar IND en weer terug naar NL. Een gedeelte
hiervan werd gedwongen om weer terug te gaan.
Inlanders: mensen die zelf kozen om naar NL omdat het op dat
moment kon.
Molukkers: geen schoolvoorbeeld voor integratie
Hebben meegevochten met NL in IND waardoor zij niet in IND
worden geaccepteerd. Daarom zijn Molukkers ook trots op hun
eigen cultuur en willen zij geen IND zijn. NL heeft Molukkers een
eigen land beloofd als ze mee zouden vechten met de oorlog, maar
eindstand hebben zij niks gekregen.
2 Suriname
Jaren ‘70 tot ‘80