KOM - CORRELATIONEEL ONDERZOEK
CORRELATIONEEL HOORCOLLEGE 1
Correlationeel onderzoek
- Kijken naar relaties tussen eigenschappen
- Begint met theorie en dan de onderzoeksvraag die daaruit voortvloeit
Onderzoeksvraag correlationeel onderzoek
- Te herkennen aan PAC elementen:
- Population / populatie
- Association / verband / relatie
- Constructs
Population / populatie
- De groep mensen, dieren of objecten die de onderzoeker wilt onderzoeken
Association / verband / relatie
- De onderzoeker geeft aan wat voor soort relatie er verwacht wordt
- Richting van de relatie is positief/ stijgend of negatief/ dalend
- Positieve / stijgende relatie
- Bijvoorbeeld: plezier van eerste date neemt toe met meer contact via social
media vooraf
- Negatieve / dalende relatie
- Bijvoorbeeld: hoe langer vluchtelingenkinderen in een asielzoekerscentrum
wonen, hoe kleiner de kans op een verblijfsvergunning
,Causaliteit
- Bij vragen over of één bepaald kenmerk een verandering in een ander kenmerk
veroorzaakt
- Onderzoeksvragen die een oorzaak/ gevolg verband beschrijven
- Bijvoorbeeld
- Meer social media contact vooraf leidt tot een leukere eerste date
- Verlengd verblijf in een AZC leidt tot meer depressie
Voorwaarden causaliteit
1. Covariance/ covariantie
- Er moet een relatie zijn tussen de oorzaak en het gevolg
2. Temporal precedence/ volgorde in tijd
- De oorzaak moet in de tijd voorafgaan aan het gevolg
3. Internal validity/ interne validiteit
- Alternatieve verklaringen voor de gevonden relatie moeten zijn uitgesloten
PAC - constructs/ theoretische begrippen
- De kenmerken die de onderzoeker van de mensen wil weten en meten en waartussen
een verband verwacht wordt
- Bijvoorbeeld
- Plezier van eerste date
- Hoeveelheid social media vooraf
- Lengte verblijf AZC
Inferentie / generaliseren
, - Veel onderzoekers willen onderzoeksvragen kunnen generaliseren naar een grotere
groep mensen (de populatie)
- Het proces van generaliseren heet inferentie
- De manier waarop de steekproef getrokken is bepaalt of goede inferentie mogelijk is
Inferentiële statistiek
- Generaliseren van de steekproef naar de populatie
Dataverzamelingsmethoden
- Observatiestudies
- Bestaande gegevens/ big data`
- Vragenlijsten/ surveys
- Etc
Observatieonderzoek
- Gegevens verzamelen door observatie van feitelijk gedrag: kijken, luisteren,
beoordelen
- Toepassingen:
- Antwoord geven op hoe of waarom-vraag
- Een onderwerp onderzoeken waar nog weinig over bekend is
- Bestuderen van een persoon of fenomeen in natuurlijke setting
Kwalitatief Kwantitatief
Kinderen vinden de scooter een leuke 9 van de 10 kinderen hebben scooter
activiteit gereden
e kinderen gaan vriendelijk met elkaar om Er is maar 1 keer onenigheid geweest tussen
tijdens het scooterrijden 2 kinderen
Covariantie
, - Een voorwaarde van causaliteit
- Voorbeeldvraag
- De onderzoeksvraag van een masterthesis is: “is er een negatieve relatie tussen
introversie van studenten en hun participatie in Teams werkgroepen?” Uit een
spreidingsdiagram blijkt dat er een negatieve relatie is tussen de twee
variabelen. Welke voorwaarde voor causaliteit is hiermee bevestigd?
- Antwoordopties:
- Fout Temporal presendence
- Fout interne validiteit
- GOED covariantie
Survey / enquete / vragenlijst
- Gebruikt om gedrag of opinies te meten
- Op papier of digitaal
- Bijvoorbeeld
- Cursusevaluatie einde blok
- Klanttevredenheidsonderzoek na aankoop van een product
- Meten van persoonlijkheidseigenschappen
- Voordelen
- Meerdere vragen over zelfde onderwerp
- Dus meten van verschillende aspecten van hetzelfde theoretische begrip
- Dus IQ-test met vragen over woordenschat, rekenvaardigheid, ruimtelijk inzicht
etc
Likert schaal meetniveau
- Veel voorkomende meetschaal bij surveys
- Veel onderzoekers geven numerieke waarde
- Meetniveau van 1 item is ordinaal
- Meetniveau van de hele schaal (het gemiddelde van alle items) is interval
- Wanneer de verschillende antwoorden worden samengevoegd ontstaat een
schaalscore (bijvoorbeeld IQ score of CITO score)
Externe validiteit
- Is laag bij een selecte steekproef
- Is hoger bij aselecte steekproeven
Aselecte steekproef
- In een enkelvoudige:
- Heeft elke participant dezelfde kans om geselecteerd te worden
CORRELATIONEEL HOORCOLLEGE 1
Correlationeel onderzoek
- Kijken naar relaties tussen eigenschappen
- Begint met theorie en dan de onderzoeksvraag die daaruit voortvloeit
Onderzoeksvraag correlationeel onderzoek
- Te herkennen aan PAC elementen:
- Population / populatie
- Association / verband / relatie
- Constructs
Population / populatie
- De groep mensen, dieren of objecten die de onderzoeker wilt onderzoeken
Association / verband / relatie
- De onderzoeker geeft aan wat voor soort relatie er verwacht wordt
- Richting van de relatie is positief/ stijgend of negatief/ dalend
- Positieve / stijgende relatie
- Bijvoorbeeld: plezier van eerste date neemt toe met meer contact via social
media vooraf
- Negatieve / dalende relatie
- Bijvoorbeeld: hoe langer vluchtelingenkinderen in een asielzoekerscentrum
wonen, hoe kleiner de kans op een verblijfsvergunning
,Causaliteit
- Bij vragen over of één bepaald kenmerk een verandering in een ander kenmerk
veroorzaakt
- Onderzoeksvragen die een oorzaak/ gevolg verband beschrijven
- Bijvoorbeeld
- Meer social media contact vooraf leidt tot een leukere eerste date
- Verlengd verblijf in een AZC leidt tot meer depressie
Voorwaarden causaliteit
1. Covariance/ covariantie
- Er moet een relatie zijn tussen de oorzaak en het gevolg
2. Temporal precedence/ volgorde in tijd
- De oorzaak moet in de tijd voorafgaan aan het gevolg
3. Internal validity/ interne validiteit
- Alternatieve verklaringen voor de gevonden relatie moeten zijn uitgesloten
PAC - constructs/ theoretische begrippen
- De kenmerken die de onderzoeker van de mensen wil weten en meten en waartussen
een verband verwacht wordt
- Bijvoorbeeld
- Plezier van eerste date
- Hoeveelheid social media vooraf
- Lengte verblijf AZC
Inferentie / generaliseren
, - Veel onderzoekers willen onderzoeksvragen kunnen generaliseren naar een grotere
groep mensen (de populatie)
- Het proces van generaliseren heet inferentie
- De manier waarop de steekproef getrokken is bepaalt of goede inferentie mogelijk is
Inferentiële statistiek
- Generaliseren van de steekproef naar de populatie
Dataverzamelingsmethoden
- Observatiestudies
- Bestaande gegevens/ big data`
- Vragenlijsten/ surveys
- Etc
Observatieonderzoek
- Gegevens verzamelen door observatie van feitelijk gedrag: kijken, luisteren,
beoordelen
- Toepassingen:
- Antwoord geven op hoe of waarom-vraag
- Een onderwerp onderzoeken waar nog weinig over bekend is
- Bestuderen van een persoon of fenomeen in natuurlijke setting
Kwalitatief Kwantitatief
Kinderen vinden de scooter een leuke 9 van de 10 kinderen hebben scooter
activiteit gereden
e kinderen gaan vriendelijk met elkaar om Er is maar 1 keer onenigheid geweest tussen
tijdens het scooterrijden 2 kinderen
Covariantie
, - Een voorwaarde van causaliteit
- Voorbeeldvraag
- De onderzoeksvraag van een masterthesis is: “is er een negatieve relatie tussen
introversie van studenten en hun participatie in Teams werkgroepen?” Uit een
spreidingsdiagram blijkt dat er een negatieve relatie is tussen de twee
variabelen. Welke voorwaarde voor causaliteit is hiermee bevestigd?
- Antwoordopties:
- Fout Temporal presendence
- Fout interne validiteit
- GOED covariantie
Survey / enquete / vragenlijst
- Gebruikt om gedrag of opinies te meten
- Op papier of digitaal
- Bijvoorbeeld
- Cursusevaluatie einde blok
- Klanttevredenheidsonderzoek na aankoop van een product
- Meten van persoonlijkheidseigenschappen
- Voordelen
- Meerdere vragen over zelfde onderwerp
- Dus meten van verschillende aspecten van hetzelfde theoretische begrip
- Dus IQ-test met vragen over woordenschat, rekenvaardigheid, ruimtelijk inzicht
etc
Likert schaal meetniveau
- Veel voorkomende meetschaal bij surveys
- Veel onderzoekers geven numerieke waarde
- Meetniveau van 1 item is ordinaal
- Meetniveau van de hele schaal (het gemiddelde van alle items) is interval
- Wanneer de verschillende antwoorden worden samengevoegd ontstaat een
schaalscore (bijvoorbeeld IQ score of CITO score)
Externe validiteit
- Is laag bij een selecte steekproef
- Is hoger bij aselecte steekproeven
Aselecte steekproef
- In een enkelvoudige:
- Heeft elke participant dezelfde kans om geselecteerd te worden