Inflatie
Een stijging van het algemeen prijspeil noemen wij inflatie. De koopkracht (waarde) van
het geld daalt: Hogere prijzen = inflatie, dat leidt tot geldontwaarding, je kunt voor
hetzelfde geld minder kopen.
Prijsindexcijfers
Om de inflatie in een bepaalde periode te meten maken we gebruik van prijsindexcijfers
(PIC). PIC zijn getallen waarbij de basis op 10 gesteld wordt en de andere naar
verhouding omgerekend worden.
De wijze van berekening is hetzelfde als bij de indexcijfers, alleen gaat dit dan over
prijzen die in een bepaald jaar betaald moeten worden voor een dienst/product. Je kunt
zo per jaar aflezen de stijging of daling in %. Ook het verleggen van het basisjaar gaat
op dezelfde wijze als bij de indexcijfers (Nieuw-Oud)/Oudx100%.
De consumentenprijsindex.
Het belangrijkste prijsindexcijfer is de consumentenprijsindex (CPI). Stijgt de CPI, dan
stijgt ook de inflatie. Dat is een indexcijfer gebaseerd op de gemiddelde prijzen van
meerdere producten en diensten (dit noemt men het pakket van goederen / producten)
die een gezin afneemt. Deze goederen worden dus ieder voor een eigen gewicht in de CPI
worden opgenomen. Als een product duurder wordt houdt dit niet in dat de inflatie
stijgt. Pas als wij de prijzen weten van alle goederen kun je de inflatie bepalen. Het CPI
is dus een gewogen gemiddelde die uitgaat van de verschillende wegingsfactoren (als %)
per een goed, Het totaal van de percentages die de CPI berekenen is altijd 100%. De CPI
kan worden berekend over verschillende soorten mensen, immers mensen met lagere
inkomens zullen een hoger percentage besteden van hun inkomen aan voedsel en
woonlasten.
Het CPI wordt berekend in NL door het CBS. Gezinnen in NL houden hun uitgaven bij
waaraan zij hun inkomen of budget aan uitgeven. Dit noem je een budgetonderzoek
door het CBS. Uit dit bestedingspatroon bepaald het CBS dan de wegingsfactoren en
berekend zo de CPI.
Om een idee te krijgen hoe het CBS de CPI berekent volgt een eenvoudig voorbeeld. Een pakket goederen bestaat uit
voeding, kleding, huur, vervoer en een categorie overige.
De CPI is gemakkelijk uit te rekenen. Elk prijsindexcijfer wordt vermenigvuldigd met de behorende wegingsfactor. De
uitkomsten hiervan tel je bij elkaar op. Met de getallen uit een tabel volgt: CPI: (0,2 x 108) +(0,10 x 95) + (0,25 x 110) +
(0,15 x 106) + (0,3 x 100) = 104,5
Wijziging in het bestedingspatroon en wegingsfactoren
Wegingsfactore/bestedingspatroon n veranderen doordat behoeften veranderen.
Zo geeft men nu meer geld uit aan internet en mobiel bellen, terwijl dit
product/dienst vroeger niet was.
Substituten: Van goederen die relatief duurder wordt en wordt over het
algemeen minder gekocht. Zij worden vervangen door substituten. Als koffie
bijv. te duur wordt, koopt men meer thee. Is de trein te duur, dan neemt men
de bus.
Prijsdaling of stijging van complementaire goederen. Dit zijn goederen die
samen gebruikt worden. Als de prijs van bijv. een auto flink duurder wordt,
Een stijging van het algemeen prijspeil noemen wij inflatie. De koopkracht (waarde) van
het geld daalt: Hogere prijzen = inflatie, dat leidt tot geldontwaarding, je kunt voor
hetzelfde geld minder kopen.
Prijsindexcijfers
Om de inflatie in een bepaalde periode te meten maken we gebruik van prijsindexcijfers
(PIC). PIC zijn getallen waarbij de basis op 10 gesteld wordt en de andere naar
verhouding omgerekend worden.
De wijze van berekening is hetzelfde als bij de indexcijfers, alleen gaat dit dan over
prijzen die in een bepaald jaar betaald moeten worden voor een dienst/product. Je kunt
zo per jaar aflezen de stijging of daling in %. Ook het verleggen van het basisjaar gaat
op dezelfde wijze als bij de indexcijfers (Nieuw-Oud)/Oudx100%.
De consumentenprijsindex.
Het belangrijkste prijsindexcijfer is de consumentenprijsindex (CPI). Stijgt de CPI, dan
stijgt ook de inflatie. Dat is een indexcijfer gebaseerd op de gemiddelde prijzen van
meerdere producten en diensten (dit noemt men het pakket van goederen / producten)
die een gezin afneemt. Deze goederen worden dus ieder voor een eigen gewicht in de CPI
worden opgenomen. Als een product duurder wordt houdt dit niet in dat de inflatie
stijgt. Pas als wij de prijzen weten van alle goederen kun je de inflatie bepalen. Het CPI
is dus een gewogen gemiddelde die uitgaat van de verschillende wegingsfactoren (als %)
per een goed, Het totaal van de percentages die de CPI berekenen is altijd 100%. De CPI
kan worden berekend over verschillende soorten mensen, immers mensen met lagere
inkomens zullen een hoger percentage besteden van hun inkomen aan voedsel en
woonlasten.
Het CPI wordt berekend in NL door het CBS. Gezinnen in NL houden hun uitgaven bij
waaraan zij hun inkomen of budget aan uitgeven. Dit noem je een budgetonderzoek
door het CBS. Uit dit bestedingspatroon bepaald het CBS dan de wegingsfactoren en
berekend zo de CPI.
Om een idee te krijgen hoe het CBS de CPI berekent volgt een eenvoudig voorbeeld. Een pakket goederen bestaat uit
voeding, kleding, huur, vervoer en een categorie overige.
De CPI is gemakkelijk uit te rekenen. Elk prijsindexcijfer wordt vermenigvuldigd met de behorende wegingsfactor. De
uitkomsten hiervan tel je bij elkaar op. Met de getallen uit een tabel volgt: CPI: (0,2 x 108) +(0,10 x 95) + (0,25 x 110) +
(0,15 x 106) + (0,3 x 100) = 104,5
Wijziging in het bestedingspatroon en wegingsfactoren
Wegingsfactore/bestedingspatroon n veranderen doordat behoeften veranderen.
Zo geeft men nu meer geld uit aan internet en mobiel bellen, terwijl dit
product/dienst vroeger niet was.
Substituten: Van goederen die relatief duurder wordt en wordt over het
algemeen minder gekocht. Zij worden vervangen door substituten. Als koffie
bijv. te duur wordt, koopt men meer thee. Is de trein te duur, dan neemt men
de bus.
Prijsdaling of stijging van complementaire goederen. Dit zijn goederen die
samen gebruikt worden. Als de prijs van bijv. een auto flink duurder wordt,