Hoofdstuk 7. Voeding bij diabetes mellitus.
Samenvatting.
Voedingsadvisering is een belangrijk onderdeel van de behandeling van diabetes. De wijze
waarop patienten met voeding omgaan is een belangrijke factor voor het bereken van een
goede glucoseregulatie. De voedingsadviezen voor diabetes type 1 en diabetes type 2
komen grotendeels overeen, al verschillen de uitgangspunten. De voeding dient gevarieerd
te zijn. De nadruk in het voedingsadvies moet liggen op de totale voedingspatroon en niet op
afzonderlijke voedingsmiddelen of bestanddelen daarvan. De aanbevolen dagelijkse
hoeveelheid koolhydraten voor mensen met diabetes is gelijk aan die voor gezonde mensen:
40-70 en%. Bij een gezond gewicht zou 20-40 en % per dag uit vet moeten komen, bij
overgewicht of ongewenste gewichtstoename niet meer dan 20-35 en%. Daarbij moet de
vetzuursamenstelling gericht zijn op vermindering van de kans op coronaire hartziekten: zo
weinig mogelijk verzadigde vetzuren (<10 en % per dag) en transvetzuren (<1 en%). De ADH
eiwitten voor mensen met diabetes en een goede nierfunctie is gelijk aan die voor gezonde
volwassenen (0,8-1,2 g/kg lichaamsgewicht of 10-20 en% per dag). Een belangrijk advies is
bij een hypoglykemie 15-20 g koolhydraten in te nemen, bij voorkeur glucose, en na 15-20
minuten de bloedglucosewaarde opnieuw te controleren. Is deze nog te laag, dan is opnieuw
extra glucose nodig.
1. Inleiding.
De wijze waarop patienten met voeding en voedingsadviezen omgaan is een belangrijke
factor voor het bereiken van een goede glucoseregulatie.
2. Doelstelling van de dieetbehandeling.
Algemene doelstellingen van de diabetesbehandeling:
- Beperken van acute klachten van hypo- en hyperglykemie.
- Voorkomen of uitstellen van late complicaties (t.g.v. micro- en macroangiopathie).
- Behoud of verbetering van kwaliteit van leven.
Doelstelling die met voedingstherapie kunnen worden bereikt zijn hiervan afgeleid:
- Optimaliseren van de bloedglucosewaarden.
- Goede afstemming op bloedglucoseverlagende medicatie.
- Optimaliseren van het lipidenprofiel en de bloeddruk.
- Volwaardige en leeftijdsadequate voeding.
- Handhaven/normaliseren van het lichaamsgewicht en de middelomtrek.
Preventie van diabetes type 2.
De incidentie van diabetes type 2 neemt bij zowel volwassenen als kinderen toe en daarmee
ok de verwachte complicaties op de lange termijn. Primaire preventie wordt daarom steeds
belangrijker en voedingsadviezen spelen daarin een voorname rol.
3. Macronutriënten.
3.1. Energie.
De energiebehoefte van mensen met diabetes is gelijk aan die van mensen zonder diabetes.
Bij mensen met diabetes type 2 leidt overgewicht tot een toenemende
insulineongevoeligheid of –resistentie, een verslechterde glucoseregulatie en een verhoogd
risico op micro- en macrovasculaire complicaties. Ook bij diabetes type 1 is overgewicht
geassocieerd met micro- en macrovasculaire complicaties, insulineresistentie en een
verslechterende glucoseregulatie.
,Classificatie BMI (kg/m2) Risico op diabetes type 2, hypertensie en hart- en
vaatziekten.
Normale middelomtrek Toename middelomtrek*
Ondergewich <18,5 - -
t
Normaal 18,5 - 24,9 - -
Overgewicht 25 - 29,9 Verhoogd Hoog
Obesitas
-niveau I 30 - 34,9 Hoog Zeer hoog
-niveau II 35 - 39,9 Zeer hoog Zeer hoog
-niveau III ≥ 40 Extreem hoog Extreem hoog
*
≥ 102 cm bij mannen, ≥ 88 cm bij vrouwen.
3.2. Koolhydraten.
De ADH voor koolhydraten is 40-70 en% per dag.
De hoeveelheid koolhydraten in een maaltijd is een belangrijke voorspeleer van de
postprandiale glykemische respons. Een dieet met een laag koolhydraatgehalte lijkt daarom
een logische stap in de behandeling van diabetes.
Behandeling Voedingsrichtlijn DM 1 Voedingsrichtlijn DM 2
Alleen voedingsadvies, N.v.t. Algemeen geldt het advies te streven naar
eventueel i.c.m. orale een min of meer regelmatige
bloedglucoseverlagende koolhydraatinname.
middelen. Bij SU-derivaten: tussenmaaltijden kunnen
nodig zijn i.v.m. kans op hypoglykemie.
Bij biguaniden, meglitinide, glitazon,
exenatide, liraglutide en DPP-4-remmers
zijn tussenmaaltijden niet nodig.
Een- of tweemaal daags N.v.t. Regelmatige koolhydraatverdeling.
(middel)langwerkend Koolhydraatbevattende tussen-maaltijden
insuline, eventueel i.c.m. kunnen noodzakelijk zijn.
orale
bloedglucoseverlagende
middelen.
Tweemaal daags een Vaste hoeveelheid Met behulp van zelfcontrole nagaan in
mengsel van koolhydraten per maaltijd. hoeverre een vaste verdeling van
snelwerkende en Koolhydraatbevattende koolhydraten nodig is.
middellangwerkende tussenmaaltijden kunnen Koolhydraatbevattende tussenmaaltijden
insuline. noodzakelijk zijn. kunnen noodzakelijk zijn.
Intensieve of flexibele Vaste verdeling en Met behulp van zelfcontrole nagaan of het
insulinetherapie, pen of hoeveelheid koolhydraten nodig is de dosis snelwerkend insuline
pomp met niet noodzakelijk. aan te passen aan wisselende
ultrakortwerkende Mogelijkheid om per koolhydraatinname, dan wel of een extra
(maaltijd)insuline. maaltijd meer of minder dosis insuline nodig is voor een extra
koolhydraten te eten en de koolhydraatbevattende tussenmaaltijd.
dosis snelwerkend insuline
daarop aan te passen. Een
extra dosis insuline voor
een extra
koolhydraatbevattende
tussen-maaltijd kan nodig
zijn.
Diabetesmedicatie en voedingsadviezen.
, De glykemische inde is een maat voor het effect van koolhydraatrijke voedingsmiddelen op
de bloedglucosewaarden en wordt gedefinieerd als ‘de toename van de bloedglucosespiegel
gedurende twee uur na consumptie van een product dat 50 g koolhydraten bevat’. De GI
wordt uitgedrukt als percentage van de respons van dezelfde persoon na consumptie van 50
g koolhydraten in referentievoeding. Een voedingsmiddel met een lage GI (<55) geeft een
minder snelle en hoge stijging van de bloedglucosespiegel dan voedingsmiddelen met een
hogere GI (>70).
Glykemische belasting: de GI gedeeld door 100 en vermenigvuldigd met het aantal grammen
ingenomen koolhydraten.
3.3. Voedingsvezels.
Bij mensen met diabetes lijkt een hoge vezelinname een gunstig effect te hebben op de
bloedglucoseregulatie en het lipidenprofiel en daarmee het risico op hart- en vaatziekten te
verminderen.
3.4. Zoetstoffen.
Intensieve zoetstoffen: acesulfaam-K, cyclamaat, sacharine, stevia en aspartaam, worden
vooral gebruikt in zoetjes, kauwgom en light of zero frisdranken.
Extensieve zoetstoffen: sorbitol, xylitol en maltitol, worden vaak gebruikt in speciale
suikervrije producten voor mensen met diabetes.
3.5. Vetten.
20-40 en% voor mensen met een gezond gewicht en 20-35 en% voor mensen met
overgewicht.
Verzadigde vetzuren verhogen over het algemeen het LDL-cholesterol en daarmee het risico
op hart- en vaatziekten. Er zijn aanwijzingen dat een hoge inname van verzadigd vet ook de
insulinegevoeligheid vermindert.
Aangezien diabetes al gepaard gaat met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten, is het
van belang om inname van verzadigd vet en transvet te beperken.
Omega-3-vetzuren.
Een hogere inname van EPA en DHA hangt samen met minder gevallen van fatale hartziekte
en hartdood.
Plantensterolen en –stanolen.
Dagelijkse inname van 2-3 g plantensterolen en –stanolen leidt bij mensen met diabetes type
2 tot een verlaging van de opname van cholesterol in de darm.
3.6. Eiwitten.
ADH 0,8 g/kg lichaamsgewicht.
Mensen met diabetes moeten er rekening mee houden dat een hoge eiwitinname schadelijk
kan zijn voor de nieren. Er zijn aanwijzingen dat de maximale hoeveelheid eiwit voor mensen
met diabetes 20 en% is.
Diabetische nefropathie.
Diabetische nefropathie: GFR < 60 ml/min/1,73 m2). Bij mensen met diabetes type 1 en
microalbuminurie heeft eiwitreductie tot 0,8-1,0 g/kg lichaamsgewicht een gunstige werking
op de hoeveelheid eiwitverlies in de urine. Bij diabetes type 1 en macroalbuminurie wordt de
progressie van de nierinsufficiëntie wel vertraagd door een eiwitbeperkt dieet van 0,8 g/kg
lichaamsgewicht.
Samenvatting.
Voedingsadvisering is een belangrijk onderdeel van de behandeling van diabetes. De wijze
waarop patienten met voeding omgaan is een belangrijke factor voor het bereken van een
goede glucoseregulatie. De voedingsadviezen voor diabetes type 1 en diabetes type 2
komen grotendeels overeen, al verschillen de uitgangspunten. De voeding dient gevarieerd
te zijn. De nadruk in het voedingsadvies moet liggen op de totale voedingspatroon en niet op
afzonderlijke voedingsmiddelen of bestanddelen daarvan. De aanbevolen dagelijkse
hoeveelheid koolhydraten voor mensen met diabetes is gelijk aan die voor gezonde mensen:
40-70 en%. Bij een gezond gewicht zou 20-40 en % per dag uit vet moeten komen, bij
overgewicht of ongewenste gewichtstoename niet meer dan 20-35 en%. Daarbij moet de
vetzuursamenstelling gericht zijn op vermindering van de kans op coronaire hartziekten: zo
weinig mogelijk verzadigde vetzuren (<10 en % per dag) en transvetzuren (<1 en%). De ADH
eiwitten voor mensen met diabetes en een goede nierfunctie is gelijk aan die voor gezonde
volwassenen (0,8-1,2 g/kg lichaamsgewicht of 10-20 en% per dag). Een belangrijk advies is
bij een hypoglykemie 15-20 g koolhydraten in te nemen, bij voorkeur glucose, en na 15-20
minuten de bloedglucosewaarde opnieuw te controleren. Is deze nog te laag, dan is opnieuw
extra glucose nodig.
1. Inleiding.
De wijze waarop patienten met voeding en voedingsadviezen omgaan is een belangrijke
factor voor het bereiken van een goede glucoseregulatie.
2. Doelstelling van de dieetbehandeling.
Algemene doelstellingen van de diabetesbehandeling:
- Beperken van acute klachten van hypo- en hyperglykemie.
- Voorkomen of uitstellen van late complicaties (t.g.v. micro- en macroangiopathie).
- Behoud of verbetering van kwaliteit van leven.
Doelstelling die met voedingstherapie kunnen worden bereikt zijn hiervan afgeleid:
- Optimaliseren van de bloedglucosewaarden.
- Goede afstemming op bloedglucoseverlagende medicatie.
- Optimaliseren van het lipidenprofiel en de bloeddruk.
- Volwaardige en leeftijdsadequate voeding.
- Handhaven/normaliseren van het lichaamsgewicht en de middelomtrek.
Preventie van diabetes type 2.
De incidentie van diabetes type 2 neemt bij zowel volwassenen als kinderen toe en daarmee
ok de verwachte complicaties op de lange termijn. Primaire preventie wordt daarom steeds
belangrijker en voedingsadviezen spelen daarin een voorname rol.
3. Macronutriënten.
3.1. Energie.
De energiebehoefte van mensen met diabetes is gelijk aan die van mensen zonder diabetes.
Bij mensen met diabetes type 2 leidt overgewicht tot een toenemende
insulineongevoeligheid of –resistentie, een verslechterde glucoseregulatie en een verhoogd
risico op micro- en macrovasculaire complicaties. Ook bij diabetes type 1 is overgewicht
geassocieerd met micro- en macrovasculaire complicaties, insulineresistentie en een
verslechterende glucoseregulatie.
,Classificatie BMI (kg/m2) Risico op diabetes type 2, hypertensie en hart- en
vaatziekten.
Normale middelomtrek Toename middelomtrek*
Ondergewich <18,5 - -
t
Normaal 18,5 - 24,9 - -
Overgewicht 25 - 29,9 Verhoogd Hoog
Obesitas
-niveau I 30 - 34,9 Hoog Zeer hoog
-niveau II 35 - 39,9 Zeer hoog Zeer hoog
-niveau III ≥ 40 Extreem hoog Extreem hoog
*
≥ 102 cm bij mannen, ≥ 88 cm bij vrouwen.
3.2. Koolhydraten.
De ADH voor koolhydraten is 40-70 en% per dag.
De hoeveelheid koolhydraten in een maaltijd is een belangrijke voorspeleer van de
postprandiale glykemische respons. Een dieet met een laag koolhydraatgehalte lijkt daarom
een logische stap in de behandeling van diabetes.
Behandeling Voedingsrichtlijn DM 1 Voedingsrichtlijn DM 2
Alleen voedingsadvies, N.v.t. Algemeen geldt het advies te streven naar
eventueel i.c.m. orale een min of meer regelmatige
bloedglucoseverlagende koolhydraatinname.
middelen. Bij SU-derivaten: tussenmaaltijden kunnen
nodig zijn i.v.m. kans op hypoglykemie.
Bij biguaniden, meglitinide, glitazon,
exenatide, liraglutide en DPP-4-remmers
zijn tussenmaaltijden niet nodig.
Een- of tweemaal daags N.v.t. Regelmatige koolhydraatverdeling.
(middel)langwerkend Koolhydraatbevattende tussen-maaltijden
insuline, eventueel i.c.m. kunnen noodzakelijk zijn.
orale
bloedglucoseverlagende
middelen.
Tweemaal daags een Vaste hoeveelheid Met behulp van zelfcontrole nagaan in
mengsel van koolhydraten per maaltijd. hoeverre een vaste verdeling van
snelwerkende en Koolhydraatbevattende koolhydraten nodig is.
middellangwerkende tussenmaaltijden kunnen Koolhydraatbevattende tussenmaaltijden
insuline. noodzakelijk zijn. kunnen noodzakelijk zijn.
Intensieve of flexibele Vaste verdeling en Met behulp van zelfcontrole nagaan of het
insulinetherapie, pen of hoeveelheid koolhydraten nodig is de dosis snelwerkend insuline
pomp met niet noodzakelijk. aan te passen aan wisselende
ultrakortwerkende Mogelijkheid om per koolhydraatinname, dan wel of een extra
(maaltijd)insuline. maaltijd meer of minder dosis insuline nodig is voor een extra
koolhydraten te eten en de koolhydraatbevattende tussenmaaltijd.
dosis snelwerkend insuline
daarop aan te passen. Een
extra dosis insuline voor
een extra
koolhydraatbevattende
tussen-maaltijd kan nodig
zijn.
Diabetesmedicatie en voedingsadviezen.
, De glykemische inde is een maat voor het effect van koolhydraatrijke voedingsmiddelen op
de bloedglucosewaarden en wordt gedefinieerd als ‘de toename van de bloedglucosespiegel
gedurende twee uur na consumptie van een product dat 50 g koolhydraten bevat’. De GI
wordt uitgedrukt als percentage van de respons van dezelfde persoon na consumptie van 50
g koolhydraten in referentievoeding. Een voedingsmiddel met een lage GI (<55) geeft een
minder snelle en hoge stijging van de bloedglucosespiegel dan voedingsmiddelen met een
hogere GI (>70).
Glykemische belasting: de GI gedeeld door 100 en vermenigvuldigd met het aantal grammen
ingenomen koolhydraten.
3.3. Voedingsvezels.
Bij mensen met diabetes lijkt een hoge vezelinname een gunstig effect te hebben op de
bloedglucoseregulatie en het lipidenprofiel en daarmee het risico op hart- en vaatziekten te
verminderen.
3.4. Zoetstoffen.
Intensieve zoetstoffen: acesulfaam-K, cyclamaat, sacharine, stevia en aspartaam, worden
vooral gebruikt in zoetjes, kauwgom en light of zero frisdranken.
Extensieve zoetstoffen: sorbitol, xylitol en maltitol, worden vaak gebruikt in speciale
suikervrije producten voor mensen met diabetes.
3.5. Vetten.
20-40 en% voor mensen met een gezond gewicht en 20-35 en% voor mensen met
overgewicht.
Verzadigde vetzuren verhogen over het algemeen het LDL-cholesterol en daarmee het risico
op hart- en vaatziekten. Er zijn aanwijzingen dat een hoge inname van verzadigd vet ook de
insulinegevoeligheid vermindert.
Aangezien diabetes al gepaard gaat met een verhoogd risico op hart- en vaatziekten, is het
van belang om inname van verzadigd vet en transvet te beperken.
Omega-3-vetzuren.
Een hogere inname van EPA en DHA hangt samen met minder gevallen van fatale hartziekte
en hartdood.
Plantensterolen en –stanolen.
Dagelijkse inname van 2-3 g plantensterolen en –stanolen leidt bij mensen met diabetes type
2 tot een verlaging van de opname van cholesterol in de darm.
3.6. Eiwitten.
ADH 0,8 g/kg lichaamsgewicht.
Mensen met diabetes moeten er rekening mee houden dat een hoge eiwitinname schadelijk
kan zijn voor de nieren. Er zijn aanwijzingen dat de maximale hoeveelheid eiwit voor mensen
met diabetes 20 en% is.
Diabetische nefropathie.
Diabetische nefropathie: GFR < 60 ml/min/1,73 m2). Bij mensen met diabetes type 1 en
microalbuminurie heeft eiwitreductie tot 0,8-1,0 g/kg lichaamsgewicht een gunstige werking
op de hoeveelheid eiwitverlies in de urine. Bij diabetes type 1 en macroalbuminurie wordt de
progressie van de nierinsufficiëntie wel vertraagd door een eiwitbeperkt dieet van 0,8 g/kg
lichaamsgewicht.