Samenvatting Gezinnen in Soorten
Verbonden door adoptie: opvoeding in adoptiegezinnen
Cijfers
Er zijn in Nederland 35.000 geadopteerde kinderen uit ’t buitenland en 25.000 uit
het binnenland. Zo’n 600 kinderen worden jaarlijks geadopteerd. En er worden
zo’n 30 kinderen per jaar afgestaan ter adoptie. De buitenlandse adoptiekinderen
komen vooral uit China, Colombia, Haïti, India, Zuid-Afrika en Ethiopië. Er geldt
de regel dat er eerst adoptie of zorg in het eigen land moet worden gezocht. Pas
wanneer dat niet mogelijk is wordt er overgegaan op interlandelijke adoptie.
Special-needs adopties en interlandelijke nemen de laatste jaren toe.
Adoptieouders
Adoptieouders zijn vaak ongewenst kinderloos of doen het uit idealistische
beweging. Ze zijn gemiddeld ouder en hoger opgeleid dan de biologische ouders.
De adoptieouders moeten zich eerst aanmelden bij SAV (Stichting Adoptie
Voorzieningen). Ze moeten 6 bijeenkomsten volgen ter voorbereiding. Daarna
volgt een gezinsonderzoek door de Raad van Kinderbescherming. Bij positief
advies geeft het Ministerie van Justitie de benodigde beginseltoestemming af.
De wachttijd duurt vervolgens gemiddeld 5 jaar.
Bij binnenlandse adoptie volgen de ouders ook verplichte bijeenkomsten.
Vervolgens starten ze een geschiktheidsprocedure op bij de Jeugdrechtbank.
De Diensten voor Maatschappelijk Onderzoek stellen vervolgens een
rapport op.
Heeft vroege verwaarlozing (levens)lange gevolgen?
Wanneer er weinig wordt aangeboden aan het kind stellen de hersenen zich
hierop in en worden er minder neurobiologische verbindingen gemaakt.
Herstelkansen en Inhaalgroei
Er is een meta-analytisch onderzoek gedaan (hierbij worden verschillende
onderzoeken op dit gebied samengenomen). Hieruit blijkt dat er grote groei
plaatsvindt in lichaamslengte, gehechtheid, cognitieve ontwikkeling, IQ,
gedragsproblemen en zelfwaardering. Ze toonden ook aan dat de achterstanden
op niet-adoptiekinderen niet volledig wordt ingehaald.
Kun je van het kind van een ander houden?
Gehechtheidstheorie: (Bowlby)
- Veilig gehecht: steun en bescherming van de ouders -> kind heeft
vertrouwen.
- Onveilig gehecht: ouders zijn regelmatig niet beschikbaar. (er zijn 3
vormen)
Onveilig-gedesorganiseerd: kinderen ervaren ‘angst zonder
oplossing’ en krijgen vaak gedragsproblemen. (Dit is de meest
zorgwekkende vorm).
Twee longitudinale adoptiestudies
1
, Leidse Longitudinale Adoptiestudie (LLAS): 160 interlandelijke
adoptiekinderen (Colombia, Sri Lanka en Zuid-Korea) werden gevolgd
vanaf de komst naar Nederland tot adolescentie. Op jonge leeftijd vond er
een interview plaats waarbij met succes de gehechtheid werd bevorderd,
door meer sensitiviteit bij de ouders naar boven te halen. Verder kregen de
kinderen nazorg via Video Interactie Begeleiding (VIB). De kinderen
ontwikkelen zich vrij normaal. Alleen veel jongetjes op 7-jarigen leeftijd
ontwikkelden meer gedragsproblemen en rond de adolescentie waren er
een aantal internaliserende (angstig, depressief) en externaliserende
gedragsproblemen (agressie). Er blijkt dat de kinderen zich vaak
gefrustreerd voelen door twee wensen die zij hebben: ze willen wit zijn en
geboren zijn uit de buik van de adoptiemoeder. Verder bleek dat kinderen
met sensitieve adoptieouders en een veilige gehechtheid zich beter
ontwikkelen.
Rotterdamse Longitudinale Adoptiestudie: Gedragsontwikkeling van
een grote groep interlandelijke adoptiekinderen werd bestudeerd. Gevolgd
vanaf late kindertijd tot volwassenheid. Eerste meting waren de kinderen
10-15, tweede meting: adolescentie en derde meting: volwassen. (veel
kinderen waren pas een paar maanden geadopteerd bij de eerste meting).
Bij de eerste twee metingen vullen de ouders vragenlijsten in. Bij de
tweede meting vult het kind zelf ook een lijst in en bij de derde meting
neemt hij/zij deel aan een psychiatrisch interview. In de later kindertijd en
adolescentie vertonen de kinderen meer internaliserend en externaliserend
probleemgedrag. Bij jongens was dit sterker dan bij meisjes. En bij
kinderen die ouder waren op het moment van adoptie meer dan kinderen
die op jonge leeftijd zijn geadopteerd. Vroege verwaarlozing, mishandeling
en meerdere overplaatsing zorgden ook voor meer probleemgedrag.
Adoptiekinderen blijken wanneer zij volwassen zijn meer psychiatrische
problemen te hebben, vooral wanneer zij veel negatieve ervaringen
hadden. Op schoolprestaties blijven zij meer achter dan niet-
adoptiekinderen. Ook in sociale vaardigheden blijven ze meer achter.
Anders (of toch niet?) Opvoeding en ontwikkeling van kinderen verwekt door
medische begeleide bevruchting
1978 – Eerste baby door IVF in Verenigd Koninkrijk (Louise Brown)
IVF kan complicaties meebrengen als meerlingen (wat kan zorgen voor medische
complicaties en een andere opvoedingssituatie, perinatale complicaties
(vroeggeboorte of laag geboortegewicht), lichamelijke afwijkingen en problemen.
Opvoeding bij IVF gezinnen
- Opvoeding wordt gezien als een wisselwerking tussen ouder en kind die
elkaar wederzijds beïnvloeden
- Binnen de opvoeding wordt een handelingscomponent (objectief
vaststelbaar) en een bewegingscomponent (verwachtingen, gevoelens
en overtuigingen) onderscheiden.
2
, - Opvoedingsrelatie speelt zich niet af in een vacuüm, maar wordt beïnvloed
door andere factoren uit de gezinscontext.
- Belsky: Kinderlijke ontwikkeling wordt rechtstreeks beïnvloed door de
opvoeding. Opvoeding wordt beïnvloed door 3 factoren: kindfactoren,
ouderfactoren en omgevingsfactoren. Centraal in dit model is het buffer-
idee . Dit wil zeggen dat tekorten in factoren (risicofactoren)
gecompenseerd kunnen worden door andere factoren (beschermende
factoren).
3 factoren worden bekeken:
emotionele ondersteuning (uitdrukken van positieve gevoelens en
emotionele steun door de ouder naar het kind toe en het afstemmen van
het gedrag op de noden van het kind).
stellen van structuur en grenzen (de mate waarin een ouder op
doeltreffende wijze de verwachtingen ten aanzien van het gedrag
communiceert naar het kind).
respect voor autonomie. (de mate waarin de ouder doorheen het
handelen het perspectief en initiatief van het kind au sérieux neemt en
hier ook waardering voor uitdrukt).
Hiernaast werd er gekeken naar zaken van de ouders als:
- beleving van eigen opvoeding
- persoonlijk functioneren
- huwelijksrelatie
- beroepsrelatie
Peutertijd:
Er werden IVF gezinnen vergeleken met normale gezinnen. Er werd gekeken naar
gedrag van zowel de moeder als het kind in verschillende situaties en de
moeders zijn geïnterviewd. Op alle 3 de hoofdfactoren is er geen significant
verschil gevonden. Beroeps-actieve IVF moeders vonden de respect voor
autonomie lastiger.(zou mogelijk verklaard kunnen worden door het feit dat de
moeders door het werk minder tijd kunnen doorbrengen met het kind en
daardoor veel bepalen voor hen).
Lagere school periode:
In deze fase werd er gewerkt met vragenlijsten voor de ouders en de leerkracht.
Door de leerkracht werd over het algemeen iets meer probleemgedrag
beschreven over de IVF kinderen. De ouders van de twee groepen vertoonden
geen significant verschil. (De IVF ouders scoorden alleen hoger op het kopje
‘geloof’, wat te verklaren is dat zij bij een katholieke kliniek zijn geweest)
Adolescentie:
Er werd hier naar 4 categorieën gekeken:
1. responsiviteit: liefde, warmte en ondersteuning.
2. gedragsmatige controle: stellen van adequate grenzen en regels aan
het gedrag van het kind en de naleving hiervan.
3
Verbonden door adoptie: opvoeding in adoptiegezinnen
Cijfers
Er zijn in Nederland 35.000 geadopteerde kinderen uit ’t buitenland en 25.000 uit
het binnenland. Zo’n 600 kinderen worden jaarlijks geadopteerd. En er worden
zo’n 30 kinderen per jaar afgestaan ter adoptie. De buitenlandse adoptiekinderen
komen vooral uit China, Colombia, Haïti, India, Zuid-Afrika en Ethiopië. Er geldt
de regel dat er eerst adoptie of zorg in het eigen land moet worden gezocht. Pas
wanneer dat niet mogelijk is wordt er overgegaan op interlandelijke adoptie.
Special-needs adopties en interlandelijke nemen de laatste jaren toe.
Adoptieouders
Adoptieouders zijn vaak ongewenst kinderloos of doen het uit idealistische
beweging. Ze zijn gemiddeld ouder en hoger opgeleid dan de biologische ouders.
De adoptieouders moeten zich eerst aanmelden bij SAV (Stichting Adoptie
Voorzieningen). Ze moeten 6 bijeenkomsten volgen ter voorbereiding. Daarna
volgt een gezinsonderzoek door de Raad van Kinderbescherming. Bij positief
advies geeft het Ministerie van Justitie de benodigde beginseltoestemming af.
De wachttijd duurt vervolgens gemiddeld 5 jaar.
Bij binnenlandse adoptie volgen de ouders ook verplichte bijeenkomsten.
Vervolgens starten ze een geschiktheidsprocedure op bij de Jeugdrechtbank.
De Diensten voor Maatschappelijk Onderzoek stellen vervolgens een
rapport op.
Heeft vroege verwaarlozing (levens)lange gevolgen?
Wanneer er weinig wordt aangeboden aan het kind stellen de hersenen zich
hierop in en worden er minder neurobiologische verbindingen gemaakt.
Herstelkansen en Inhaalgroei
Er is een meta-analytisch onderzoek gedaan (hierbij worden verschillende
onderzoeken op dit gebied samengenomen). Hieruit blijkt dat er grote groei
plaatsvindt in lichaamslengte, gehechtheid, cognitieve ontwikkeling, IQ,
gedragsproblemen en zelfwaardering. Ze toonden ook aan dat de achterstanden
op niet-adoptiekinderen niet volledig wordt ingehaald.
Kun je van het kind van een ander houden?
Gehechtheidstheorie: (Bowlby)
- Veilig gehecht: steun en bescherming van de ouders -> kind heeft
vertrouwen.
- Onveilig gehecht: ouders zijn regelmatig niet beschikbaar. (er zijn 3
vormen)
Onveilig-gedesorganiseerd: kinderen ervaren ‘angst zonder
oplossing’ en krijgen vaak gedragsproblemen. (Dit is de meest
zorgwekkende vorm).
Twee longitudinale adoptiestudies
1
, Leidse Longitudinale Adoptiestudie (LLAS): 160 interlandelijke
adoptiekinderen (Colombia, Sri Lanka en Zuid-Korea) werden gevolgd
vanaf de komst naar Nederland tot adolescentie. Op jonge leeftijd vond er
een interview plaats waarbij met succes de gehechtheid werd bevorderd,
door meer sensitiviteit bij de ouders naar boven te halen. Verder kregen de
kinderen nazorg via Video Interactie Begeleiding (VIB). De kinderen
ontwikkelen zich vrij normaal. Alleen veel jongetjes op 7-jarigen leeftijd
ontwikkelden meer gedragsproblemen en rond de adolescentie waren er
een aantal internaliserende (angstig, depressief) en externaliserende
gedragsproblemen (agressie). Er blijkt dat de kinderen zich vaak
gefrustreerd voelen door twee wensen die zij hebben: ze willen wit zijn en
geboren zijn uit de buik van de adoptiemoeder. Verder bleek dat kinderen
met sensitieve adoptieouders en een veilige gehechtheid zich beter
ontwikkelen.
Rotterdamse Longitudinale Adoptiestudie: Gedragsontwikkeling van
een grote groep interlandelijke adoptiekinderen werd bestudeerd. Gevolgd
vanaf late kindertijd tot volwassenheid. Eerste meting waren de kinderen
10-15, tweede meting: adolescentie en derde meting: volwassen. (veel
kinderen waren pas een paar maanden geadopteerd bij de eerste meting).
Bij de eerste twee metingen vullen de ouders vragenlijsten in. Bij de
tweede meting vult het kind zelf ook een lijst in en bij de derde meting
neemt hij/zij deel aan een psychiatrisch interview. In de later kindertijd en
adolescentie vertonen de kinderen meer internaliserend en externaliserend
probleemgedrag. Bij jongens was dit sterker dan bij meisjes. En bij
kinderen die ouder waren op het moment van adoptie meer dan kinderen
die op jonge leeftijd zijn geadopteerd. Vroege verwaarlozing, mishandeling
en meerdere overplaatsing zorgden ook voor meer probleemgedrag.
Adoptiekinderen blijken wanneer zij volwassen zijn meer psychiatrische
problemen te hebben, vooral wanneer zij veel negatieve ervaringen
hadden. Op schoolprestaties blijven zij meer achter dan niet-
adoptiekinderen. Ook in sociale vaardigheden blijven ze meer achter.
Anders (of toch niet?) Opvoeding en ontwikkeling van kinderen verwekt door
medische begeleide bevruchting
1978 – Eerste baby door IVF in Verenigd Koninkrijk (Louise Brown)
IVF kan complicaties meebrengen als meerlingen (wat kan zorgen voor medische
complicaties en een andere opvoedingssituatie, perinatale complicaties
(vroeggeboorte of laag geboortegewicht), lichamelijke afwijkingen en problemen.
Opvoeding bij IVF gezinnen
- Opvoeding wordt gezien als een wisselwerking tussen ouder en kind die
elkaar wederzijds beïnvloeden
- Binnen de opvoeding wordt een handelingscomponent (objectief
vaststelbaar) en een bewegingscomponent (verwachtingen, gevoelens
en overtuigingen) onderscheiden.
2
, - Opvoedingsrelatie speelt zich niet af in een vacuüm, maar wordt beïnvloed
door andere factoren uit de gezinscontext.
- Belsky: Kinderlijke ontwikkeling wordt rechtstreeks beïnvloed door de
opvoeding. Opvoeding wordt beïnvloed door 3 factoren: kindfactoren,
ouderfactoren en omgevingsfactoren. Centraal in dit model is het buffer-
idee . Dit wil zeggen dat tekorten in factoren (risicofactoren)
gecompenseerd kunnen worden door andere factoren (beschermende
factoren).
3 factoren worden bekeken:
emotionele ondersteuning (uitdrukken van positieve gevoelens en
emotionele steun door de ouder naar het kind toe en het afstemmen van
het gedrag op de noden van het kind).
stellen van structuur en grenzen (de mate waarin een ouder op
doeltreffende wijze de verwachtingen ten aanzien van het gedrag
communiceert naar het kind).
respect voor autonomie. (de mate waarin de ouder doorheen het
handelen het perspectief en initiatief van het kind au sérieux neemt en
hier ook waardering voor uitdrukt).
Hiernaast werd er gekeken naar zaken van de ouders als:
- beleving van eigen opvoeding
- persoonlijk functioneren
- huwelijksrelatie
- beroepsrelatie
Peutertijd:
Er werden IVF gezinnen vergeleken met normale gezinnen. Er werd gekeken naar
gedrag van zowel de moeder als het kind in verschillende situaties en de
moeders zijn geïnterviewd. Op alle 3 de hoofdfactoren is er geen significant
verschil gevonden. Beroeps-actieve IVF moeders vonden de respect voor
autonomie lastiger.(zou mogelijk verklaard kunnen worden door het feit dat de
moeders door het werk minder tijd kunnen doorbrengen met het kind en
daardoor veel bepalen voor hen).
Lagere school periode:
In deze fase werd er gewerkt met vragenlijsten voor de ouders en de leerkracht.
Door de leerkracht werd over het algemeen iets meer probleemgedrag
beschreven over de IVF kinderen. De ouders van de twee groepen vertoonden
geen significant verschil. (De IVF ouders scoorden alleen hoger op het kopje
‘geloof’, wat te verklaren is dat zij bij een katholieke kliniek zijn geweest)
Adolescentie:
Er werd hier naar 4 categorieën gekeken:
1. responsiviteit: liefde, warmte en ondersteuning.
2. gedragsmatige controle: stellen van adequate grenzen en regels aan
het gedrag van het kind en de naleving hiervan.
3