SAMENVATTING ETHOLOGIE
A t/m I
A: INLEIDING
Aristoteles had geschriften over diergedrag, hij beschreef 540 diersoorten.
Recent: groeiende interdisciplinariteit
- Voorbeelden:
o Evolutionaire psychologie en cognitieve ethologie
o Neuro-ethologie
1. Wat is ethologie?
- De biologische studie van gedrag
a. Biologisch:
o Wetenschappelijke methoden
o Vergelijkende studies
o Evolutieleer als achtergrond
Triune brain theory (Paul MacLean)
Hij deelde de hersenen op in 3 delen:
1. Reptielenbrein: vechten of vluchten, automatische
piloot
2. Limbic systeem: emoties, leren, geheugen,
beslissingen
3. Neonmammalian: taal, complexe stimulus analyse,
abstract redeneren, bewustzijn, nadenken over
dingen die niet vlak voor je neus staan → verbeelding. Bijvoorbeeld
hypotheses bedenken
De drie delen hebben invloed op elkaar
B: GEDRAG
- Definities:
o Iedere uitwendig waarneembare activiteit van het organisme
o Een eigenschap van het dier waarmee het zijn relatie tot het
uitwendig milieu kan veranderen
Doel gedrag: overlevingskansen te maximaliseren
Dit systeem kun je toepassen op gedrag. Het symbool betekent:
aftoetsen normen aan huidige situatie.
, 2. Vragen ethologie:
- “Hoe ziet gedrag eruit?”
- Tinbergen (“on aims and methods of ethology”, 1963):
o 2 ultimate vragen (waartoe/ why)
▪ Functie
• Wat is de functie of overlevingswaarde van het gedrag?
▪ Evolutie
• Hoe is een gedrag ontstaan doorheen de evolutie en heeft het zich
genetisch vastgelegd?
o 2 proximate vragen (waardoor/how):
▪ Veroorzaking of causaliteit:
• Welke oorzaken doen het beschreven gedrag optreden?
▪ Ontwikkeling:
• Hoe heeft het gedrag zich ontwikkeld in de loop van het leven van
een individu?
Bijkomende vragen van P. Wiepkema:
- Wat is het effect van leerprocessen op gedrag? (aan/afleren)
- Zijn er modellen mogelijk die gedrag kunnen verklaren en concepten integreren?
- Kan ethologische kennis iets zeggen over welzijn?
B – CAUSALITEIT
1. REFLEXEN
- Zeer duidelijke stimulus
2. SOORTEN STIMILU
Functie stimulus:
- Gedrag opwekken
- Gedrag sturen
- Algemene waakzaamheid verhogen
o Formatio reticularis, gedrag kan sneller uitgevoerd worden
3. ZINTUIGELIJKE MOGELIJKHEDEN
- Receptoren → zintuigen
- Welke zintuigen heeft een dier
o Moet je weten, om gedrag te kunnen interpreteren
, - “Umwelt” van elke diersoort = zintuigelijke wereld van diersoort
TESTEN VAN ZINTUIGELIJK VERMOGEN
Onderscheidingsvermogen
- Gevoeligheid van de zintuigen
- Gemeten via:
o Fysiologische metingen (bv. Elektromyografie, EEG, …)
o Gedragsproeven (conditionering)
PERIFERE EN CENTRALE FILTERING
- Selectie van relevante prikkels
o Perifere filtering: via zintuigen
o Centrale filtering: ter hoogte van CZS
4. SLEUTELPRIKKELS
- Sleutelprikkel = een specifieke stimulus waarop dieren reageren met een welbepaald gedrag
o Bijvoorbeeld: bruine vlek op kop bij kuiken, is prikkel voor moedergedrag.
- Gestaltkarakter = totaalbeeld
o Het is belangrijk waar de vlek op het kuiken zit.
- Drempelwaarde
o Laagste waarde dat reactie kan uitlokken.
Heterogene summatie = 2 verschillende prikkels die samen een sterkere reactie uitlokken dan de
twee apart.
- Voorbeeld:
“Kunstmatige” oestrusdetectie bij merries: Respons grootst bij combinatie tactiele en
akoestische prikkels.
o Hengst maakt geluid en begint te snuffelen aan genitalia en flank van de merrie.
Beide lokten reactie uit, maar de 2 samen lokten de grootste reactie uit.
Adaptieve waarde = overlevingswaarde
- Voorbeeld: gepast reageren op een overvliegende havik, verhoogt de overlevingskans.
, Supernormale stimuli: Niet altijd is de normale prikkel de beste prikkel om een gedrag uit te lokken.
Supernormale stimuli = een prikkel met een buitennatuurlijke kwaliteit, die efficiënter is met het
uitlokken van het gedrag dan de normale prikkel.
EERLIJKE EN VALSE SIGNALEN
- Sleutelprikkels als elementen van andere soorten of soortgenoten
- Informatie (motivatie) over het individu dat de prikkel produceert, meestal voordeel voor
beiden
- “Communicatie”
o Sleutelprikkels = signalen
▪ Structuren of gedragspatronen met als functie het deblokkeren van een
reactie bij partner(s)
- Signalen kunnen eerlijk of vals zijn
Eerlijke signalen/ assesment signalen/ müllerian mimicry: informatie is nuttig voor beide
- Bv Pauw met grote staart
- Bv vlinder: soorten die allebei slecht zijn voor de predator, gaan beginnen op elkaar lijken. De
vlinders worden niet snel gegeten en de predator voelt zich niet slecht door het eten van de
vlinder.
Valse signalen/ conventionele signalen/ batesian mimicry: sleutelprikkel wordt op oneerlijke manier
gebruikt
- Bv vlinder ziet eruit als slang wanneer het zich bedreigd voelt.
The Roddy and Clark expeditions:
- Spicebush
- Caterpillar
- Defense
5. INTERCEPTOREN EN HORMONEN
5.1 Algemeen
- Interoceptoren: receptoren van het inwendige
milieu
o Glucose
o Neurotransmitters
o Hormonen
5.2 Hormonen beïnvloed gedrag
5.3 INTERACTIES GEDRAG-HORMONEN
Hormonen → gedrag
A t/m I
A: INLEIDING
Aristoteles had geschriften over diergedrag, hij beschreef 540 diersoorten.
Recent: groeiende interdisciplinariteit
- Voorbeelden:
o Evolutionaire psychologie en cognitieve ethologie
o Neuro-ethologie
1. Wat is ethologie?
- De biologische studie van gedrag
a. Biologisch:
o Wetenschappelijke methoden
o Vergelijkende studies
o Evolutieleer als achtergrond
Triune brain theory (Paul MacLean)
Hij deelde de hersenen op in 3 delen:
1. Reptielenbrein: vechten of vluchten, automatische
piloot
2. Limbic systeem: emoties, leren, geheugen,
beslissingen
3. Neonmammalian: taal, complexe stimulus analyse,
abstract redeneren, bewustzijn, nadenken over
dingen die niet vlak voor je neus staan → verbeelding. Bijvoorbeeld
hypotheses bedenken
De drie delen hebben invloed op elkaar
B: GEDRAG
- Definities:
o Iedere uitwendig waarneembare activiteit van het organisme
o Een eigenschap van het dier waarmee het zijn relatie tot het
uitwendig milieu kan veranderen
Doel gedrag: overlevingskansen te maximaliseren
Dit systeem kun je toepassen op gedrag. Het symbool betekent:
aftoetsen normen aan huidige situatie.
, 2. Vragen ethologie:
- “Hoe ziet gedrag eruit?”
- Tinbergen (“on aims and methods of ethology”, 1963):
o 2 ultimate vragen (waartoe/ why)
▪ Functie
• Wat is de functie of overlevingswaarde van het gedrag?
▪ Evolutie
• Hoe is een gedrag ontstaan doorheen de evolutie en heeft het zich
genetisch vastgelegd?
o 2 proximate vragen (waardoor/how):
▪ Veroorzaking of causaliteit:
• Welke oorzaken doen het beschreven gedrag optreden?
▪ Ontwikkeling:
• Hoe heeft het gedrag zich ontwikkeld in de loop van het leven van
een individu?
Bijkomende vragen van P. Wiepkema:
- Wat is het effect van leerprocessen op gedrag? (aan/afleren)
- Zijn er modellen mogelijk die gedrag kunnen verklaren en concepten integreren?
- Kan ethologische kennis iets zeggen over welzijn?
B – CAUSALITEIT
1. REFLEXEN
- Zeer duidelijke stimulus
2. SOORTEN STIMILU
Functie stimulus:
- Gedrag opwekken
- Gedrag sturen
- Algemene waakzaamheid verhogen
o Formatio reticularis, gedrag kan sneller uitgevoerd worden
3. ZINTUIGELIJKE MOGELIJKHEDEN
- Receptoren → zintuigen
- Welke zintuigen heeft een dier
o Moet je weten, om gedrag te kunnen interpreteren
, - “Umwelt” van elke diersoort = zintuigelijke wereld van diersoort
TESTEN VAN ZINTUIGELIJK VERMOGEN
Onderscheidingsvermogen
- Gevoeligheid van de zintuigen
- Gemeten via:
o Fysiologische metingen (bv. Elektromyografie, EEG, …)
o Gedragsproeven (conditionering)
PERIFERE EN CENTRALE FILTERING
- Selectie van relevante prikkels
o Perifere filtering: via zintuigen
o Centrale filtering: ter hoogte van CZS
4. SLEUTELPRIKKELS
- Sleutelprikkel = een specifieke stimulus waarop dieren reageren met een welbepaald gedrag
o Bijvoorbeeld: bruine vlek op kop bij kuiken, is prikkel voor moedergedrag.
- Gestaltkarakter = totaalbeeld
o Het is belangrijk waar de vlek op het kuiken zit.
- Drempelwaarde
o Laagste waarde dat reactie kan uitlokken.
Heterogene summatie = 2 verschillende prikkels die samen een sterkere reactie uitlokken dan de
twee apart.
- Voorbeeld:
“Kunstmatige” oestrusdetectie bij merries: Respons grootst bij combinatie tactiele en
akoestische prikkels.
o Hengst maakt geluid en begint te snuffelen aan genitalia en flank van de merrie.
Beide lokten reactie uit, maar de 2 samen lokten de grootste reactie uit.
Adaptieve waarde = overlevingswaarde
- Voorbeeld: gepast reageren op een overvliegende havik, verhoogt de overlevingskans.
, Supernormale stimuli: Niet altijd is de normale prikkel de beste prikkel om een gedrag uit te lokken.
Supernormale stimuli = een prikkel met een buitennatuurlijke kwaliteit, die efficiënter is met het
uitlokken van het gedrag dan de normale prikkel.
EERLIJKE EN VALSE SIGNALEN
- Sleutelprikkels als elementen van andere soorten of soortgenoten
- Informatie (motivatie) over het individu dat de prikkel produceert, meestal voordeel voor
beiden
- “Communicatie”
o Sleutelprikkels = signalen
▪ Structuren of gedragspatronen met als functie het deblokkeren van een
reactie bij partner(s)
- Signalen kunnen eerlijk of vals zijn
Eerlijke signalen/ assesment signalen/ müllerian mimicry: informatie is nuttig voor beide
- Bv Pauw met grote staart
- Bv vlinder: soorten die allebei slecht zijn voor de predator, gaan beginnen op elkaar lijken. De
vlinders worden niet snel gegeten en de predator voelt zich niet slecht door het eten van de
vlinder.
Valse signalen/ conventionele signalen/ batesian mimicry: sleutelprikkel wordt op oneerlijke manier
gebruikt
- Bv vlinder ziet eruit als slang wanneer het zich bedreigd voelt.
The Roddy and Clark expeditions:
- Spicebush
- Caterpillar
- Defense
5. INTERCEPTOREN EN HORMONEN
5.1 Algemeen
- Interoceptoren: receptoren van het inwendige
milieu
o Glucose
o Neurotransmitters
o Hormonen
5.2 Hormonen beïnvloed gedrag
5.3 INTERACTIES GEDRAG-HORMONEN
Hormonen → gedrag