Recht
College:
Privaatrecht: Regelt de verhouding tussen burgers onderling
Publiekrecht: Regelt de verhouding tussen burger en overheid, en tussen
overheidsorganen.
Subjectief: Een recht of plicht voor een individu
Objectief: Een recht of plicht voor iedereen
Materieel Recht: Het 'inhoudelijke' recht, de rechten en plichten zelf.
Formeel Recht: De organisatiestructuur achter het materiële recht, regels om
het materiële recht te handhaven.
Verdragen: Overeenkomst tussen 2 of meer staten, soms ook voor burgers
direct werkend. (EU recht)
Wetten: Codificatie van regels
WIFZ: Wet in formele zin
WIMZ: Wet in materiële zin
Jurisprudentie: Rechter beslist in concreet geval hoe regels uitgelegd moeten
worden
--> Interpretatiemethoden: Grammaticaal
Historisch (wet/recht)
Teleologisch
Anticiperend
Systematisch
--> Redeneervormen: Analogie
A-contrario
Gewoonterecht: Herhaling, normbesef, Afwijking norm wordt ervaren als zijnde
onbehoorlijk.
H1
Belangentegenstellingen: Ieder mens heeft belangen en probeert die te
realiseren. Vaak komt hij daarbij in botsing met een ander.
Eigenrichting: In een geschil je gelijk halen door zelf geweld te gebruiken. Het
recht van de (ec.) sterkste geldt dan.
Zittende magistratuur: De rechters zijn lid van de zittende magistratuur, de
rechts blijven zitten in de rechtszaal als zij aan het woord zijn.
Organisatie rechterlijke macht:
, Rechterlijke
macht
Gerechtshov Rechtbanke
Hoge Raad
en n
De (19 in NL) rechtbank is het eerste gerecht, men kan in hoger beroep gaan
wanneer ze het niet eens zijn met het vonnis. bij een van de vijf gerechtshoven.
Deze rechters heten raadsheren. Wanneer men het niet eens is met de uitspraak
(arrest) kan men in cassatie gaan. Men legt dan het geschil voor aan de Hoge
Raad. De rechters hier heten ook raadsheren.
Sanctie: een middel om naleving van bijv. een voorschrift af te dwingen, of als
straf voor een overtreding.
Last onder dwangsom: De overtreder moet voor bijv. elke dag dat hij de
overtreding niet ongedaan maakt, een geldbedrag betalen.
H2
Privaatrecht: (Burgerlijk recht) het gedeelte van het objectieve recht zich
bezighoudt met de rechtsverhouding tussen personen onderling.
Natuurlijke personen: De mens
Rechtspersonen: Organisatievorm die voor veel handelingen net als natuurlijke
personen aan het rechtsverkeer mag deelnemen. (Stichting, NV, BV)
Publiekrecht: De rechtsverhouding tussen overheid en burgers.
Bestuursrecht: Bij de uitvoering van deze wetten nemen bestuursorganen,
zoals het bestuur van een gemeente, provincie en de rijksoverheid besluiten.
Hierbij moeten bepaalde regels in acht worden genomen, anders kan er een
procedure aangespannen worden tegen dit bestuursorgaan.
Materieel recht: Regels die rechten verlenen en verplichtingen opleggen tussen
burgers onderling, en tussen burgers en overheid, maar ook tussen overheden
onderling.
Formeel recht: (procesrecht) Regels die aangeven hoe iemand zijn
privaatrechtelijk(e) recht(en) kan afdwingen tegenover anderen.
H3
Het objectieve recht* bestaat voor een groot deel uit Normen: Wat er mag,
wat er moet, wat er verboden is.
Objectief recht/Positief recht/Geldend recht.
Subjectief Recht: De bevoegdheid die een persoon heeft tegenover één of
andere personen.
Rechtssubjecten: personen (dragers subjectieve rechten)
, - Natuurlijk persoon: Mensen
- Rechtspersoon: Organisatievorm die voor veel handelingen net als natuurlijke
personen aan het rechtsverkeer mag deelnemen.
Rechtsobject: Het voorwerp van recht. (bijv. Ipad van Hendrik, Ipad is
rechtsobject, Hendrik is rechtssubject.
Dwingend recht: Voorschriften die de wetgever burgers oplegt waar ze niet van
af mogen wijken. Als hiervan wordt afgeweken blijft dit zonder rechtsgevolg.
(huurrecht) Nietig geeft aan dat de regel dwingend is voorgeschreven.
Nietigheid: een rechtshandeling heeft het beoogde rechtsgevolg niet; het
rechtsgevolg wordt geacht nooit te hebben bestaan.
Aanvullend recht: Deze heeft de wetgever gemaakt voor het geval partijen niet
zelf een regeling treffen, maar laat de burgers vrij om naar goeddunken in
afwijking daarvan een regeling overeen te komen.
Semidwingend recht: Het is partijen toegestaan om van de wettelijke regel af
te wijken, binnen bepaalde door de wet gestelde grenzen.
H4
Wet in formele zin: een gezamenlijk besluit van de regering en de Staten-Generaal. (burgerlijk
wetboek)
Wet in materiële zin: Algemene regels (normen) van een tot regelgeving bevoegd overheidsorgaan,
die de burgers binden.
Drie typen wetten:
- Wetten in formele zin dien tevens wetten in materiële zin zijn. Bijv. burgerlijk wetboek.
- Wetten in formele zin die geen wetten in materiële zin zijn. Bijv. wet vd voogdij over de minderjarige
Koning. (bindt alleen koningshuis)
- Wetten in materiële zin die niet wetten in formele zin zijn. Bijv. Provinciale verordening.
Rangorde van wetten in materiële zin:
1. Grondwet
2. Wetten in formele zin
3. Algemene maatregelen van bestuur
4. Ministeriële regelingen
5. Provinciale verordeningen
6. Gemeentelijke verordeningen
Gewoonte: een geregeld handelen in een zekere kring.
Een gewoonte wordt alleen als rechtsregel erkend wanneer :
- de handelingen een gevolg zijn van de overtuiging dat iemand zo behoort te doen als hij doet
- afwijking van de gewoonte als onbehoorlijk wordt ervaren in de betrokken kring van personen
Gewoonterecht: het gewoonterecht kan naast de wet bestaan, en wel in die gevallen dat de wet naar
de gewoonte verwijst.
Legaliteitsbeginsel: Alleen de wet bepaalt welk feit strafbaar is en alleen de wet bepaalt welke
straffen in welke gevallen kunnen worden opgelegd.
Jurisprudentie: Rechterlijke uitspraken
Interpretatie: De rechter moet in een concreet geval vaststellen wat de betekenis is van de
College:
Privaatrecht: Regelt de verhouding tussen burgers onderling
Publiekrecht: Regelt de verhouding tussen burger en overheid, en tussen
overheidsorganen.
Subjectief: Een recht of plicht voor een individu
Objectief: Een recht of plicht voor iedereen
Materieel Recht: Het 'inhoudelijke' recht, de rechten en plichten zelf.
Formeel Recht: De organisatiestructuur achter het materiële recht, regels om
het materiële recht te handhaven.
Verdragen: Overeenkomst tussen 2 of meer staten, soms ook voor burgers
direct werkend. (EU recht)
Wetten: Codificatie van regels
WIFZ: Wet in formele zin
WIMZ: Wet in materiële zin
Jurisprudentie: Rechter beslist in concreet geval hoe regels uitgelegd moeten
worden
--> Interpretatiemethoden: Grammaticaal
Historisch (wet/recht)
Teleologisch
Anticiperend
Systematisch
--> Redeneervormen: Analogie
A-contrario
Gewoonterecht: Herhaling, normbesef, Afwijking norm wordt ervaren als zijnde
onbehoorlijk.
H1
Belangentegenstellingen: Ieder mens heeft belangen en probeert die te
realiseren. Vaak komt hij daarbij in botsing met een ander.
Eigenrichting: In een geschil je gelijk halen door zelf geweld te gebruiken. Het
recht van de (ec.) sterkste geldt dan.
Zittende magistratuur: De rechters zijn lid van de zittende magistratuur, de
rechts blijven zitten in de rechtszaal als zij aan het woord zijn.
Organisatie rechterlijke macht:
, Rechterlijke
macht
Gerechtshov Rechtbanke
Hoge Raad
en n
De (19 in NL) rechtbank is het eerste gerecht, men kan in hoger beroep gaan
wanneer ze het niet eens zijn met het vonnis. bij een van de vijf gerechtshoven.
Deze rechters heten raadsheren. Wanneer men het niet eens is met de uitspraak
(arrest) kan men in cassatie gaan. Men legt dan het geschil voor aan de Hoge
Raad. De rechters hier heten ook raadsheren.
Sanctie: een middel om naleving van bijv. een voorschrift af te dwingen, of als
straf voor een overtreding.
Last onder dwangsom: De overtreder moet voor bijv. elke dag dat hij de
overtreding niet ongedaan maakt, een geldbedrag betalen.
H2
Privaatrecht: (Burgerlijk recht) het gedeelte van het objectieve recht zich
bezighoudt met de rechtsverhouding tussen personen onderling.
Natuurlijke personen: De mens
Rechtspersonen: Organisatievorm die voor veel handelingen net als natuurlijke
personen aan het rechtsverkeer mag deelnemen. (Stichting, NV, BV)
Publiekrecht: De rechtsverhouding tussen overheid en burgers.
Bestuursrecht: Bij de uitvoering van deze wetten nemen bestuursorganen,
zoals het bestuur van een gemeente, provincie en de rijksoverheid besluiten.
Hierbij moeten bepaalde regels in acht worden genomen, anders kan er een
procedure aangespannen worden tegen dit bestuursorgaan.
Materieel recht: Regels die rechten verlenen en verplichtingen opleggen tussen
burgers onderling, en tussen burgers en overheid, maar ook tussen overheden
onderling.
Formeel recht: (procesrecht) Regels die aangeven hoe iemand zijn
privaatrechtelijk(e) recht(en) kan afdwingen tegenover anderen.
H3
Het objectieve recht* bestaat voor een groot deel uit Normen: Wat er mag,
wat er moet, wat er verboden is.
Objectief recht/Positief recht/Geldend recht.
Subjectief Recht: De bevoegdheid die een persoon heeft tegenover één of
andere personen.
Rechtssubjecten: personen (dragers subjectieve rechten)
, - Natuurlijk persoon: Mensen
- Rechtspersoon: Organisatievorm die voor veel handelingen net als natuurlijke
personen aan het rechtsverkeer mag deelnemen.
Rechtsobject: Het voorwerp van recht. (bijv. Ipad van Hendrik, Ipad is
rechtsobject, Hendrik is rechtssubject.
Dwingend recht: Voorschriften die de wetgever burgers oplegt waar ze niet van
af mogen wijken. Als hiervan wordt afgeweken blijft dit zonder rechtsgevolg.
(huurrecht) Nietig geeft aan dat de regel dwingend is voorgeschreven.
Nietigheid: een rechtshandeling heeft het beoogde rechtsgevolg niet; het
rechtsgevolg wordt geacht nooit te hebben bestaan.
Aanvullend recht: Deze heeft de wetgever gemaakt voor het geval partijen niet
zelf een regeling treffen, maar laat de burgers vrij om naar goeddunken in
afwijking daarvan een regeling overeen te komen.
Semidwingend recht: Het is partijen toegestaan om van de wettelijke regel af
te wijken, binnen bepaalde door de wet gestelde grenzen.
H4
Wet in formele zin: een gezamenlijk besluit van de regering en de Staten-Generaal. (burgerlijk
wetboek)
Wet in materiële zin: Algemene regels (normen) van een tot regelgeving bevoegd overheidsorgaan,
die de burgers binden.
Drie typen wetten:
- Wetten in formele zin dien tevens wetten in materiële zin zijn. Bijv. burgerlijk wetboek.
- Wetten in formele zin die geen wetten in materiële zin zijn. Bijv. wet vd voogdij over de minderjarige
Koning. (bindt alleen koningshuis)
- Wetten in materiële zin die niet wetten in formele zin zijn. Bijv. Provinciale verordening.
Rangorde van wetten in materiële zin:
1. Grondwet
2. Wetten in formele zin
3. Algemene maatregelen van bestuur
4. Ministeriële regelingen
5. Provinciale verordeningen
6. Gemeentelijke verordeningen
Gewoonte: een geregeld handelen in een zekere kring.
Een gewoonte wordt alleen als rechtsregel erkend wanneer :
- de handelingen een gevolg zijn van de overtuiging dat iemand zo behoort te doen als hij doet
- afwijking van de gewoonte als onbehoorlijk wordt ervaren in de betrokken kring van personen
Gewoonterecht: het gewoonterecht kan naast de wet bestaan, en wel in die gevallen dat de wet naar
de gewoonte verwijst.
Legaliteitsbeginsel: Alleen de wet bepaalt welk feit strafbaar is en alleen de wet bepaalt welke
straffen in welke gevallen kunnen worden opgelegd.
Jurisprudentie: Rechterlijke uitspraken
Interpretatie: De rechter moet in een concreet geval vaststellen wat de betekenis is van de