Inclusie: een breed begrip
Inclusie is van groot belang voor het bereiken van een samenleving waarin iedere burger gelijke kansen
heeft op maatschappelijke participatie. De laatste jaren is er veel aandacht besteed aan inclusie. Daarbij
zijn veel verschillende definities opgesteld. Deze definities betrekken soms mensen in een kwetsbare
positie en soms mensen met functiebeperkingen. De definities gaan uit van 2 invalshoeken:
1. Een ideologische invalshoek
De gedachte hierachter is dat de verschillen tussen mensen de basis vormen voor de opbouw van een
veelkleurige, open en veelzijdige samenleving. Denk hierbij aan initiatieven als Samen naar School.
In deze visie zijn verschillen nodig om de gewenste gevarieerde samenleving tot stand te brengen.
2. Een pragmatische invalshoek
Hierbij gaat de aandacht vooral uit naar het verbeteren van de bereikbaarheid, toegankelijkheid en
bruikbaarheid van de samenleving voor alle burgers, met specifieke aandacht voor mensen met een
functiebeperking.
Vermaatschappelijking van buiten naar binnen
Vermaatschappelijking is ontstaan vanuit de zorgsector en richt zich voornamelijk op (re)-integratie van
mensen met een functiebeperking terug naar de samenleving.
Vroeger verbleven mensen met een functiebeperking vaak langdurig in grote instellingen, buiten de
gewone samenleving. Patiënten werden gehuisvest op locaties waar eigenheid, keuzemogelijkheden en
privacy ontbrak. In de 2e helft van de vorige eeuw ontstond er veel kritiek op het feit dat een grote groep
mensen op deze wijze werd uitgesloten van deelname aan de samenleving.
Om deze reden besloot de overheid tot vermaatschappelijking: het streven om psychosociaal kwetsbare
mensen zo veel mogelijk te laten wonen, werken, recreëren en deelnemen aan de samenleving.
Om dit te realiseren was vermaatschappelijking in de zorg noodzakelijk Het vorm geven aan zorg en
ondersteuning in maatschappelijke kaders, in een samenwerkingsverband tussen categorale en reguliere
instellingen. Vermaatschappelijking was dus een beweging van buiten naar binnen.
Inclusie: binnen beginnen
De inclusiebeweging heeft dezelfde wortels als vermaatschappelijking, maar is breder en heeft haar
vertrekpunt binnen de samenleving. Inclusie krijgt vorm vanuit de gedachte dat het burgerschap van
mensen in een kwetsbare positie vanzelfsprekend begint in de samenleving en dat het niet bevochten
hoeft te worden vanuit een positie aan de rand van of zelfs buiten de samenleving.
Inclusief beleid betekent vanuit hetzelfde basisrecht op een acceptabele kwaliteit van leven zoeken naar
passende oplossingen voor specifieke vragen en behoeften.
(Er moet rekening worden gehouden met de verschillende mogelijkheden en behoeften van mensen).
Burgerschapsmodel
De overgang van het defectparadigma naar het burgerschapsparadigma. De belangrijkste elementen van
het burgerschapsmodel volgens Van Gennep:
1. Volwaardig burgerschap
2. Keuze en controle
3. Recht op ondersteuning bij het gebruik van kennis, middelen en relaties die nodig zijn voor
maatschappelijke participatie
4. Recht op een goede kwaliteit van leven
,Basisattitude
De overgang van het defect naar het burgerschapparadigma is een eerste aanzet voor het vastleggen van
de inclusiegedachte, maar er is nog onvoldoende om de inclusiegedachte echt vast te leggen.
Hierbij staat centraal dat (sociale) professionals, maar ook burgers in het algemeen, de verschillen tussen
mensen moeten gaan zien als een meerwaarde. De belangrijkste doelstellingen van de WMO
(zelfredzaamheid, participatie en sociale samenhang) hangen hiermee sterk samen en sluiten aan bij deze
paradigmaverschuiving.
In de notitie Competenties in de branche Welzijn en Maatschappelijke Dienstverlening staat beschreven
welke competenties (sociale) professionals hiervoor nodig hebben. Deze competenties zijn:
- versterkt eigen kracht en regie;
- stimuleert verantwoordelijk gedrag;
- is zichtbaar en gaat op mensen af;
- verheldert vragen en behoeften;
- verbindt gezamenlijke en individuele aanpak;
- stuurt aan op betrokkenheid en participatie;
- werkt samen en versterkt netwerken;
- beweegt zich in uiteenlopende werelden;
- doorziet verhoudingen en anticipeert op veranderingen;
- benut professionele ruimte en is ondernemend
Het is niet de bedoeling dat sociale professionals zich opstellen als de alwetende die de ondersteuning van
de kwetsbare burgers in de samenleving op zich neemt. Als dit zou gebeuren zou er een nieuwe
tweedeling komen en dan zou de maatschappelijke onverantwoordelijkheid bij burgers versterkt worden.
(2) Inclusie in context
Sociaal werk draait om het begeleiden en ondersteunen van kwetsbare burgers zoals kinderen, ouderen,
justitiabelen, dak—en thuislozen en mensen met een psychiatrisch en/of lichamelijk ziektebeeld.
Sociaal werkers proberen ervoor te zorgen dat deze burgers aansluiting vinden in de maatschappij.
Historische context: van charitas tot volksverheffing
In de laat Romeinse tijd werden kloosters toevluchtoorden voor mensen die hulp nodig hadden.
In de middeleeuwen stond iets goed doen voor armen gelijk aan iets goed doen voor God.
Je zou hierdoor een plaats in de hemel kunnen verdienen.
Toen in de elfde eeuw de steden groeiden, stichtte rijke particulieren met dezelfde redenen velen
gasthuizen die opvang boden aan bijv. zieken en wezen. Na enkele eeuwen raakten de gasthuizen steeds
meer gespecialiseerd. Zo werden mensen met een psychiatrische achtergrond of verstandelijke beperking
vanaf de 15e eeuw ondergebracht in ‘dolhuizen’.
Met de verdere groei van de steden en de renaissance in de 16 eeuw trad er een belangrijke verandering
op in het denken over armoede en hulpbehoevendheid. Het opkomende humanisme stelde niet langer God
centraal, maar de mens. Denkers zagen armoede als een sociaal probleem dat zo snel mogelijk uit de
wereld moest worden geholpen door preventie en het aanleren van een goede arbeidsmoraal, discipline
en een sobere levensstijl. De humanisten vonden dat niet de katholieke kerk, maar de stedelijke overheid
de regie over armenzorg moest hebben. Met de opkomst van de wetenschap begonnen de kerken hun
machtige positie te verliezen. Verlichtingsdenkers stelden niet langer God, maar het denken centraal.
Hoewel hun levensbeschouwelijke uitgangspunten van elkaar verschilden, ontwikkelden de belangrijkste
drie partijen in de sociale zorg (de verlichte burgerij, de katholieke kerk en de protestante kerken) dikwijls
vergelijkbare voorzieningen.
, Kenmerkend van de drie partijen is hun geloof in de maakbaarheid van de mens en de samenleving.
Alle drie richtten ze op het platteland bijvoorbeeld opvanghuizen op voor verwaarloosde en criminele
kinderen, die hier strenge heropvoeding kregen.
Ook zien we bij alle drie de humanisering van de psychiatrie terug. Krankzinnigheid kon genezen worden.
De opkomende Moral Treatment richtte zich op het opvoeden van de patiënten door hen te trainen, te
scholen en door hun rationele zelfdiscipline aan te leren waardoor dwangmiddelen niet meer nodig waren.
Men wilden ook de woon—en leefomstandigheden van krankzinnigen verbeteren door hen te plaatsen in
nieuwe gestichten op het platteland, afgesloten van de omgeving die hen ziek had gemaakt.
Ze werden dus als het ware uit de samenleving gehaald om hun genezingsproces te stimuleren.
Van nachtwakersstaat naar welvaartsstaat
Tot het midden van de 19e eeuw was de sociale hulp—en dienstverlening particulier en lokaal
georganiseerd.
Onder invloed van de toenemende industrialisering, verstedelijking en staats—en natievorm raakten
mensen in de loop der tijd van elkaar afhankelijk. Onder deze omstandigheden werd de staat steeds
belangrijker. Begonnen als nachtwakersstaat die uitsluitend verantwoordelijk was voor het borgen van de
veiligheid en de rechtsorde, kreeg hij gaandeweg steeds meer taken (ook op het gebied van zorg en
welzijn).
De staat stelde belastingen in om burgers te participeren in het sociale stelsel.
In Nederland duurde het tot het einde van de 19e eeuw voordat de staat zich actief ging bemoeien met het
welzijn van de kwetsbare burgers. Langzaamaan ontstond er meer draagvlak voor overheidsbemoeienis op
dit gebied. Dit was mede het gevolg van de groeiende kritiek op de kerkelijke en particuliere armenzorg.
Deze was te willekeurig en er werd weinig toezicht op gehouden. Daarnaast werd de steun voor
overheidsingrijpen gevoed door de toenemende aandacht voor sociale misttanden die zich tijdens de
industrialisatie voordeden (zoals kinderarbeid, armoede onder arbeiders etc).
De eerste stappen van de overheid op het gebied van sociale wetgeving waren gericht op het bestrijden
van de ongewenste gevolgen van het industrialisering – en verstedelijkingsproces. Dit begon met de
invoering van
het Kinderwetje van Houten in 1874 en de Arbeidswet in 1889.
In het begin van de 20e eeuw groeide de overheidsbemoeienis, met onder meer de invoering van de
Leerplichtwet, de Woningwet en de Ongevallenwet in 1901 en de Kinderwetten in 1905.
Parallel hieraan vond een professionaliseringsproces plaats in het sociaal werk. In 1899 startte de eerste
beroepsopleiding voor sociaal werk, de Opleidingsrichting voor Socialen Arbeid.
In deze periode zien we de maakbaarheid van de mens duidelijk terug er komen woningopzichters.
Daarnaast ontstond er in deze periode de volkshuizen, waarin culturele en educatieve activiteiten werden
georganiseerd.
In de 2e helft van de 19e eeuw werd de zorg voor mensen met een psychiatrisch ziektebeeld gescheiden
van de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking.
Tot in de late jaren ’50 hield de overheid zich bezig met het tegengaan van de armoede via sociale
verzekeringen op basis van het equivalentiebeginsel. Daarna werd het solidariteitsprincipe leidend.
Met de invoering van de Bijstandswet in 1965 werd de armenzorg voor het eerst een
overheidsaangelegenheid en werd ondersteuning een recht in plaats van een gunst.
Na de 2e Wereldoorlog kwamen er een aantal maatschappelijke ontwikkelingen. Het verzet tegen de
traditionele, autoritaire gezagsverhoudingen groeide. Ook ontstonden er nieuwe bewegingen, zoals de
vrouwenbeweging. Het idee dat het individu zich moest aanpassen aan de samenleving werd aangevuld