Hoofdstuk 2 en hoofdstuk 5.1 en 5.2
Sector Bedrijfstak Markt
Markt: vraag en aanbod van 1 product. Productniveau.
Vraag en aanbod bepalen de prijs van een product.
Geografische dimensies: op welk niveau?
- Wereldwijd: olie, valuta, goud. Hier is er sprake van 1 prijs wereldwijd.
- Nationale markten: zorgverzekeringen, hypotheken, landelijke dagbladen
- Lokale markten: detailhandel, horeca, weekmarkten
Bedrijfstak: veel meer dan 1 product, bijvoorbeeld alle frisdrank. Ondernemingen die dezelfde soort
producten met gelijksoortige productieprocessen maken. Groepen markten
Groep van markten, bier, alcoholarm bier, alcoholvrij bier.
Gelijksoortige behoeften, al dit soort bier wordt op dezelfde manier gebrouwen.
Bedrijfstakgenoten zijn concurrenten
Strijd om het marktaandeel
Sector: groepen bedrijfstakken.
- Primaire sector: grondstoffen uit grond en water: land- en bosbouw, visserij
- Secundaire sector: verwerkt de producten uit de primaire sector tot eindproducten:
delfstoffenwinning, industrie, bouw:
- Tertiaire sector: commerciële dienstverlening. Commercieel: op winst gericht.
- Quartaire sector: niet-commerciële dienstverlening: niet op winst gericht, windesheim
Bedrijfskolom: van grondstof tot eindproduct, van oerproducent tot consument.
De bedrijfstakken die een product doorloopt. Strijd om de toegevoegde waarde/marge.
Concurrentie: 3 soorten concurrentie:
Intern: concurrentie tussen bedrijfstakgenoten. Coca Cola en Pepsi
Extern: tussen bedrijfskolomgenoten. Coca cola en Albert Heijn
Potentiële: nieuwe aanbieders in de bedrijfstak. Het gaat hier om substituut producten,
bijvoorbeeld een nieuwe smaak.
Waarden: wat vinden mensen belangrijk? Doelstellingen. Gelijkheid, vrijheid, economische groei.
Normen: de regels die daarbij horen. ‘Wat doe je wel en wat niet?’
Instituties: dwingen de naleving van normen en waarden af. Wetten en regels.
De gulden leefregel: behandel anderen zoals je zelf behandeld wilt worden.
Planeconomie: de overheid maakt een plan voor de economie, bepaalt hoeveel er geproduceerd
word.
Hoofdstuk 3
Behoeften, consumentenvoorkeur en vraag:
, Behoeften is een algemene wens. Ik heb behoefte aan een jas.
Consumentenvoorkeur: specifieke voorkeur: ‘Ik wil een blauwe jas van Tommy.’
Vraag: Als de koopkracht er is. ‘Ik heb de koopkracht om een blauwe jas van Tommy te kopen.’
Bepalende factoren voor consumentenvoorkeuren:
Demografische ontwikkelingen: Wie wilt dit aan?
Sociaal-economische ontwikkelingen : Wie kan dit betalen?
Psychologische ontwikkelingen: Hot or not? Populariteit
Politiek/ juridische ontwikkelingen:
Technologische ontwikkelingen: kwaliteit
Seizoen en klimaat
Prijseffect: inkomenseffect + substitutie-effect
Oranje lijn is medicijnen.
Blauwe lijn is vakanties.
Het prijseffect meten: de
prijselasticiteit van de
vraag:
De procentuele veranderen
in de gevraagde
hoeveelheid (gevolg) van
een procentuele
verandering in de prijs.
% gevraagde
hoeveelheid (gevolg)
In formulevorm: dq x p
% prijs (oorzaak) dp q
Prijselasticiteit > 0
Status- of snob goederen
Prijselasticiteit <-1
Elastische vraag: verandering als gevolg van prijsverandering is groot
Prijselasticiteit tussen -1 en 0
Inelastische vraag
Noodzakelijke goederen
Prijselasticiteit in verband met omzet: