5.1
Socialezekerheidswetten:
Volksverzekeringen: is van toepassing op ingezetenen, zijn in beginsel alle personen die
in Nederland hun woonplaats hebben (min. 15 jaar) → AOW, Anw, Zvw en Wlz.
Werknemersverzekeringen: betreft werknemers en daarmee gelijkgestemden → WW,
ZW en WIA.
Sociale voorzieningen: hier hoeft geen premie te worden betaald (bij volks- en
werknemersverzekering wel) → IOAW, IOW, TW, participatiewet en AKW.
5.2
Is heel kort, zelf lezen is hierbij voldoende → uitvoering, beroep en hoger beroep blz. 183
5.2.
5.3
Wie zijn verzekerd?:
Werknemer: volgens Art. 3 van zowel de WW en de ZW als de WAO/ WIA → voorwaarde:
werknemer is de natuurlijke persoon, die in privaatrechtelijke of in publiekrechtelijke
dienstbetrekking staat.
Ambtenaren: door normalisering steeds meer als werknemer gezien, dus ook verzekerd
voor WW, ZW en WAO/ WIA → uitkeringen op deze grond zijn heel laag dus er is een
overgangsregeling bedacht waarbij sommige ambtenaren nog wel bovenwettelijke
uitkeringen krijgen.
De partijbedoeling en de feitelijke uitvoering zijn niet alleen bij geschillen tussen een
werkgever en werknemer van belang, maar ook in het kader van de vraag of iemand in een
(privaatrechtelijke) dienstbetrekking staat.
5.4
Vroeger moest het UWV streng toetsen als iemand een WW-uitkering kon krijgen → dit
gebeurde vaak met ‘te veel’ juridische procedures (koste veel geld) → dit zorgde ervoor dat
de werknemer ‘vaak’ hard zijn/ haar best deed om een snelle terugkeer op arbeidsmarkt te
maken.
Wil een werkloze in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de WW, dan moeten
bepaalde voorwaarden zijn vervuld → dit wordt gedaan met een individuele toets (door het
UWV).
1. De werkloze moet verzekerde in zin van de WW zijn, dus werkzaam is in een
privaatrechtelijke dienstbetrekking of een arbeidsverhouding heeft in de zin van art. 4 en
5 WW.
2. Ook moet er worden vastgesteld of er sprake is van werkloosheid → art. 16 lid 1 WW →
de betrokkene moet minstens 5 arbeidsuren per week zijn verloren of ten minste de helft
van het wekelijkse aantal gewerkte uren en de betrokkende moet beschikbaar zijn om
arbeid te aanvaarden.
Als er is vastgesteld dat de (ex-)werknemer werkloos is moet er in de 3 e plaats nog worden
nagegaan of er voldaan is aan de referte-eis (art. 17 WW) → de werkloze moet in 36 weken
onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in ten miste 26 weken als
werknemer arbeid hebben verricht (gaat niet om het aantal uren, alleen dat er 26 week is
gewerkt) → de referte-eis wordt ook wel de 26-uit-36-wekenreis genoemd.
Als aan de 3 voorwaarden is voldaan kan de werkloze een basisuitkering krijgen → dat gaat
als het volgt in werking → duurt 3 maanden, de eerste 2 maanden krijgt de werkloze 75% van
zijn (max.) dagloon en de 3e maan 70% van zijn (max.) dagloon → zie figuur 5.2 op de
volgende pagina.