Samenvatting rekenen Meten en meetkunde
Hoofdstuk 1: Samenhang meten en meetkunde
Meten:
Getalsmatig greep krijgen op grootheden van de wereld, zoals lengte, oppervlakte,
inhoud, gewicht en tijdsduur.
De essentie is dat grootheden worden afgepast met een maat.
Een meting levert een meetgetal op.
Hiervoor kunnen allerlei instrumenten (liniaal, maatbeker, ect.) worden gebruikt.
Een meting kan ook plaatsvinden via beredeneren en rekenen.
Meetkunde:
Verklaren en beschrijven van de ons omringende ruimte plattegronden, routes,
richtingen en eigenschappen van vormen en figuren.
Projecties, schaduwen, symmetrieën, patronen en 2D en 3D weergaven van de
werkelijkheid.
Ruimtelijke oriëntatie in wiskundige zin.
Geen opmeten!!
Meten en meetkunde:
Zelf ervaring op doen evt. met behulp van gereedschap beter begrijpen van
dagelijkse leefwereld.
Beheersen van wiskundetaal begrippen als breed, smal, hoog, laag, noord, zuid
Ontwikkelen van een onderzoekende houding: wiskundige attitude
Ontwikkeling van gecijferdheid beschikken van groot aantal referenties
(meetgetallen) in dagelijks leven
Verschillen tussen meten en meetkunde:
Meten: met een passende maat. Kinderen voeren uit (meten), kennen (maten) en
begrijpen (meetfouten).
Meetkunde: onderzoeken (ruimtelijke relaties) en beredeneren hiervan.
Hoofdstuk 5: Meetkunde
Deelgebieden meetkunde
Oriëntatie in de ruimte
Bepalen van eigen positie, die van anderen en objecten in de ruimte, het innemen van
standpunten en (beschrijvingen van) routes
Viseren en projecteren
Welke objecten kun je zien en welke niet? Ook gaat het over verschijnselen rond projecties
en schaduwen.
Transformeren
Symmetrie, verschuiven, draaien, verkleinen en vergroten van figuren.
Construeren
2D en 3D constructies evt. vanuit een bouwtekening of werkbeschrijving.
Visualiseren en representeren
Weergave van werkelijkheid, bijv. plattegronden, schema’s van trein, bouwplaten, uitslagen
ruimtelijke figuren.
Deze gebieden kunnen elkaar overlappen.
Hoofdstuk 1: Samenhang meten en meetkunde
Meten:
Getalsmatig greep krijgen op grootheden van de wereld, zoals lengte, oppervlakte,
inhoud, gewicht en tijdsduur.
De essentie is dat grootheden worden afgepast met een maat.
Een meting levert een meetgetal op.
Hiervoor kunnen allerlei instrumenten (liniaal, maatbeker, ect.) worden gebruikt.
Een meting kan ook plaatsvinden via beredeneren en rekenen.
Meetkunde:
Verklaren en beschrijven van de ons omringende ruimte plattegronden, routes,
richtingen en eigenschappen van vormen en figuren.
Projecties, schaduwen, symmetrieën, patronen en 2D en 3D weergaven van de
werkelijkheid.
Ruimtelijke oriëntatie in wiskundige zin.
Geen opmeten!!
Meten en meetkunde:
Zelf ervaring op doen evt. met behulp van gereedschap beter begrijpen van
dagelijkse leefwereld.
Beheersen van wiskundetaal begrippen als breed, smal, hoog, laag, noord, zuid
Ontwikkelen van een onderzoekende houding: wiskundige attitude
Ontwikkeling van gecijferdheid beschikken van groot aantal referenties
(meetgetallen) in dagelijks leven
Verschillen tussen meten en meetkunde:
Meten: met een passende maat. Kinderen voeren uit (meten), kennen (maten) en
begrijpen (meetfouten).
Meetkunde: onderzoeken (ruimtelijke relaties) en beredeneren hiervan.
Hoofdstuk 5: Meetkunde
Deelgebieden meetkunde
Oriëntatie in de ruimte
Bepalen van eigen positie, die van anderen en objecten in de ruimte, het innemen van
standpunten en (beschrijvingen van) routes
Viseren en projecteren
Welke objecten kun je zien en welke niet? Ook gaat het over verschijnselen rond projecties
en schaduwen.
Transformeren
Symmetrie, verschuiven, draaien, verkleinen en vergroten van figuren.
Construeren
2D en 3D constructies evt. vanuit een bouwtekening of werkbeschrijving.
Visualiseren en representeren
Weergave van werkelijkheid, bijv. plattegronden, schema’s van trein, bouwplaten, uitslagen
ruimtelijke figuren.
Deze gebieden kunnen elkaar overlappen.