1. Welke omschrijving van absolutisme is juist?
a. Een bestuur waarin regenten de macht met elkaar verdelwn.
b. Een bestuur waarin de koning beslist wat er gebeurt.
c. Een bestuur waarin de bevolking invloed heeft op de regering.
2. Hoe heet het paleis dat lodewijk XIV heeft laten bouwen?
3. Wat was de tijd van regenten en vorsten?
a. 1700 – 1800
b. 1800 – 1900
c. 1500 – 1600
d. 1600 – 1700
4. Wie hadden in de 17e eeuw in nederland de touwtjes in handen?
a. De koning
b. De regenten
c. De adel
d. De stadhouders
5. Was Lodewijk XIV een absolute vorst?
a. Ja
b. Nee
6. Hugo de Groot ontsnapte in een?
7. Welke 3 zinnen zijn juist?
A. In de republiek deelden verschillende mensen met elkaar de macht.
B. Zeven gewesten werkten samen in de Staten-Generaal
C. Nederland had een stadhouder van oranje en was dus een koninkrijk.
D. Nederland had geen koning en was dus een republiek.
, E. Alle mannen hadden invloed op het bestuur in de Republiek.
8. Waarom was er na 1651 geen stadhouder meer?
a. Er kwam nu een koning uit het huis Oranje-Nassau.
b. De regenten vonden dat het land niet langer een stadhouder nodig had.
c. De Oranjes wilden geen stadhouder meer zijn.
9. Waarom wordt de 17e eeuw in Nederland ook wel de Gouden Eeuw genoemd?
A. Het was een tijd van grote rijkdom voor de hele bevolking
B. Het was een tijd van grote rijkdom voor bepaalde delen van de bevolking.
C. Het was een tijd van grote rijkdom voor bepaalde delen van de bevolking.
10. Hoe wordt het jaar 1672 ook wel genoemd?
11. Waarom werdt 1672 zo genoemd?
F. Nederland kreeg weer een stadhouder als baas over het leger.
G. De gebroeders De Wit werden vermoord door het volk
H. Michiel de Ruyter verloor op zee van de Fransen en Engelsen.
I. De gebroeders De Wit werden vermoord door Willem III.
J. Engeland Frankrijk Munster en Keulen vielen ons land aan.
12. Welke zin past het beste bij handelskapitalisme?
a. Het geld dat kooplieden met de handel verdienden, staken ze in bedrijven.
b. Uit de landen rond de Oostzee haalden de kooplieden vooral graan.
c. Friese boeren bouwden kop-hals-romp boerderijen
d. Hollandse kooplieden handelden in Franse wijn, Engelse wol en graan uit
het gebied van de Oostzee.
13. Nederlandse VOC zorgde voor een groot gedeelte van de Europese handel met:
a. Afrika
b. Azie
c. Australie
d. Amerika