ANA.CO.1
-De student kan het algemene bouwplan van een wervel
(vertebra) en van de wervelkolom, inclusief de
fysiologische curvaturen van de wervelkolom beschrijven.
Kyfose= relatief stabiel, bolling naar achteren
Lordose= relatief mobiel, bolling naar voren
Krommingen zijn beter bestand tegen kracht dan recht.
Onze wervelkolom heeft 3 krommingen. 10 keer beter
bestand tegen kracht hierdoor, je kunt hier meer gewicht
op kwijt. Weerstand tegen asdruk groter.
Vaak klachten in lage rug> een mobiele regio en relatief
veel gewicht op deze regio.
Corpus vertebrae= wervellichaam
Arcus vertebrae= wervelboog
Lamina= achterste gedeelte, hieraan zit proccesus spinosi
Pediculus= het boogvoetje
Processus articularis
Processus art. superior= contact met bovenliggende wervel
Processus art. inferior= contact met onderliggende wervel
-De student kan een lendenwervel (vertebra lumbalis)
onderscheiden van de overige wervels (cervicaal en thoracaal) op
basis van morfologische kenmerken.
,Cervicaal> corpus relatief klein, canalis vertebralis vrij groot.
-De student kent de functionele betekenis van de typische
morfologische kenmerken van een lumbale, thoracale of cervicale
wervel.
Er is een verschil tussen
Kapandji en Bogduk.
Kapandji zegt dat de
processus art. voor de mobiliteit is, terwijl Bogduk zegt dat dit juist
stabiliserend is en dat de processus spinosi/transversus voor de
mobiliteit zorgen.
-De student kent de bouw van de intervertebrale facetgewrichten,
in het bijzonder die tussen de lumbale wervels, de kenmerken
waarin deze gewrichten zich onderscheiden van hun cervicale en
thoracale tegenhangers en de functionele betekenis van deze
, kenmerken ten aanzien van bewegingsmogelijkheden in deze
gewrichten.
C, D: frontaal vlak, je kijkt boven op 2 verschillende
wervels. Goede lateroflexie, beetje rotatie
E, F: sagittaal vlak, flexie, extensie, geen rotatie
Transversaal vlak is niet te tekenen.
Positie vertelt je iets over de
bewegingsmogelijkheden.
Cervicaal= transversaal, goed roteren
Hoog lumbaal= sagitaal
Laag lumbaal= meer frontaal
Thoracaal= frontaal
-De student kent de functionele anatomie van
het sacrum en diens verbinding met het os coxae (SI-gewricht) en
de bewegingsmogelijkheden in dit gewricht.
-Processus articularis superior: gewrichtsvlakken die het contact met
L5 maken.
-Facies auricularis: Beiden
zijkanten> oorvormige vlak,
maken contact met illium
delen
-Foramen sacralis
dorsalis (of ventralis):
gaten in het sacrum
-Crista sacralis mediana:
dorsale mediale deel sacrum
richel> samengevoegde
processus spinosi
-Crista sacralis lateralis:
beide zijden nog 2 richels, samengevoegde processus transversus
Bij iedereen is het bekken naar voren gekanteld, natuurlijk kanteling
ongeveer 60 graden. Horizontale lijn ter hoogte van sypmphyse, lijn
schuin naar boven langst het promotorium (meest voorste zijde van
sacrum) = inclinatio pelvis. SIPS en SIAS staan dan bij benadering in
een horizontaal lijn.