Hoofdstuk 3 – lezers, leesvaardigheid en teksten
Er zijn verschillende modellen om informatie uit boeken te verwerken: bottom-up, top-down en interactieve
modellen:
- Bottom-up: de informatiestroom gaat van de tekst naar het hoofd. De tekst is het belangrijkste, en dit lees je
woord voor woord;
- Top-down: je weet al veel over het onderwerp van de tekst en je leest alleen wat je niet kan voorspellen: de
informatiestoom gaat van hoofd naar tekst;
- Interactieve modellen: beide voorgaande modellen zijn een beetje waar, de informatie loopt zowel van
hoofd naar tekst als andersom. Een tekst heel precies lezen wat er staat en gebruiken tegelijkertijd hun
kennis om onbekende woorden te interpreteren en de grote lijn van het verhaal vast te houden.
Er zijn theorieën over begrijpend lezen die onderscheid maken tussen het micro-, meso-, en marcroniveau van de
tekst:
- Microniveau: hier gaat het om concrete woorden, haar onnozele ouders;
- Mesoniveau: hier gaat het om verwijswoorden, ze gaf hem een kusje, en betekenis relaties, wil jij het soms
voor me doen? Wat doen? Kleine Beer een kusje geven;
- Macroniveau: het grote geheel van het boek, of terug komende elementen in verschillende delen van een
serie.
Er zijn verschillende stadia in het leren lezen op de basisschool:
- Ontluikende geletterdheid: een kind kan nog niet lezen, kinderen worden bewust van geschreven taal;
- Leren lezen: kinderen leren vanaf groep 3 ‘de code te kraken’. Het lezen is gericht op het decoderen van de
tekst, en daarna op de betekenis. Teksten voor beginnende lezers bestaan uit zinnen die niet langer zijn dan
6 woorden en maar één lettergreep bezitten;
- Automatisering: eenvoudige verhalen steeds sneller kunnen lezen en veel voorkomende woorden direct te
herkennen. In dit stadium zijn sommige zinnen langer dan andere zinnen en zijn de woorden langer;
- Voortgezet lezen: lezen om iets nieuws te leren. Gericht op informatieverwerking, begrijpen en waarderen.
Vanaf groep 5 tot en met het einde van de basisschool. Er wordt bij voorkeur stil gelezen. Dit gaat sneller
dan voorlezen. Als een boek in deze periode moeilijk is, is dat omdat de inhoud complex is en niet meer
omdat er moeilijke woorden of zinnen in de tekst staan.
Welke teksten voor welke lezer?
Past de interesse van leerling bij het boek, en kan de leerling taalvaardig dit boek lezen? AVI zegt iets over de
technische leesvaardigheid. Er wordt niets gezegd over of de tekst geschikt of aantrekkelijk is. Ook meet het AVI
niveau niets over of de leerling als iets weet over het onderwerp en of de tekst misschien te moeilijk is voor een
allochtone leerling.
Bij het kiezen van een juist boek let je dan op: het aantal personages, of er een chronologische volgorde in het boek
zit, het karakter van de personages en het vertelperspectief.
Tweemaal ‘zwakke’ lezers:
- Kinderen met leesproblemen: kinderen met dyslectie kunnen woorden niet goed automatiseren (wat bij
andere kinderen vanzelf gaat), ze moeten steeds opnieuw de woorden lezen. Het is belangrijk dat er in elke
zin maar één mededeling staat, dat de zinnen kort zijn, elementen die niet essentieel zijn voor het verhaal
weggelaten worden, het moet duidelijk zijn wie wat zegt en dat alles in chronologische volgorde verteld
wordt. dakpannenmethode, zo passen de zinnen als dakpannen over elkaar en kan de lezer het verhaal
beter volgen;
- Tweetaalleerders: deze leerlingen hebben veel moeite met woorden die minder vaak gebruikt worden,
woorden met meer dan één betekenis of woorden/ zinnen die Nederlands idiomatisch of literair taalgebruik
bezitten. Kinderen moeten steun krijgen van de leerkracht om teksten te leren lezen die hen interesseert en
zo de taal te leren kennen.