1.1 Tests
Testen en toetsen
Test = instrumenten zoals psychologen die gebruiken
stellen vast hoe iemand is, zich gedraagt of wat hij in potentie kan leren
Toets = metingen van prestaties in het onderwijs of opleiding
stellen vast wat iemand weet of heeft geleerd
In het Engels geen onderscheid: altijd test
Analyseren gebeurt op basis van klassieke testtheorieën, ook voor toetsen.
Psychometrie = het kennisgebied over modellen, technieken en kwaliteitsnormen van tests en
andere meetinstrumenten
Edumetrie = het nieuwe kennisgebied betrouwbaarheid en validiteit zijn minder van toepassing,
andere criteria zijn ook belangrijk
Intelligentietoets
Groepsgewijs afnemen: als alternatief voor de Cito Eindtoets
Individueel afnemen: ter ondersteuning van het diagnosticeren van leerproblemen
Tijdens de ontwikkeling is minstens één conceptversie van belang
Samenspel tussen:
theoretisch model
generen / verzamelen van passende items
kwantitatieve analyse van de structuur en de kwaliteit van het model
Test met betrekking tot leren
Leerstijlentest: vaak vragenlijst. Toch test genoemd omdat het theoretische constructen bevat.
Leerstijlentest: meet hoe snel of hoeveel iemand kan leren.
Inzicht in mogelijkheden door ondersteuning op maat en feedback.
1.2 Observatielijsten
Inleiding
Observeren = bewust en doelgericht waarnemen van verschijnselen
Ongestructureerde of vrije observatie
Wél doelgericht! Het gebeurt met een bepaald doel en vanuit een theoretische achtergrond.
Ongestructureerd / vrij, want de manier van observeren is niet precies omschreven
Gegevens zijn vaak beschrijvingen (kwalitatief)
,Gestructureerde observatie
Gestructureerd observeren = exact weergeven van precies omschreven waarnemingen.
Observatiesystemen
A Repertoire (óf iets voorkomt)
B Frequentie en duur (hoe vaak en hoe lang iets voorkomt)
C Beoordelingsschalen (de mate waarin iets voorkomt, de intensiteit)
A Repertoire
Per tijdsinterval (bijvoorbeeld 1 minuut) turven / aankruisen welk gedrag of welke gedragingen de
geobserveerde vertoont.
B Frequentie en duur
- Een verschijnsel / gedrag wordt geturfd in één van een aantal aangegeven categorieën wanneer het
voorkomt (frequentie)
- Flanders: op een piepje schrijven wat je ziet (frequentie en duur)
C Beoordelingsschalen
Gedrag of een verschijnsel wordt gescoord op een puntenschaal (bijv. van helemaal niet in vijf
stappen naar helemaal wel)
Let op: kan objectiviteit en betrouwbaarheid verminderen, omdat het om een indruk gaat.
Manieren van observeren
Event-sampling = noteren hoe en wanneer een bepaald gedrag voorkomt zodra het
voorkomt
Time-sampling = gebruikmaken van tijdsintervallen
Participerend = de observator doet mee met de groep
Voordeel: goede relaties kunnen leiden tot meer of betere gegevens
Nadeel: minder goed functioneren als observator als je op gaat in de
groep
Niet-participerend = observator is neutrale toeschouwer
Tussenvormen bestaan ook!
Openlijke observatie = de observator is bekend als observator en het is bekend wat hij
observeert
Niet-openlijke observatie = de observator probeert zo onopvallend mogelijk te zijn en het is
onbekend wat hij observeert
Voordeel: het gedrag van de geobserveerde(n) wordt zo min mogelijk
, beïnvloedt
Nadeel: ethisch dilemma mag je iemand observeren terwijl diegene
dat niet weet?
Directe observatie = Observatie zonder tussenkomst van hulpmiddelen
Indirecte observatie = Observatie met behulp van hulpmiddelen
Zinvol bij
- snelle of complexe verschijnselen mogelijkheid tot herhalen of in slow-motion afspelen
- observator geen tijd of te duur goedkopere kracht laten opnemen, observator kijkt op eigen tijd
terug
- berekenen van interbeoordelaarsovereenstemming als je niet tegelijkertijd aanwezig kunt zijn
onafhankelijk observeren en vervolgens vergelijken
1.4 Kennistoets
Vraagvormen
Open vragen
Schriftelijk
Gesloten
Vraagvormen
vragen
Mondeling
Open vragen
In- of aanvulvragen = afmaken van een onvolledige zin of tekening
Korte-antwoordvragen = antwoorden in één of enkele woorden/getallen/tekening
Opstelvraag = antwoorden in een samenhangend stuk tekst of een uitgewerkte tekening
Gesloten vragen
Waar / onwaar
Stellingvraag = twee samenhangende beweringen worden gecombineerd tot een
vierkeuzevraag
Combinatievraag = twee kolommen moeten met elkaar in verband gebracht worden
Meerkeuzevraag
Richtlijnen voor het schrijven van gesloten toetsvragen, in het bijzonder meerkeuze vragen
Een meerkeuzevraag bestaat uit