Vraag 1.
Boek 1: Personen en familierecht.
Boek 2: Rechtspersonenrecht.
Boek 3: Vermogensrecht.
Boek 4: Erfrecht.
Boek 5: Zakelijk recht.
Boek 6: Verbintenissenrecht.
Boek 7: Bijzondere overeenkomsten.
Boek 7a: Vervolg op boek 7.
Boek 8: Verkeer en vervoersrecht.
Boek 10: Internationaal privaat recht en verdragen.
BW bestaat sinds 1992.
Vraag 2. Verdieping (van algemeen tot bijzonder). Bijzonder recht gaan altijd voor algemeen recht.
Vraag 3. Rechtsfeit is op geld waardeerbaar.
Vraag 4. (ZIE BOEK). Rechtsfeit - Bloot (geen invloed) of MH (menselijke handeling). MH -
Rechtshandeling (met beoogd effect) of FH (feitelijke handeling, zonder beoogd effect).
Rechtshandeling - ERH (eenzijdige rechtshandeling) of MRH (meervoudige rechtshandeling).
Vraag 5. Geen rechtsfeit. Het is geen zaak dat op geld waardeerbaar is.
Vraag 6. Iets waar je geen invloed op kunt uitoefenen. Voorbeeld: geboorte, verjaring.
Vraag 7. RH: beoogd rechtsgevolg. FH: zonder beoogd rechtsgevolg.
Vraag 8. Wil en verklaring moet aanwezig zijn en het moet een beoogd rechtsfeit zijn. (Art 3:33
BW)
Vraag 9. Een rechtsrelatie tussen twee of meerdere personen.
Vraag 10. Een relatief recht is een relatie tussen één of meer bepaalde personen. Een absoluut recht
kan tegenover iedereen gelden.
Vraag 11. Een onrechtmatige daad. Karin doet iets dat onrechtmatig is (door het rode stoplicht
rijden). Ze heeft er zelf invloed op (dus geen bloot rechtsfeit).
Vraag 12 a. Een eenzijdige rechtshandeling. Maria hoeft (alleen!) een brief te sturen.
Vraag 12 b. Een eenzijdige rechtshandeling. Valentijn (alleen!) heeft mensen niet netjes behandeld.
Vraag 12 c. Een meerzijdige rechtshandeling. Joost heeft recht op een Turkse pizza en en de Turkse
pizzabakkerij heeft de plicht om de pizza te leveren. De Turkse pizzabakkerij heeft recht op betaling
en Joost heeft de plicht om te betalen aan de Turkse pizzabakkerij.
Vraag 12 d. Een eenzijdige rechtshandeling. Margot (alleen!) beslist om het bedrag te verrekenen ,
dit is niet in overleg (en dus aanvaarding) met Anne Marie gedaan.
,Vraag 13. De moeder kan de koop ongedaan maken op grond van artikel 1:234 BW lid 1. Hierin
staat dat een minderjarige, mits hij met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger (lees
ouders) handelt, bekwaam rechtshandelingen te verrichten, voor zover de wet niet anders bepaalt.
Mariette (8) en Juriaan (10) zijn volgens 1:233 BW (Minderjarigen zijn zij, die de ouderdom van
achttien jaren niet hebben bereikt etc.) nog minderjarig en hadden dus toestemming van hun ouders
moeten vragen.
PRIVAAT- EN BESTUURSRECHT WEEK 2
Vraag 1. Een overeenkomst komt tot stand door een aanbod en aanvaarding daarvan. Art. 6:217
BW.
Vraag 2. Wilsgebrek is een begrip dat de situatie aanduidt waarin de wil tot een rechtshandeling
gebrekkig is gevormd. Dit gebrekkig gevormd zijn komt erop neer dat de argumenten die aan de
wilsvorming ten grondslag liggen:
onwaar zijn (bedrog en dwaling);
onbetamelijk zijn (bedreiging); of
op zichzelf niet verwerpelijk zijn, maar het misbruik daarvan ten bate van een ander wel
(misbruik van omstandigheden, waarbij de bijzondere omstandigheden de argumenten
vormen). (art. 6:228).
Wilsontbreken betekent dat de wil niet overeen stemt met de verklaring (discrepantie).
Vraag 3. Artikel 44 boek 3 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 228 boek 6 van het Burgerlijk
Wetboek. De gronden: Bedreiging, Bedrog, Misbruik, Dwaling en Handelingsonbekwaamheid.
Op grond van artikel 49 boek 3 van het Burgerlijk Wetboek kan een rechtshandeling vernietigt
worden door een buitengerechtelijke verklaring (briefje sturen) (artikel 50 boek 3 van het Burgerlijk
Wetboek) of door een rechterlijke uitspraak (artikel 51 boek 3 van het Burgerlijk Wetboek).
Vraag 4.
(art. 6:162 lid 2 BW). 1: een inbreuk op een recht. 2. Een doen of nalaten in strijd met een
wettelijke plicht. 3. Hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
Vraag 5. Een verband tussen oorzaak en gevolg. Voorbeeld: onrechtmatige daad > schade > gevolg
is een vergoeding.
Vraag 6. Overeenkomsten zijn altijd meerzijdig. Rechtshandeling kunnen wel eenzijdig zijn
(bijvoorbeeld het opzeggen van de huur).
Vraag 7. In deze casus heeft Pablo gelijk. Er is sprake van een aanbod (Stefan wil 10 kilo olijven
kopen voor 70 euro), maar er heeft geen definitieve aanvaarding plaatsgevonden, immers Pablo
hangt op met de opmerking dat hij nog wel zal kijken wat er mogelijk is. Stefan heeft verder niets
meer gehoord en is dus niet verplicht om aan de betaling te voldoen. (art 6:221 BW). Een
mondelinge overeenkomst moet er plekke geschieden.
Vraag 8 a. In deze casus heeft de koper gelijk. Dion heeft weliswaar een geestelijke stoornis maar
op het moment van de rechtshandeling was het redelijkerwijs niet te voorzien door de koper. De
fiets had namelijk geen rare prijs (3300 euro). (art 3:34 BW en art. 3:35 BW).
, Vraag 8 b. In deze casus heeft Dion gelijk. In dit geval was het wél redelijkerwijs te voorzien door
de koper dat er iets niet klopte. De prijs verschilt namelijk dusdanig dat het te mooi was om waar te
zijn. (art 3:34 BW ).
Vraag 9. Jan kan de schenkingsovereenkomst ongedaan maken op grond van art. 3:44 lid 1 en 2
BW. Deze bedreiging is namelijk heel erg beïnvloedend (fysiek geweld) waardoor hij de kandelaar
afgeeft.
Vraag 10. Art 6:164. Andy kan geen schadevergoeding eisen van Karel. Karel had namelijk geen
oogmerk om schade toe te brengen aan Andy of zijn waardevolle bezittingen, geen toerekening. Art.
6:169, ouders verantwoordelijk. Risicoaansprakelijkheid voor ouders.
PRIVAAT- EN BESTUURSRECHT WEEK 3
Vraag 1.a. Het materiële gedeelte stelt regels ten aanzien van de verhoudingen tussen burgers
onderling en tussen burgers en goederen. Het formeel privaatrecht is het burgerlijk procesrecht: het
geeft regels over de handhaving van de materiële regels. Materieel gaat over vermogensrecht.
Vraag 1.b. Handhaving (Rechten en plichten nakomen). Tegen gaan van eigenrichting. Het
voorkomen van procedures.
Vraag 1.c. Het Burgerlijk procesrecht is in Nederland voornamelijk geregeld in het Wetboek van
Burgerlijke Rechtsvordering en in de Wet op de rechterlijke organisatie.
Vraag 2. Eerste aanleg: eiser-gedaagde. In hoger beroep: Appellant - Geïntimeerde. Cassatie: Eiser
tot cassatie - Verweerder in cassatie.
Vraag 3. Verzoekschrift en dagvaarding. Dagvaarding: is meestal een geschil tussen personen
onderling. Verzoekschrift: komt meestal een verzoek van één iemand.
Verzoekschriftprocedures komen met name voor in de sfeer van het personen- en familierecht
(echtscheiding, gezag over minderjarigen, faillissement), maar ook in het vermogens- en
arbeidsrecht wordt van de procedure gebruikgemaakt. Het betreft vaak zaken die zich lenen voor
een minder formele, goedkopere en snellere aanpak.
De dagvaarding zich richt tot de tegenpartij (de gedaagde) wordt een verzoekschrift gericht aan de
rechter.
Woorden in de wet: verzoek, afgeleid van verzoeken en beschikking (verzoekschrift).
Als de wet deze woorden niet gebruikt is het een dagvaarding (dagvaarding).
Vraag 4. Dagvaardingsprocedure. Het gaat om een geschil tussen personen onderling. Art. 78 RV.
Vraag 5. Procedure waarbij de gedaagde niet verschijnt alhoewel hij op de wettelijk voorgeschreven
wijze is opgeroepen om te verschijnen.