Biologie thema 1: inleiding in de biologie
Basisstof 2: organen, weefsels en cellen
Orgaanstelsel = bestaat uit een aantal organen met dezelfde functie. (Ademhalingsstelsel,
verteringsstelsel, zenuwstelsel)
Weefsel = groep cellen met dezelfde vorm en functie.
Organel = een deel van een cel met een eigen functie.
Cel = groter als een molecuul. Veel cellen bij elkaar vormt een orgaan.
Orgaan = een deel van een organisme, met een specifieke bouw en functie (hart, oog)
Dekweefsel = dit weefsel bekleedt en beschermt inwendige en uitwendige
lichaamsoppervlakten.
Zenuwweefsel = vind je in organen van het zenuwstelsel: hersenen, ruggenmerg, zenuwen.
Spierweefsel = langgerekte cellen die kunnen samentrekken en zo beweging mogelijk
maken.
Tussencelstof = ligt tussen cellen in. De functie hangt af van de vorm en functie van het
weefsel.
Kalkzouten = geven stevigheid aan beenweefsel.
Collageenvezels = lijmvormende vezels die zorgen voor samenhang van het weefsel. Zonder
deze vezels is het beenweefsel hard.
Kraakbeenweefsel = bevat minder kalkzouten en meer collageenvezels, zorgt voor
buigzaamheid. Bevindt zich o.a. in de neus, oren, ribbenkast.
Beenweefsel = bevat veel kalkzouten, is heel stevig en bijna niet buigzaam.
Figuur 1: dekweefsel (epitheel) Figuur 2: spierweefsel
Figuur 4: zenuwweefsel Figuur 5: kraakbeenweefsel Figuur 3: beenweefsel
Basisstof 3: Plantaardige en dierlijke cellen
Basisstof 2: organen, weefsels en cellen
Orgaanstelsel = bestaat uit een aantal organen met dezelfde functie. (Ademhalingsstelsel,
verteringsstelsel, zenuwstelsel)
Weefsel = groep cellen met dezelfde vorm en functie.
Organel = een deel van een cel met een eigen functie.
Cel = groter als een molecuul. Veel cellen bij elkaar vormt een orgaan.
Orgaan = een deel van een organisme, met een specifieke bouw en functie (hart, oog)
Dekweefsel = dit weefsel bekleedt en beschermt inwendige en uitwendige
lichaamsoppervlakten.
Zenuwweefsel = vind je in organen van het zenuwstelsel: hersenen, ruggenmerg, zenuwen.
Spierweefsel = langgerekte cellen die kunnen samentrekken en zo beweging mogelijk
maken.
Tussencelstof = ligt tussen cellen in. De functie hangt af van de vorm en functie van het
weefsel.
Kalkzouten = geven stevigheid aan beenweefsel.
Collageenvezels = lijmvormende vezels die zorgen voor samenhang van het weefsel. Zonder
deze vezels is het beenweefsel hard.
Kraakbeenweefsel = bevat minder kalkzouten en meer collageenvezels, zorgt voor
buigzaamheid. Bevindt zich o.a. in de neus, oren, ribbenkast.
Beenweefsel = bevat veel kalkzouten, is heel stevig en bijna niet buigzaam.
Figuur 1: dekweefsel (epitheel) Figuur 2: spierweefsel
Figuur 4: zenuwweefsel Figuur 5: kraakbeenweefsel Figuur 3: beenweefsel
Basisstof 3: Plantaardige en dierlijke cellen