H. 1 Sociaal recht, algemeen(HC 1)
De regels van het sociaal recht zijn gedurende de afgelopen honderd jaar
ontstaan, tijdens de industriële revolutie (± 1906). Daarvoor was er nog vrijwel
geen sociaal recht. Langzaam aan begon dit tot steeds meer problemen te leiden
(zoals slechte omstandigheden in fabrieken), en de mensen kwamen dan ook in
opstand. Als gevolg hiervan kwam er wetgeving tot stand, die ons huidige sociale
recht vormt. Er ontstond dus een verzorgingsstaat, het modern sociaal recht. In
slechte economische tijden moest het sociaal recht enkele stappen terug doen
omdat de financiële lasten te zwaar zouden zijn en de regels te star, vandaar dat
het concurrentievermogen van het bedrijfsleven terugliep. Het sociaal recht
reflecteert de ups en downs van de economie en de grote veranderingen in de
wereldpolitiek. De veranderingen in het sociaal recht hebben vooral betrekking
op versoberen en bezuinigen. Poldermodel = sociale partners (werkgevers- en
werknemersorganisaties) en de overheid nemen in goed overleg samen de
verantwoordelijkheid voor de inrichting van de arbeidsverhoudingen. Dus =
Regering + werknemer + werkgever
FNV: federatie Nederlandse Vakbeweging (Heerts). Slechts 20% v.d. werknemers
is lid van vakbonden
Hier tegenover staan: De werkgeversorganisaties (Wientjes), 85% is lid v.d.
wergeversbonden.
85% v.d. mensen vallen onder de cao
Doel arbeidsrecht: Werknemers beschermen en meer gelijkwaardig maken aan
de werknemers ongeljkheidscomensatie.
Drie ontwikkelingslijnen in het sociaal recht in de laatste decennia:
1. Trend naar liberalisering (concurrentie toestaan) van het arbeidsrecht:
Arbeidstijdenwet en
vakantieregeling
2. Verdere privatisering van het arbeidsrecht: werkgever moet steeds meer
rekening houden met de
privé situatie van de werknemer, Wet arbeid en zorg.
3. Nadruk op activering van uitkeringsgerechtigden in het sociaalzekerheidsrecht:
WW en WIA.
Het begrip sociaal recht is eigenlijk niet goed te definiëren. De volgende aspecten
vallen onder dit begrip: - Arbeidsrecht
- Medezeggenschapsrecht
- Sociaalzekerheidsrecht
Dit sociale recht is opgenomen in een zevental rechtsbronnen (hiërarchisch):
1. Internationale verdragsbepalingen / EU recht
2. Grondwet
3. Wetten in formele zin (zowel civielrechtelijke als bestuursrechtelijke
wetten)
4. Algemene maatregelen van bestuur (wetten in materiele zin)
5. Rechtspraak / Provinciale verordeningen
6. Collectieve en individuele arbeidsovereenkomsten / gemeentelijke
verordeningen
7. Gebruik en gewoonte
,Hoofdstromingen van het recht: Civiel recht, Strafrecht & Staats- en
bestuursrecht.
Het sociaal recht valt niet echt in te delen bij de grote hoofdstromen van ons
recht. Het kent elementen uit elk van deze stromingen en heeft daarnaast nog
een aantal eigen regelingen.
Het Nederlandse sociaal recht heeft veel gemeen met het sociale recht in de
democratische staten
met een parlement van West-Europa. Toch zijn er wel verschillen tussen deze
diverse sociaalrechtstelsels.
Klassieke grondrechten: Grondrechten die de overheid een
verplichting opleggen zich niet in te mengen in het leven van burgers ,
bijvoorbeeld vrijheid van meningsuiting en van vergadering. Een paar van
deze klassieke grondrechten hebben echter ook een raakvlak met het
sociaal recht.
- Verticale werking = functie tegen de overheid, bezien vanuit de burger.
- Horizontale werking = relatie tussen burgers.
Sociale grondrechten = De belangrijkste problemen in het sociaal
recht zijn echter niet geholpen bij het onthouden van inmenging door
de overheid, maar juist door het ingrijpen van de overheid waarbij ze
bijv. arbeidsvoorwaarden of sociale zekerheid kan garanderen. Dit soort
rechten worden nu sociale grondrechten genoemd. Sociale
grondrechter zijn ‘zachter’ dan de klassieke grondrechten, het zijn vooral
opdrachten aan de wetgever, die deze behoort te vervullen in de mate
waarin hem dit in een gegeven tijd en op een gegeven plaats mogelijk is.
Richtlijnen: Bevel vanuit EU, maar de lidstaten moeten deze nog wel zelf
invoeren/omzetten
Verordening: Werd direct door in alle lidstaten. Rechtstreeks bindend dus.
College aantekeningen (Intro artikel)
Trias Politica (Montesquieu) : Voor bescherming van zijn vrijheid is het individu
afhankelijk van de Staat. De vrijheid van het individu word zo goed mogelijk
beschermd tegen macht van de Staat door de scheiding der machten: 1)
wetgevende,
2) uitvoerende
3) rechtsprekende macht.
① Wetgevende macht
1. Op centraal niveau: Staten-Generaal: Tweede en Eerste Kamer in
samenwerking met de regering.
– Rechtstreekse verkiezing leden tweede Kamer.
– Indirecte verkiezing leden eerste kamer: Hoofdtaak TK/EK is controle
regering.
2. Op provinciaal niveau: Provinciale Staten.
3. Op gemeentelijk niveau: Gemeenteraad.
②Uitvoerende macht
1. Centraal niveau:
– Regering bestaat uit Koning en ministers.
– Koning is onschendbaar, ministers zijn verantwoordelijk.
2. Provinciaal niveau: Commissaris van de Koning en gedeputeerde Staten.
3. Gemeentelijk niveau: College van B&W en burgemeester
③ Rechtsprekende macht
, Hof van Justitie EU en Europees Hof Rechten van de Mens.
Hoge Raad: cassatie; geen feitelijke vragen, maar alleen rechtsvragen.
Centrale Raad van Beroep en afdeling rechtspraak Raad van State.
4 Gerechtshoven.
11 Rechtbanken
Kenmerken Rechtsstaat
Grondrechten: klassieke en sociale grondrechten
Legaliteitseis: Elk overheidsoptreden waarbij vrijheden of eigendommen
van burgers worden ingeperkt, moet een wettelijke grondslag hebben.
De wet geldt voor iedereen.
Beginsel van rechtszekerheid.
Machtenscheiding
- Wet in formele zin: Een regeling vastgesteld door de staten generaal. Deze
wetten staan boven de
wetten in materiele zin.
- Wet in materiele zin: Een algemeen, de burgers verbindende regeling. Dus alle
andere wetten.
Formele wetten zijn ook altijd materiele wetten, maar andersom hoeft dit
niet zo te zijn.
- Formeel recht: Het procesrecht, welke regels moet je volgen, welke stappen
moet je ondernemen,
waar moet je zijn.
- Materieel recht: De inhoudelijke regels
- Recht is het geheel van geldende rechtsregels: Objectieve/positieve
recht = LAW
- Recht in de betekenis bevoegdheid, aanspraak hebben op: Subjectief
recht = RIGHT
Publiekrecht: De rechtsregels die gelden in de verhouding tussen
overheid en burger.
Privaatrecht: De rechtsregels die gelden in de verhouding tussen burgers
onderling.
Arbeidsrecht behoort tot beide.
- Staatsrecht: o.a. geregeld in de Grondwet, hoe de staat in elkaar steekt.