Samenvatting Praktisch Straf(proces)recht
Tweede druk
Hoofdstuk 1 – Het strafbare feit
Vier voorwaarden om van een strafbaar feit te kunnen spreken:
Het gaat om een menselijke gedraging
Een menselijke gedraging kan bestaan uit een doen (gewilde spierkracht
uitoefenen > iemand met messteken om het leven brengen) of nalaten
(iemand had spierkracht kunnen uitoefenen om iemand zijn leven te
redden; bijv. niets doen wanneer je iemand in de sloot ziet liggen).
Functioneel daderschap > naast natuurlijke personen kunnen ook
rechtspersonen een strafbaar feit plegen.
Deze gedraging valt binnen een delictsomschrijving
In een delictsomschrijving staat welke gedragingen volgens de wet
verboden zijn > moet dus altijd wettelijk vastgelegd zijn (Art. 1 Sr >
legaliteitsbeginsel)
Willem fietst door het bos (menselijke gedraging) > staat nergens in de
wet dat dit strafbaar is > geen strafbaar feit.
De gedraging is wederrechtelijk > ‘in strijd met het recht’
Wanneer je iemand mishandelt maar dit doet uit zelfverdediging >
rechtvaardigingsgrond noodweer > als je hierop een beroep doet wat
succesvol afloopt, betekent dit dat een verdachte niet wederrechtelijk
heeft gehandeld.
De gedraging is aan schuld te wijten > de verdachte moet een verwijt
kunnen worden gemaakt; de gedraging moet de verdachte kunnen worden
toegerekend.
Verwijtbaarheid: verdachte had anders kunnen handelen, maar heeft dit
niet gedaan.
Het kan ook voorkomen dat iemand gedwongen wordt een strafbaar feit te
plegen > iemand dwingt je bijv. om tegen een fietser aan te rijden met de
dood tot gevolg), dan doet de verdachte een beroep op een
schulduitsluitingsgrond > is dit succesvol > verdachte heeft geen
schuld en dus is er geen strafbaar feit.
Bestanddelen en elementen
De voorwaarden voor een strafbaar feit wederrechtelijkheid en schuld >
elementen; ongeschreven voorwaarden om iemand te kunnen straffen.
Onderdelen van een delictsomschrijving > bestanddelen; zijn altijd in een
tenlastelegging opgenomen en moeten door een rechter bewezen worden
verklaard.
Verschillende strafbare feiten
Misdrijven en overtredingen
Misdrijven (boek 2 Sr): delicten waarvan de wetgever vindt dat de
overtreder ervan zwaar(der) gestraft moet worden. Op misdrijven staat
dan ook altijd een gevangenisstraf > rechtbank
Overtredingen (boek 3 Sr): delicten waarvan de wetgever heeft gemeend
dat de strafbedreiging wat minder mag zijn. Voor overtredingen krijgt de
dader alleen een geldboete of hechtenis > kantonrechter
Formele en materiële delicten
Formele delicten (delicten die een bepaald handelen strafbaar stellen):
de handeling wordt strafbaar gesteld en het eventuele gevolg is niet van
belang.
, Samenvatting Praktisch Straf(proces)recht
Tweede druk
Bijv. art. 310 Sr: diefstal. Strafbaar is het wegnemen van een goed.
Materiële delicten: stellen het intreden van een bepaald gevolg juist
strafbaar (hier staat dus het gevolg centraal, niet de handeling)
Voorbeeld: doodslag, de wetgever heeft niet omschreven hoe iemand van
het leven wordt beroofd, maar het gaat er juist om dat het strafbaar is als
iemand wordt gedood > het maakt dus niet uit of het met een pistool, gif,
messteken gebeurd is.
Commissie- en omissiedelicten
Commissiedelicten: delicten die een bepaald handelen strafbaar
stellen (mishandelen, andermans spullen vernielen, stelen etc.)
Omissiedelicten: stellen juist het nalaten strafbaar, niet het doen (het
nalaten om hulp te verlenen aan iemand die in levensgevaar verkeert).
In de delictsomschrijving moet wel altijd goed omschreven staan welk
nalaten aan wie moet worden toegerekend.
Gronddelicten, gekwalificeerde delicten en geprivilegieerde delicten
Uitgangspunt is dat een bepaalde gedraging strafbaar is gesteld > het
gronddelict
Gekwalificeerd delict: een zwaardere variant op een gronddelict.
Geprivilegieerd delict: een lichtere variant op het gronddelict. Het is net als
een gekwalificeerd delict een variatie op het gronddelict.
Voorbeeld geprivilegieerd delict: art. 290 Sr > kinderdoodslag.
Doodslag: opzettelijk > gronddelict
Moord: opzettelijk + met voorbedachten rade > gekwalificeerd delict
Hoofdstuk 2 – Wederrechtelijkheid
Wederrechtelijkheid: element en bestanddeel
Betekenis I: zonder toestemming van de rechthebbende
De verdachte handelt zonder eigen recht (de leer van Remmelink). Het gaat
hierbij niet alleen om een privaatrechtelijke bevoegdheid van de verdachte (zoals
het hebben van toestemming van de rechthebbende), maar kan ook een
publiekrechtelijke bevoegdheid zijn (politieoptreden).
Betekenis II: bestanddeel is element
Vaak heeft het bestanddeel wederrechtelijkheid dezelfde betekenis als het
element wederrechtelijkheid > de verdachte heeft in strijd met de geschreven en
ongeschreven regels gehandeld die in Nederland gelden.
Verschillende betekenissen geven verschillende uitkomsten
Het kan zo zijn dat je bij het hanteren van de ene betekenis vrijuit gaat, en bij het
hanteren van de andere betekenis veroordeeld wordt. Er is een verschil tussen
‘zonder toestemming van de rechthebbende’ en ‘in strijd met het recht’. Als ik
tegen Pietje zeg dat hij me mag opsluiten, heeft Pietje toestemming van de
rechthebbende, maar hij handelt wel in strijd met het recht.
Hoofdstuk 3 – Opzet
Opzet is een bestanddeel in het strafrecht dat vaak voorkomt. In het dagelijks
leven is er pas sprake van opzet als je met je handelen kwaad in de zin hebt. Als
je iets niet wist, kun je het ook niet expres gedaan hebben > geen opzet dus.
Maar juridisch gezien kan er ook sprake zijn van opzet zonder dat iemand kwaad
in de zin heeft gehad.
Tweede druk
Hoofdstuk 1 – Het strafbare feit
Vier voorwaarden om van een strafbaar feit te kunnen spreken:
Het gaat om een menselijke gedraging
Een menselijke gedraging kan bestaan uit een doen (gewilde spierkracht
uitoefenen > iemand met messteken om het leven brengen) of nalaten
(iemand had spierkracht kunnen uitoefenen om iemand zijn leven te
redden; bijv. niets doen wanneer je iemand in de sloot ziet liggen).
Functioneel daderschap > naast natuurlijke personen kunnen ook
rechtspersonen een strafbaar feit plegen.
Deze gedraging valt binnen een delictsomschrijving
In een delictsomschrijving staat welke gedragingen volgens de wet
verboden zijn > moet dus altijd wettelijk vastgelegd zijn (Art. 1 Sr >
legaliteitsbeginsel)
Willem fietst door het bos (menselijke gedraging) > staat nergens in de
wet dat dit strafbaar is > geen strafbaar feit.
De gedraging is wederrechtelijk > ‘in strijd met het recht’
Wanneer je iemand mishandelt maar dit doet uit zelfverdediging >
rechtvaardigingsgrond noodweer > als je hierop een beroep doet wat
succesvol afloopt, betekent dit dat een verdachte niet wederrechtelijk
heeft gehandeld.
De gedraging is aan schuld te wijten > de verdachte moet een verwijt
kunnen worden gemaakt; de gedraging moet de verdachte kunnen worden
toegerekend.
Verwijtbaarheid: verdachte had anders kunnen handelen, maar heeft dit
niet gedaan.
Het kan ook voorkomen dat iemand gedwongen wordt een strafbaar feit te
plegen > iemand dwingt je bijv. om tegen een fietser aan te rijden met de
dood tot gevolg), dan doet de verdachte een beroep op een
schulduitsluitingsgrond > is dit succesvol > verdachte heeft geen
schuld en dus is er geen strafbaar feit.
Bestanddelen en elementen
De voorwaarden voor een strafbaar feit wederrechtelijkheid en schuld >
elementen; ongeschreven voorwaarden om iemand te kunnen straffen.
Onderdelen van een delictsomschrijving > bestanddelen; zijn altijd in een
tenlastelegging opgenomen en moeten door een rechter bewezen worden
verklaard.
Verschillende strafbare feiten
Misdrijven en overtredingen
Misdrijven (boek 2 Sr): delicten waarvan de wetgever vindt dat de
overtreder ervan zwaar(der) gestraft moet worden. Op misdrijven staat
dan ook altijd een gevangenisstraf > rechtbank
Overtredingen (boek 3 Sr): delicten waarvan de wetgever heeft gemeend
dat de strafbedreiging wat minder mag zijn. Voor overtredingen krijgt de
dader alleen een geldboete of hechtenis > kantonrechter
Formele en materiële delicten
Formele delicten (delicten die een bepaald handelen strafbaar stellen):
de handeling wordt strafbaar gesteld en het eventuele gevolg is niet van
belang.
, Samenvatting Praktisch Straf(proces)recht
Tweede druk
Bijv. art. 310 Sr: diefstal. Strafbaar is het wegnemen van een goed.
Materiële delicten: stellen het intreden van een bepaald gevolg juist
strafbaar (hier staat dus het gevolg centraal, niet de handeling)
Voorbeeld: doodslag, de wetgever heeft niet omschreven hoe iemand van
het leven wordt beroofd, maar het gaat er juist om dat het strafbaar is als
iemand wordt gedood > het maakt dus niet uit of het met een pistool, gif,
messteken gebeurd is.
Commissie- en omissiedelicten
Commissiedelicten: delicten die een bepaald handelen strafbaar
stellen (mishandelen, andermans spullen vernielen, stelen etc.)
Omissiedelicten: stellen juist het nalaten strafbaar, niet het doen (het
nalaten om hulp te verlenen aan iemand die in levensgevaar verkeert).
In de delictsomschrijving moet wel altijd goed omschreven staan welk
nalaten aan wie moet worden toegerekend.
Gronddelicten, gekwalificeerde delicten en geprivilegieerde delicten
Uitgangspunt is dat een bepaalde gedraging strafbaar is gesteld > het
gronddelict
Gekwalificeerd delict: een zwaardere variant op een gronddelict.
Geprivilegieerd delict: een lichtere variant op het gronddelict. Het is net als
een gekwalificeerd delict een variatie op het gronddelict.
Voorbeeld geprivilegieerd delict: art. 290 Sr > kinderdoodslag.
Doodslag: opzettelijk > gronddelict
Moord: opzettelijk + met voorbedachten rade > gekwalificeerd delict
Hoofdstuk 2 – Wederrechtelijkheid
Wederrechtelijkheid: element en bestanddeel
Betekenis I: zonder toestemming van de rechthebbende
De verdachte handelt zonder eigen recht (de leer van Remmelink). Het gaat
hierbij niet alleen om een privaatrechtelijke bevoegdheid van de verdachte (zoals
het hebben van toestemming van de rechthebbende), maar kan ook een
publiekrechtelijke bevoegdheid zijn (politieoptreden).
Betekenis II: bestanddeel is element
Vaak heeft het bestanddeel wederrechtelijkheid dezelfde betekenis als het
element wederrechtelijkheid > de verdachte heeft in strijd met de geschreven en
ongeschreven regels gehandeld die in Nederland gelden.
Verschillende betekenissen geven verschillende uitkomsten
Het kan zo zijn dat je bij het hanteren van de ene betekenis vrijuit gaat, en bij het
hanteren van de andere betekenis veroordeeld wordt. Er is een verschil tussen
‘zonder toestemming van de rechthebbende’ en ‘in strijd met het recht’. Als ik
tegen Pietje zeg dat hij me mag opsluiten, heeft Pietje toestemming van de
rechthebbende, maar hij handelt wel in strijd met het recht.
Hoofdstuk 3 – Opzet
Opzet is een bestanddeel in het strafrecht dat vaak voorkomt. In het dagelijks
leven is er pas sprake van opzet als je met je handelen kwaad in de zin hebt. Als
je iets niet wist, kun je het ook niet expres gedaan hebben > geen opzet dus.
Maar juridisch gezien kan er ook sprake zijn van opzet zonder dat iemand kwaad
in de zin heeft gehad.