1 LES 1
1.1 DE PSYCHOANALYSE
1.1.1 De rode draad van deze onderwijsperiode
Welke psychische stromingen zijn terug te vinden binnen de hulpverlening?
Welke psychologische opvattingen(stromingen) liggen ten grondslag aan
de methoden in de zorg(hulp)sector (maar ook de samenleving)
Welke heb je het meest onbewust zelf
Realiseren dat ieder een andere opvatting heeft is belangrijk
1.1.2 De psychologische stromingen
Psychoanalyse
Behaviourisme
Cognitieve psychologie
Bio-psychologie
Humanistische psychologie
Systeem theorie (Geen wetenschappelijk onderbouwde psychische
stroming, komt uit de praktijk)
Weet namens de kenmerken van deze stromingen ook de kenmerkende
verschillen
1.1.3 Psychoanalyse grote namen
Sigmund Freud (1856-1939) Grondlegger van de psychoanalyse. Hield zich bezig
met rijke vrouwen die zich verveelden. Hadden veel frustraties en bespraken
deze met Freud.
1.1.4 Psychoanalyse de kern
Kern:
Gedrag is een resultaat van krachtige intra (binnen) psychische drijfveren
(motief). (Het onbewuste). Deze worden soms ook driften genoemd.
, Gedrag wordt bepaald door een combinatie van biologische aanleg en
vroege kind ervaringen. Problemen komen, omdat in een vroeger stadia iets is
misgegaan. (Psychoanalyse is nature en nurture, maar nature heeft kleine rol).
Positief mensbeeld
Dualisme
Introspectie, verbaal vertellen wat er in je hoofd/ziel afspeelt. Is belangrijk
om je problemen aan te pakken. (Is erg lastig. Kunnen vaak alleen intellectuele
mensen. Is ook duur, dus vaak is het ook voor de rijkere mensen.)
Behaviourist vind dat een mens geen zuivere introspectie kan geven.
1.1.5 Psychoanalyse de consequenties
We bepalen niet ons eigen gedrag, dit doet het onbewuste
Ondanks dat ons gedrag niet door ons wordt bepaald heeft het wel een
betekenis
We gebruiken veel weerstanden. (Psychoanalyse gaat ervan uit dat
mensen slecht tegen verandering kunnen en dat wij daartegen weerstand
laten zien)
1.2 PSYCHOANALYSE DE THEORIEËN
1.2.1 Primaire en Secundaire proces
Primaire proces: llustprincipe en irrationaliteit, drijveer om iets te doen is
een lustbeweging, lust is niet perzee seksueel, kan ook omdat het prettig is.
Verklaringen die je vindt zijn niet altijd rationeel
Secundaire proces: rationaliteit/realiteitsprincipe
1.2.2 Drifttheorie Eros en Thantanos
Eros(lustprincipe/hedonisme erg gestuurd worden om prettig ervaringen te
krijgen zonder er veel voor te doen. Minimale inspanningen om zo veel
mogelijk te verkrijgen)
Thantanos (doodsprincipe destructief gedrag)
Dit zijn de driften die ons gedrag aansturen
Driften komen uit het onbewuste
Laten zich vooral merken bij problematisch gedrag
, 1.2.3 De ontwikkelingsfasen met fixatie en regressie (orale, anale,
fallische etc.)
Fixatie (Wanneer je in een fase bent gefixeerd, blijven steken en niet door
gaat naar de volgende fase.)
Regressie (Terugvallen in een vorige fase binnen de kinderontwikkeling,
gebeurt als er sprake is van stress. In spreektaal ook wel kinderachtig. Er is
sprake van een gedragsprobleem, wanneer dit herhalend gedrag is.)
1.2.4 Het conflictmodel van ID, Ego en Superego
ID: Driften, Eros en Thanatos. Zorgt voor sterk impulsief, onbewust gedrag
Ego: Beredenering, rationaliteitsprincipe
Superego: Geweten. “Mag het wel van mij” heeft te maken met eigen
morele waarden
Ambivalentie en schuldgevoel komt vanuit de conflicten tussen het ID, ego
en superego
Wanneer tijdens kindertijd driftbewegingen teveel angst opleveren
ontstaat er een neurotisch conflict. Deze angstgevoelens worden weggemaakt
met onbewuste processen zoals: verdringing en regressie
Teveel ID ga je erg snel op driften in. Teveel Ego, zoals in spreektaal erg
aanwezig zijn egoïstisch. Teveel superego heb je een te sterk geweten.