Week 1
Leerdoelen:
1.1 Je kunt de plaats van de diagnostiek binnen het hulpverleningsproces uitleggen,
waaronder relevante aspecten in de professionele relatie tussen hulpvrager en
hulpverlener.
1.2 Je kunt de verschillende onderdelen van het diagnostische proces beschrijven en
toepassen.
1.3 Je kunt de plaats en functie van het gesprek, de observatie en vragenlijsten als
diagnostische methoden uitleggen.
Luteijn & Barelds (2018) H1: Het diagnostisch proces
Klinische psychodiagnostiek is een exclusief specialisme van klinisch psychologen. Het is
een professionele activiteit gebaseerd op drie elementen: theorievorming over klachten en
problematisch gedrag, operationalisatie en meting van de klachten en het gedrag en de
toepassing van de juiste diagnostische methoden. In een gefaseerd diagnostisch proces
worden hypothesen opgesteld over gedragingen, cognities en emoties op basis van een
theorie. Deze hypothesen worden geoperationaliseerd, gemeten en getoetst.
Een klinisch psychodiagnostisch onderzoek begint meestal wanneer een cliënt wordt
doorverwezen naar de diagnosticus. De hulpvraag van de cliënt en de aanvraag van de
verwijzer kunnen van elkaar verschillen en dienen beiden geanalyseerd te worden. Zo kan de
hulpvraag van een cliënt zijn dat die van dwangmatig gedrag af wil terwijl in de aanvraag van
de verwijzer gevraagd kan worden of de cliënt te maken heeft met een obsessief-compulsieve
stoornis. Tijdens een kennismakingsgesprek formuleert de diagnosticus verdere vragen en
vervolgens stelt die een diagnostisch scenario op met een voorlopige theorie over de cliënt.
Deze voorlopige theorie wordt getoetst door middel van vijf diagnostische handelingen:
1. De voorlopige theorie omzetten in concrete hypothesen.
2. Een specifiek onderzoeksinstrumentarium kiezen die de hypothesen kan
ondersteunen of verwerpen.
3. Resultaten op het instrumentarium voorspellen op basis van de hypothesen. De
hypothesen kunnen aanvaard worden wanneer de daadwerkelijke resultaten binnen de
voorspellingen passen.
4. Instrumenten afnemen en verwerken.
5. Hypothesen aanvaarden of verwerpen. Dit leidt tot de diagnostische conclusie.
,
, Er zijn vijf basisvragen binnen de klinische psychodiagnostiek waar de meeste vragen van
cliënten, verwijzers, en diagnostici toe herleid kunnen worden. Deze hebben betrekking op:
• Onderkenning. Wat zijn de problemen? Wat lukt nog en wat gaat mis?
• Verklaring. Waarom zijn de problemen er en wat houdt ze in stand? Er zijn vier
soorten verklaringen:
o De locus. Persoonsgerichte verklaringen of situatiegerichte verklaringen.
o De aard van controle. Een oorzaak kan gedefinieerd worden als “door
voorafgaande condities bepaald”. Een reden kan gedefinieerd worden als “foor
een vrijwillige of intentionele keuze bepaald. Oorzaak en reden vormen een
continuüm. Als het gedrag van een persoon bijvoorbeeld verklaard wordt
vanuit intense passie, kan dit betekenen dat het gedrag daardoor bepaald wordt
(oorzaak) maar ook dat deze verklaringsfactor betekenis geeft aan het gedrag
(reden).
o Synchrone en diachrone verklaringscondities. Synchrone
verklaringscondities gebeuren tegelijk met het te verklaren gedrag. Diachrone
verklaringscondities gaan aan het gedrag vooraf.
o Inducerende en continuerende condities. Inducerende condities zorgen dat
een gedragsprobleem ontstaat en continuerende condities houden het in stand.
• Predictie. Hoe zullen de problemen zich verder ontwikkelen? Hier wordt de kans op
een bepaald criterium ingeschat aan de hand van de predictor. De predictor is het
huidig aanwezige gedrag en het criterium is het toekomstige gedrag.
• Indicatie. Hoe kunnen de problemen verholpen worden? Hier komen drie elementen
bij:
o Kennis over behandelingen en behandelaars. De geschiktheid van
behandelingen en behandelaars zijn vaak onduidelijk, onder andere omdat
behandelingen vaak geen duidelijke definitie hebben.
o Kennis over het relatieve nut van behandelingen. Outcome-studies zijn
vaak niet specifiek genoeg om concrete uitspraken te doen over het nut van
een specifieke behandeling voor een specifieke cliënt. Wel zijn meta-analyses
over de effectieve ingrediënten van verschillende behandelingen behulpzaam
bij het kiezen van een behandeling.
o Kennis over de aanvaarding van de indicatie door de cliënt. Wanneer de
voorgestelde behandeling afwijkt van de verwachtingen of wensen van de
cliënt bestaat de kans dat deze hem niet accepteert.
• Evaluatie. Zijn de problemen voldoende verholpen als gevolg van de interventie?
Een psychodiagnostisch proces kan opgebouwd worden volgens de empirische cyclus van
wetenschappelijk onderzoek. Op deze manier wordt het proces gereglementeerd en
gedisciplineerd. De diagnostische cyclus bestaat uit vijf stappen:
1. Observatie. Empirisch materiaal verzamelen en groeperen waaruit theorieën kunnen
worden gevormd over de totstandkoming en instandhouding van het probleemgedrag.
2. Inductie. Theorieën en hypothesen formuleren over het gedrag.
3. Deductie. Toetsbare voorspellingen afleiden van de geformuleerde hypothesen.
4. Toetsing. Nieuw materiaal gebruiken om de juistheid van de voorspellingen te
onderzoeken.
5. Evaluatie.