Reële inkomen is afhankelijk van het inkomen + prijzen.
Nominale inkomen is uitgedrukt in geld.
Reële inkomen is uitgedrukt in koopkracht. Inflatie kan ook meetellen
CPI = de prijsveranderingen in een indexcijfer aan de hand van het uitagave patroon van de
consument
NIC
RIC = NIC : PIC X 100
RIC pic
Welvaart is de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien.
Welvaart in ruime zin = is de mate waarin je in je behoeften kunt voorzien.
Factoren die meetellen
o Uitputting van natuurlijke hulpbronnen tellen mee
o Inkomensverdeling
o Vrijwilligerswerk
Welvaart in de enge zin = de koopkracht van het gemiddelde inkomen per inwoner
Schaarste = er is weinig van maar wel veel vraag.
Welzijn = hoe het met de mensen gaat
Factoren die meetellen:
o Levens verwachting
o Lezen en schrijven
Opofferingskosten = het inkomen dat je misloopt bij een bepaalde keuze
, Procentuele veranderingen
N–o deel
------ x 100 of --------- x 100
0 Geheel
indexcijfer
n–o
------- x 100 + 100
0
Directe ruil = goederen of diensten tegen goederen of diensten
Indirecte ruil = goederen of diensten tegen geld
Chartaal = munt of brief geld
Giraal = bankrekening
Functies van geld
o Ruilmiddel
o oppotmiddel
o rekenmiddel
maatschappelijke geldhoeveelheid = chartaal en giraal geld in de handen van het publiek
intrinsieke waarde = de waarde van het materiaal
extrinsieke/nominale waarde = de waarde die erop is vermeld
intrinsieke waarde is lager dan de extrinsieke waarde
wet van gresham = bad money drives out good money