Samenvatting Nederlands als tweede taal in het
basisonderwijs
Hoofdstuk 2
Kinderen verwerven een (tweede) taal niet door domweg te imiteren,
maardoor op basis van het taalaanbod van en in interactie met de
omgeving hypotheses op te stellen over de woorden en regels van de te
leren taal. Tweedetaalverwervers laten daarbij tussenvormen zien en
maken fout die ook eerstetaalverwervers in die taal maken. Vooral in het
begin maken ze ook wel fouten die te maken hebben met hun eerste taal.
Veel en divers aanbod van de omgeving heeft een gunstig effect op de
taalverwerving. Contact met de tweede taal, maar ook goed onderwijs
beïnvloedt het succes van tweedetaalverwerving. Tweedetaalverwervers
moeten vooral hun achterstand in woordenschat in de tweede taal snel
inlopen. Een schoolwerkplan waarin de inhoud, doelen en leermiddelen
nauwkeurig omschreven zijn, kan de leerkracht daarbij helpen. De 'beste'
methode voor het helpen ontwikkelen van taalvaardigheden bestaat uit
een mix van didactische benaderingen, waarin verschillende soorten
oefeningen en werkvormen gehanteerd worden, zodat alle typen
taalverwervers aan hun trekken kunnen komen.
Hoofdstuk 3
In dit hoofdstuk is het belang van taalaanbod en interactie besproken voor
de spontane, natuurlijke tweedetaalverwerving. NT2-kinderen moeten veel
taal horen (taalaanbod) en veel aan gesprekken deelnemen (interactie).
Op die manier kunnen ze veel van het Nederlands opsteken. Dat
taalaanbod en die interactie moeten wel aan bepaalde eisen voldoen. Wat
de vorm betreft moet het taalaanbod zijn aangepast, zeker voor kinderen
die nog weinig taalvaardig zijn in het Nederlands. De inhoud moet zodanig
zijn dat tweetalige leerlingen makkelijk mee kunnen doen. De leerkracht
moet ook zo veel mogelijk strategieën gebruiken die kinderen aanzetten
om een bijdrage te leveren aan het gesprek. Taalaanbod en interactie
moeten zowel kwalitatief als kwantitatief goed zijn met het oog op
stimulering van de tweedetaalverwerving.
Hoofdstuk 4
NT2-leerlingen hebben in vergelijking met hun NT1-leeftijdgenoten een
grote woordenschatachterstand. Daarbij is er niet alleen sprake van een
kwantitatieve achterstand (ze kennen minder woorden), maar ook van een
kwalitatieve (ze weten minder van de woorden af). In het onderwijs moet
daarom systematisch aandacht aan de uitbreiding van de woordenschat
worden besteed. Bij het leren van woorden gaat het zowel om het leren
van de woordvorm (label), als om het leren van de achterliggende
betekenis (het concept) en het aanhaken bij andere woorden in het
netwerk van de mentale woordenschat. Voor de verwerving van schoolse
kennis zijn begrip van hiërarchische betekenisrelaties en een geleidelijke
opbouw van 'diepe' woordkennis belangrijk. Woorden worde niet in één
keer geleerd. De verschillende betekenisaspecten van een woord worden
geleerd naarmate het woord in meer contexten en situaties gebruikt
,wordt. Een verantwoorde didactische aanpak begint bij de selectie van
woorden en leerdoelen, waarna de woorden in vier fasen (voorbewerken,
semantiseren, consolideren, controleren) worden onderwezen.
Leerkrachten moeten vaardigheden ontwikkelen om goede woordclusters
te maken, betekenissen en betekenisrelaties voor kinderen duidelijk te
maken en voldoende te herhalen, om het woordenschatonderwijs efficiënt
en succesvol te laten verlopen. Registratie van behandelde woorden is
noodzakelijk, opdat zowel de leerkracht als de leerlingen op de
behandelde woorden terug te kunnen grijpen.
Hoofdstuk 5
Een groot gedeelte van hun tijd in het basisonderwijs zijn leerlingen op de
een of andere manier bezig met geschreven taal, op papier of op de
computer. In de ontwikkeling van leesvaardigheid zijn vier stadia te
onderkennen. Eerst raken kinderen vertrouwd met de wereld van het
geschreven woord. Dat is het stadium van de ontluikende geletterdheid.
Vervolgens leren ze de kunst van het lezen (aanvankelijk lezen) en daarna
gaat het lezen steeds makkelijker (automatisering) en kunnen ze hun
aandacht weer richten op de betekenis. Ten slotte kunnen ze met die
verworven vaardigheid uit vele verschillende tekstsoorten alle mogelijke
informatie opdoen (lezen als informatieverwerking). Leerlingen, ook
tweedetaalleerders, moeten zo veel mogelijk in de gelegenheid zijn om te
leren lezen op basis van bekende woorden en bekende teksten. Als ze
eenmaal kunnen lezen, vraagt alles waarin en geschreven tekst zich
onderscheidt van gesproken taal, veel aandacht. Begrijpend lezen is altijd
een wisselwerking tussen leesvaardigheid, taalvaardigheid en kennis van
de wereld en het is aan de leerkracht in het basisonderwijs om ook
tweedetaalleerders tot zo'n optimale wisselwerking in staat te stellen.
Daartoe kunnen zij vóór het lezen de leerlingen voorbereiden op de tekst
door hun al aanwezige kennis te activeren, verwachtingen over het
onderwerp op te roepen, onbekende woorden toe te lichten, de lijn van het
verhaal duidelijk te maken, enzovoort. Naast woordenschat in het
algemeen vormen idiomatisch en ander niet-letterlijk taalgebruik
specifieke problemen voor NT2-leerlingen. Met een analyse van het
leesgedrag kunnen zij zeer gebaat zijn, vooral wanneer ze onmiddellijk
feedback krijgen. Met een dergelijke analyse kan de leerkracht gerichte
oplossingen vinden voor de leesproblemen van NT2-leerders. Kinderen
regelmatig laten schrijven ondersteunt ook het lezen en biedt bovendien
veel zicht op wat specifiek lastig is voor NT2-lerende kinderen.
Hoofdstuk 6
De ontwikkeling van schoolse taalvaardigheden vraagt om een goede
samenhang tussen het taalonderwijs en het onderwijs in de zaakvakken.
Minder taalvaardige leerlingen hebben vaak veel moeite met moeilijke
schoolse taaltaken in de zaakvakken. Als de leerboeken voor de
zaakvakken onvoldoende tegemoetkomen aan minder taalvaardige
leerlingen, moeten leerkracht zelf de aanpassingen aanbrengen en de stof
die wel geschikt is, goed selecteren. Wanneer het onderwijs een beroep
doet op schoolse taalvaardigheden, moeten deze systematisch
onderwezen worden. Dit is een zaak voor het taalonderwijs én het
, zaakvakkenonderwijs. Om tegemoet te komen aan NT2-leerlingen en
minder taalvaardige Nederlandse leerlingen zal het taalonderwijs een
goede voorbereiding moeten vormen op taaltaken in andere vakken. Dit
betekent dat niet later, maar eerder dan in de zaakvakken, systematisch
gewerkt moet worden aan de ontwikkeling van de schoolse
taalvaardigheden. Leerlingen moeten in het taalonderwijs leren hoe ze
moeilijke (informatieve) teksten aan kunnen pakken. In de niet-taalvakken
spelen de schoolse taalvaardigheden een belangrijke rol. Daarin is de
ontwikkeling van de taalvaardigheid geen doel op zich, maar is de taal een
middel om informatie over te dragen, instructies te geven, zaken uit te
leggen. Om dat proces goed te laten verlopen, moeten leerkrachten over
specifieke didactische vaardigheden beschikken. Ze moeten voortdurend
leerstof selecteren, plannen en op een goede manier overdragen. Het
onderwijzen van en in een tweede taal is een vorm van steeds weer
uitproberen en nagaan of het werkt.
basisonderwijs
Hoofdstuk 2
Kinderen verwerven een (tweede) taal niet door domweg te imiteren,
maardoor op basis van het taalaanbod van en in interactie met de
omgeving hypotheses op te stellen over de woorden en regels van de te
leren taal. Tweedetaalverwervers laten daarbij tussenvormen zien en
maken fout die ook eerstetaalverwervers in die taal maken. Vooral in het
begin maken ze ook wel fouten die te maken hebben met hun eerste taal.
Veel en divers aanbod van de omgeving heeft een gunstig effect op de
taalverwerving. Contact met de tweede taal, maar ook goed onderwijs
beïnvloedt het succes van tweedetaalverwerving. Tweedetaalverwervers
moeten vooral hun achterstand in woordenschat in de tweede taal snel
inlopen. Een schoolwerkplan waarin de inhoud, doelen en leermiddelen
nauwkeurig omschreven zijn, kan de leerkracht daarbij helpen. De 'beste'
methode voor het helpen ontwikkelen van taalvaardigheden bestaat uit
een mix van didactische benaderingen, waarin verschillende soorten
oefeningen en werkvormen gehanteerd worden, zodat alle typen
taalverwervers aan hun trekken kunnen komen.
Hoofdstuk 3
In dit hoofdstuk is het belang van taalaanbod en interactie besproken voor
de spontane, natuurlijke tweedetaalverwerving. NT2-kinderen moeten veel
taal horen (taalaanbod) en veel aan gesprekken deelnemen (interactie).
Op die manier kunnen ze veel van het Nederlands opsteken. Dat
taalaanbod en die interactie moeten wel aan bepaalde eisen voldoen. Wat
de vorm betreft moet het taalaanbod zijn aangepast, zeker voor kinderen
die nog weinig taalvaardig zijn in het Nederlands. De inhoud moet zodanig
zijn dat tweetalige leerlingen makkelijk mee kunnen doen. De leerkracht
moet ook zo veel mogelijk strategieën gebruiken die kinderen aanzetten
om een bijdrage te leveren aan het gesprek. Taalaanbod en interactie
moeten zowel kwalitatief als kwantitatief goed zijn met het oog op
stimulering van de tweedetaalverwerving.
Hoofdstuk 4
NT2-leerlingen hebben in vergelijking met hun NT1-leeftijdgenoten een
grote woordenschatachterstand. Daarbij is er niet alleen sprake van een
kwantitatieve achterstand (ze kennen minder woorden), maar ook van een
kwalitatieve (ze weten minder van de woorden af). In het onderwijs moet
daarom systematisch aandacht aan de uitbreiding van de woordenschat
worden besteed. Bij het leren van woorden gaat het zowel om het leren
van de woordvorm (label), als om het leren van de achterliggende
betekenis (het concept) en het aanhaken bij andere woorden in het
netwerk van de mentale woordenschat. Voor de verwerving van schoolse
kennis zijn begrip van hiërarchische betekenisrelaties en een geleidelijke
opbouw van 'diepe' woordkennis belangrijk. Woorden worde niet in één
keer geleerd. De verschillende betekenisaspecten van een woord worden
geleerd naarmate het woord in meer contexten en situaties gebruikt
,wordt. Een verantwoorde didactische aanpak begint bij de selectie van
woorden en leerdoelen, waarna de woorden in vier fasen (voorbewerken,
semantiseren, consolideren, controleren) worden onderwezen.
Leerkrachten moeten vaardigheden ontwikkelen om goede woordclusters
te maken, betekenissen en betekenisrelaties voor kinderen duidelijk te
maken en voldoende te herhalen, om het woordenschatonderwijs efficiënt
en succesvol te laten verlopen. Registratie van behandelde woorden is
noodzakelijk, opdat zowel de leerkracht als de leerlingen op de
behandelde woorden terug te kunnen grijpen.
Hoofdstuk 5
Een groot gedeelte van hun tijd in het basisonderwijs zijn leerlingen op de
een of andere manier bezig met geschreven taal, op papier of op de
computer. In de ontwikkeling van leesvaardigheid zijn vier stadia te
onderkennen. Eerst raken kinderen vertrouwd met de wereld van het
geschreven woord. Dat is het stadium van de ontluikende geletterdheid.
Vervolgens leren ze de kunst van het lezen (aanvankelijk lezen) en daarna
gaat het lezen steeds makkelijker (automatisering) en kunnen ze hun
aandacht weer richten op de betekenis. Ten slotte kunnen ze met die
verworven vaardigheid uit vele verschillende tekstsoorten alle mogelijke
informatie opdoen (lezen als informatieverwerking). Leerlingen, ook
tweedetaalleerders, moeten zo veel mogelijk in de gelegenheid zijn om te
leren lezen op basis van bekende woorden en bekende teksten. Als ze
eenmaal kunnen lezen, vraagt alles waarin en geschreven tekst zich
onderscheidt van gesproken taal, veel aandacht. Begrijpend lezen is altijd
een wisselwerking tussen leesvaardigheid, taalvaardigheid en kennis van
de wereld en het is aan de leerkracht in het basisonderwijs om ook
tweedetaalleerders tot zo'n optimale wisselwerking in staat te stellen.
Daartoe kunnen zij vóór het lezen de leerlingen voorbereiden op de tekst
door hun al aanwezige kennis te activeren, verwachtingen over het
onderwerp op te roepen, onbekende woorden toe te lichten, de lijn van het
verhaal duidelijk te maken, enzovoort. Naast woordenschat in het
algemeen vormen idiomatisch en ander niet-letterlijk taalgebruik
specifieke problemen voor NT2-leerlingen. Met een analyse van het
leesgedrag kunnen zij zeer gebaat zijn, vooral wanneer ze onmiddellijk
feedback krijgen. Met een dergelijke analyse kan de leerkracht gerichte
oplossingen vinden voor de leesproblemen van NT2-leerders. Kinderen
regelmatig laten schrijven ondersteunt ook het lezen en biedt bovendien
veel zicht op wat specifiek lastig is voor NT2-lerende kinderen.
Hoofdstuk 6
De ontwikkeling van schoolse taalvaardigheden vraagt om een goede
samenhang tussen het taalonderwijs en het onderwijs in de zaakvakken.
Minder taalvaardige leerlingen hebben vaak veel moeite met moeilijke
schoolse taaltaken in de zaakvakken. Als de leerboeken voor de
zaakvakken onvoldoende tegemoetkomen aan minder taalvaardige
leerlingen, moeten leerkracht zelf de aanpassingen aanbrengen en de stof
die wel geschikt is, goed selecteren. Wanneer het onderwijs een beroep
doet op schoolse taalvaardigheden, moeten deze systematisch
onderwezen worden. Dit is een zaak voor het taalonderwijs én het
, zaakvakkenonderwijs. Om tegemoet te komen aan NT2-leerlingen en
minder taalvaardige Nederlandse leerlingen zal het taalonderwijs een
goede voorbereiding moeten vormen op taaltaken in andere vakken. Dit
betekent dat niet later, maar eerder dan in de zaakvakken, systematisch
gewerkt moet worden aan de ontwikkeling van de schoolse
taalvaardigheden. Leerlingen moeten in het taalonderwijs leren hoe ze
moeilijke (informatieve) teksten aan kunnen pakken. In de niet-taalvakken
spelen de schoolse taalvaardigheden een belangrijke rol. Daarin is de
ontwikkeling van de taalvaardigheid geen doel op zich, maar is de taal een
middel om informatie over te dragen, instructies te geven, zaken uit te
leggen. Om dat proces goed te laten verlopen, moeten leerkrachten over
specifieke didactische vaardigheden beschikken. Ze moeten voortdurend
leerstof selecteren, plannen en op een goede manier overdragen. Het
onderwijzen van en in een tweede taal is een vorm van steeds weer
uitproberen en nagaan of het werkt.